I.

Op school was ik zeer verstandig. Vooral in het opstellen maken.

Alhoewel ik reeds bijna vijftien ben, kan ik dat nog goed.

Nu zal ik een opstel maken over mijn zuster Trijn.

Daar komt ook in van mijzelf, van mijn kameraad Kreel, van de biggen, en

van nog anderen.

Mijn zuster Trijn is "skoon van wezen," heeft Kreel eens tot mij gezegd.

Dat wist hij, zeide hij, omdat hij in zijn twintigste jaar is.

Trijn "loopt op de vragenleering"; maar ik niet. Als ge "op de

vragenleering loopt", zegt Trijn, kunt ge later lid van de kerk worden.

Verleden jaar heeft Trijn op de "leering" met haar vriendin afgesproken,

Zondag naar de Purmerender kermis te gaan.

De vriendin zei, dat zij dan meteen voor haar grootmoeder een bewijsje,

dat deze tot de kerk behoort, konden halen. De grootmoeder was uit

Purmerend bij haar thuis komen inwonen. De "arrestasie" moest men maar

vragen, had haar grootmoeder gezegd; dan wist dominee het wel.

Mijn zuster Trijn helpt vader elken dag de eenden voeren; maar ik niet.

Ik ga veel uit fietsen, of ik maak opstellen. Ook lees ik veel in de

krant.

Als Trijn de eenden voert, stapt zij, met den emmer nestvisch aan de

hand, zoo maar over de hooge schotten heen, die de eendenhokken

afdeelen.

Kreel, die de nestvisch bij ons bezorgt, bleef het dikwijls een poos

versteld aanzien. Eens zei hij: "Trijn, het lijkt haast een

kunstenmaakster uit een spel".

"Nou, borst," zei Trijn, "hoe kan ik er anders bij komen?"

Maar ik was, daar ik zoo schoone opstellen kan maken, bestemd, om naar

de hoogere burgerschool te gaan. Mijn vader heeft er wel twee jaar lang

over gedacht, mij daarheen te brengen.

Bij ons in Noord-Holland · 第 34 / 55 题