De postbode heeft aan vader een briefkaart gebracht. "Gij krijgt het
"heerskip"", zeide de postbode bedenkelijk en gewichtig tot vader.
De inhoud der briefkaart bevestigde de voorbereidende mededeeling van
den postbode. Vaders gezicht ging onder het lezen nog wel zoo gewichtig
en bedenkelijk staan als dat van den besteller.
Toen vader de briefkaart van het heerschap uit had, heeft moeder haar
gelezen. Daarna hebben wij, zoons en dochters des huizes, haar elk op
onze beurt mogen lezen.
Vader heeft de briefkaart dubbel gevouwen, en haar in zijn tabaksdoos
geborgen.
Des avonds hebben wij, bij het licht der stallantaarn, de greppels
achter de koeien uitgeschrobd. Wij hebben op de stalpaden zand
gestrooid.
Den volgenden dag is het heerschap gekomen. Vader en hij kenden elkander
natuurlijk van de jaarlijksche ontmoetingen omtrent Kerstmis. Moeder en
wij hebben thans voor het eerst gezien, dat het heerschap oud, klein en
mager is, en witte bakkebaardjes heeft.
Vader is naar het rijtuig, waarmee het heerschap kwam, geloopen, met de
pet onder den arm. En moeder met de stoof in de handen, die altijd
gebruikt wordt om haar tot trede te dienen bij het uitstappen uit onzen
tentwagen. Maar de stoof was niet noodig. Want het rijtuig van het
heerschap was zelf voorzien van een gemakkelijken uitstap.
Vader heeft dien dag zijn zondagsche pet geheelenal tusschen de handen
verfrommeld. Moeder heeft aldoor haar zijden schort met de vingertoppen
gladgestreken. Het heerschap is vriendelijk.
Vader heeft het heerschap verzekerd, dat hij van het ouderwetsche houdt,
omdat dit degelijk is; maar dat hij van het nieuwerwetsche in geen enkel
opzicht gediend is, dewijl dit winderig is, en ook vol van ongepaste
leeringen voor de lagere standen ten aanzien van de hoogere. Het
heerschap heeft over deze gevoelens van vader zijn goedkeuring betuigd.
Vader heeft het heerschap door den koestal geleid. Daar heeft het
heerschap naar het welvaren van den veestand geïnformeerd. Vader heeft
geantwoord, dat het miltvuur zware verliezen had teweeggebracht, en
dat deswege de dag der pachtbetaling een toekomstbeeld vol schrik voor
den veeman was. Vader bedoelde den veehouder in het algemeen, daar
het miltvuur onzen runderstapel, gelukkig, in het geheel niet heeft
aangetast. Maar omdat vader onder het spreken zoo droevig hoofdschuddend
zijn eigen stal rondzag, meende het heerschap, dat vader zelf zoo
geteisterd was in zijn koebeesten. Toen vader bemerkte, dat het
heerschap dit meende, heeft hij het heerschap niet willen tegenspreken.
Vader spreekt nooit het heerschap tegen.
Het heerschap is godsdienstig. Toen vader hem over het erf rondvoerde,
vroeg hij, naar het verre torentje van Groot-Schermer wijzende, of dat
de toren van vaders kerk was. Vader zeide van ja.
"En is uw leeraar een goed predikant, mijn vriend?" vroeg het heerschap.
""'n Bovenste best", mijnheer", antwoordde vader.
"Zoo, zoo", zei de oude heer. "Dat doet mij genoegen, waarlijk genoegen.
Zoo, zoo". Onze knecht, die in de buurt stond, kan precies nadoen, hoe
het heerschap dit zeide.
Het heerschap is nederig. Hij heeft onzen knecht ook toegesproken.
Het heerschap heeft tot onzen knecht gezegd: "Dit zijn waarlijk eenden
van buitengewone proportie, mijn jongen. Waarlijk van buitengewone
proportie. Zij getuigen van uw goede zorgen, mijn jongen."
"Eenden! Het zijn ganzen", antwoordde de knecht onbehouwen.
Vader heeft driftig den knecht naar den stal gejaagd. Vader heeft
het heerschap vergeving gevraagd. Vader heeft geweeklaagd over den
nieuwerwetschen geest, omdat deze de tegenwoordige menschen vervreemdt
van den eerbied jegens hen, wien zij eerbied schuldig zijn.
Het heerschap heeft vader wegens diens inzichten opnieuw zeer geprezen,
en de brutaliteit van den knecht vergeven.
Het heerschap is medelijdend. Hij zeide, toen hij tot vertrek weder in
zijn rijtuig zat, dat vader de toekomst toch niet al te donker moest
inzien met het oog op de pacht. Vader heeft het heerschap beloofd, dat
hij dit niet doen zou.
Ten laatste wees het heerschap, meenende, dat hij ginds weer den
dorpstoren van Groot-Schermer vóór zich had, op den toren van
West-Graftdijk, zeggende: "Zoo, zoo, dus dat is uw kerk. Zoo, zoo."
"Ja, mijnheer," heeft vader geantwoord.
"En uw leeraar?"
""'n Bovenste best", mijnheer", heeft vader nogeens verzekerd.
Nadat het heerschap vertrokken was, heeft vader onzen knecht met
toornige woorden, waaronder zelfs bedreigingen met opzegging van de
huur, overladen, omdat hij het heerschap heeft tegengesproken.