II.

Nu begin ik over de nestvisch en over de krant. De eerste wordt door de

eenden gegeten.

Wij hebben veertienhonderd eenden. Achter ons huis beginnen de

eendenhokken, en dan loopen zij in lange rijen tot het eind van ons

groote erf. Zij zijn met elkaar een heel eendendorp. Nevenburen en

overburen hebben de eenden. De paden door het eendendorp zijn met een

plankenvloer belegd. Elk eendenhok heeft een dicht binnenverblijf, dat

met een schuin dak van hout afgedekt, en een open voorterrein, dat met

een houten hek omgeven is. Ook is elk eendenhok veel meters lang. Maar

het wordt in de dwarste door schotten in ongeveer vierkante woningen

verdeeld. Dat zijn de schotten, waar mijn zuster Trijn overheen stapt.

Tusschen elke twee dwarsschotten wonen tusschen twintig en vijftig

eenden samen.

Wat de eenden van de meeste menschen onderscheidt, is: dat de

eerstgenoemden kwaken. Als de eenden kwaken, zou het lichtvaardig zijn,

zoo maar vast te stellen: nu zeggen zij dit, of: thans beweren zij dat.

Bij de overbrenging van het eendengekwaak in het Nederlandsch blijft

steeds veel voorbehoud noodig wat betreft de zekerheid der vertaling,

want de eenden hebben een zeer ingewikkelde grammatica. Maar een

bepaalde kwaak-uitdrukking houden zij erop na, waarvan de zin toch

volkomen vaststaat. Wanneer zij die ten gehoore brengen, hebben zij

honger en begeeren nestvisch.

Die brengen vader en mijn zuster Trijn haar dan.

Met juistheid te bepalen, wat nestvisch is, behoort natuurlijk tot de

dierkunde, maar, naar ik uit de krant weet, ook tot de staatkunde. Of

dier- en staatkunde nog meer gemeenschappelijk gebied hebben, is mij

onbekend. Maar ik heb in de krant gelezen, dat ons kamerlid het met de

eendenboeren, door wie hij is gekozen en verhoopt herkozen te worden,

eens is over de leer: nestvisch is tot niets nut dan tot eendenvoer, en

de vangst ervan behoort geheel vrij te worden gelaten. In dit dier- en

staatkundig beginsel heeft echter, volgens de krant, ons kamerlid een

verbitterd tegenstander aan zijn ambtgenoot uit de visscherijstreek;

deze deelt met zijn visschers-stemmers de gewetensvolle overtuiging:

nestvisch is onvolgroeid haringkroost, welks ontijdige wegvangst voor

het eendengebroed roof is aan het menschengeslacht.

Vader en mijn zuster Trijn zijn er vast toe besloten, dat vader nimmer

weer op ons kamerlid stemmen zal, indien ooit diens dierkundige en

staatkundige welverzekerdheid met elkander in tegenspraak mochten komen

te geraken. Maar daar bestaat in het geheel geen kans op. Onlangs heb ik

uit de krant aan mijn huisgenooten voorgelezen, hoe in de zitting ons

kamerlid aan zijn ambtgenoot heeft toegevoegd, dat een nestvischje

zoomin ooit tot een haring zal worden als tot een zeemeermin. Hoewel wij

niet wisten, wat een zeemeermin is, vonden wij dit een krachtig bewijs

voor zijn vastheid van standpunt. Ik heb de regels over de zeemeermin

uit de krant geknipt en in mijn opstellenschrift gelegd.

In elk geval is het nestvischje een geschubd lijkje, klein van maat,

zilver van kleur, rot van geur.

Toen, terwijl onze Trijn met den nestemmer naar de eendenhokken

wandelde, twee stadsdametjes op haar rijwielen voorbijkwamen, drukten

zij haastig beiden tegelijk haar zakdoekjes tegen haar neusjes.

Maar onze Trijn, ree van besluit als zij is, zette snel den emmer neer,

keek de stadsdametjes strak aan, greep een punt van haar zwarte schort,

en drukte die tegen háár neus.

Daar wou mijn zuster Trijn mee te kennen geven: "En ik walg van uw

bereukwaterde zakdoekjes".

Bij ons in Noord-Holland · 第 35 / 55 题