Nu begin ik over de nestvisch en over de krant. De eerste wordt door de
eenden gegeten.
Wij hebben veertienhonderd eenden. Achter ons huis beginnen de
eendenhokken, en dan loopen zij in lange rijen tot het eind van ons
groote erf. Zij zijn met elkaar een heel eendendorp. Nevenburen en
overburen hebben de eenden. De paden door het eendendorp zijn met een
plankenvloer belegd. Elk eendenhok heeft een dicht binnenverblijf, dat
met een schuin dak van hout afgedekt, en een open voorterrein, dat met
een houten hek omgeven is. Ook is elk eendenhok veel meters lang. Maar
het wordt in de dwarste door schotten in ongeveer vierkante woningen
verdeeld. Dat zijn de schotten, waar mijn zuster Trijn overheen stapt.
Tusschen elke twee dwarsschotten wonen tusschen twintig en vijftig
eenden samen.
Wat de eenden van de meeste menschen onderscheidt, is: dat de
eerstgenoemden kwaken. Als de eenden kwaken, zou het lichtvaardig zijn,
zoo maar vast te stellen: nu zeggen zij dit, of: thans beweren zij dat.
Bij de overbrenging van het eendengekwaak in het Nederlandsch blijft
steeds veel voorbehoud noodig wat betreft de zekerheid der vertaling,
want de eenden hebben een zeer ingewikkelde grammatica. Maar een
bepaalde kwaak-uitdrukking houden zij erop na, waarvan de zin toch
volkomen vaststaat. Wanneer zij die ten gehoore brengen, hebben zij
honger en begeeren nestvisch.
Die brengen vader en mijn zuster Trijn haar dan.
Met juistheid te bepalen, wat nestvisch is, behoort natuurlijk tot de
dierkunde, maar, naar ik uit de krant weet, ook tot de staatkunde. Of
dier- en staatkunde nog meer gemeenschappelijk gebied hebben, is mij
onbekend. Maar ik heb in de krant gelezen, dat ons kamerlid het met de
eendenboeren, door wie hij is gekozen en verhoopt herkozen te worden,
eens is over de leer: nestvisch is tot niets nut dan tot eendenvoer, en
de vangst ervan behoort geheel vrij te worden gelaten. In dit dier- en
staatkundig beginsel heeft echter, volgens de krant, ons kamerlid een
verbitterd tegenstander aan zijn ambtgenoot uit de visscherijstreek;
deze deelt met zijn visschers-stemmers de gewetensvolle overtuiging:
nestvisch is onvolgroeid haringkroost, welks ontijdige wegvangst voor
het eendengebroed roof is aan het menschengeslacht.
Vader en mijn zuster Trijn zijn er vast toe besloten, dat vader nimmer
weer op ons kamerlid stemmen zal, indien ooit diens dierkundige en
staatkundige welverzekerdheid met elkander in tegenspraak mochten komen
te geraken. Maar daar bestaat in het geheel geen kans op. Onlangs heb ik
uit de krant aan mijn huisgenooten voorgelezen, hoe in de zitting ons
kamerlid aan zijn ambtgenoot heeft toegevoegd, dat een nestvischje
zoomin ooit tot een haring zal worden als tot een zeemeermin. Hoewel wij
niet wisten, wat een zeemeermin is, vonden wij dit een krachtig bewijs
voor zijn vastheid van standpunt. Ik heb de regels over de zeemeermin
uit de krant geknipt en in mijn opstellenschrift gelegd.
In elk geval is het nestvischje een geschubd lijkje, klein van maat,
zilver van kleur, rot van geur.
Toen, terwijl onze Trijn met den nestemmer naar de eendenhokken
wandelde, twee stadsdametjes op haar rijwielen voorbijkwamen, drukten
zij haastig beiden tegelijk haar zakdoekjes tegen haar neusjes.
Maar onze Trijn, ree van besluit als zij is, zette snel den emmer neer,
keek de stadsdametjes strak aan, greep een punt van haar zwarte schort,
en drukte die tegen háár neus.
Daar wou mijn zuster Trijn mee te kennen geven: "En ik walg van uw
bereukwaterde zakdoekjes".