III.

De postbode heeft aan vader een briefkaart gebracht. "Gij krijgt het

"heerskip"", zeide de postbode bedenkelijk en gewichtig tot vader.

De inhoud der briefkaart bevestigde de voorbereidende mededeeling van

den postbode. Vaders gezicht ging onder het lezen nog wel zoo gewichtig

en bedenkelijk staan als dat van den besteller.

Toen vader de briefkaart van het heerschap uit had, heeft moeder haar

gelezen. Daarna hebben wij, zoons en dochters des huizes, haar elk op

onze beurt mogen lezen.

Vader heeft de briefkaart dubbel gevouwen, en haar in zijn tabaksdoos

geborgen.

Des avonds hebben wij, bij het licht der stallantaarn, de greppels

achter de koeien uitgeschrobd. Wij hebben op de stalpaden zand

gestrooid.

Den volgenden dag is het heerschap gekomen. Vader en hij kenden elkander

natuurlijk van de jaarlijksche ontmoetingen omtrent Kerstmis. Moeder en

wij hebben thans voor het eerst gezien, dat het heerschap oud, klein en

mager is, en witte bakkebaardjes heeft.

Vader is naar het rijtuig, waarmee het heerschap kwam, geloopen, met de

pet onder den arm. En moeder met de stoof in de handen, die altijd

gebruikt wordt om haar tot trede te dienen bij het uitstappen uit onzen

tentwagen. Maar de stoof was niet noodig. Want het rijtuig van het

heerschap was zelf voorzien van een gemakkelijken uitstap.

Vader heeft dien dag zijn zondagsche pet geheelenal tusschen de handen

verfrommeld. Moeder heeft aldoor haar zijden schort met de vingertoppen

gladgestreken. Het heerschap is vriendelijk.

Vader heeft het heerschap verzekerd, dat hij van het ouderwetsche houdt,

omdat dit degelijk is; maar dat hij van het nieuwerwetsche in geen enkel

opzicht gediend is, dewijl dit winderig is, en ook vol van ongepaste

leeringen voor de lagere standen ten aanzien van de hoogere. Het

heerschap heeft over deze gevoelens van vader zijn goedkeuring betuigd.

Vader heeft het heerschap door den koestal geleid. Daar heeft het

heerschap naar het welvaren van den veestand geïnformeerd. Vader heeft

geantwoord, dat het miltvuur zware verliezen had teweeggebracht, en

dat deswege de dag der pachtbetaling een toekomstbeeld vol schrik voor

den veeman was. Vader bedoelde den veehouder in het algemeen, daar

het miltvuur onzen runderstapel, gelukkig, in het geheel niet heeft

aangetast. Maar omdat vader onder het spreken zoo droevig hoofdschuddend

zijn eigen stal rondzag, meende het heerschap, dat vader zelf zoo

geteisterd was in zijn koebeesten. Toen vader bemerkte, dat het

heerschap dit meende, heeft hij het heerschap niet willen tegenspreken.

Vader spreekt nooit het heerschap tegen.

Het heerschap is godsdienstig. Toen vader hem over het erf rondvoerde,

vroeg hij, naar het verre torentje van Groot-Schermer wijzende, of dat

de toren van vaders kerk was. Vader zeide van ja.

"En is uw leeraar een goed predikant, mijn vriend?" vroeg het heerschap.

""'n Bovenste best", mijnheer", antwoordde vader.

"Zoo, zoo", zei de oude heer. "Dat doet mij genoegen, waarlijk genoegen.

Zoo, zoo". Onze knecht, die in de buurt stond, kan precies nadoen, hoe

het heerschap dit zeide.

Het heerschap is nederig. Hij heeft onzen knecht ook toegesproken.

Het heerschap heeft tot onzen knecht gezegd: "Dit zijn waarlijk eenden

van buitengewone proportie, mijn jongen. Waarlijk van buitengewone

proportie. Zij getuigen van uw goede zorgen, mijn jongen."

"Eenden! Het zijn ganzen", antwoordde de knecht onbehouwen.

Vader heeft driftig den knecht naar den stal gejaagd. Vader heeft

het heerschap vergeving gevraagd. Vader heeft geweeklaagd over den

nieuwerwetschen geest, omdat deze de tegenwoordige menschen vervreemdt

van den eerbied jegens hen, wien zij eerbied schuldig zijn.

Het heerschap heeft vader wegens diens inzichten opnieuw zeer geprezen,

en de brutaliteit van den knecht vergeven.

Het heerschap is medelijdend. Hij zeide, toen hij tot vertrek weder in

zijn rijtuig zat, dat vader de toekomst toch niet al te donker moest

inzien met het oog op de pacht. Vader heeft het heerschap beloofd, dat

hij dit niet doen zou.

Ten laatste wees het heerschap, meenende, dat hij ginds weer den

dorpstoren van Groot-Schermer vóór zich had, op den toren van

West-Graftdijk, zeggende: "Zoo, zoo, dus dat is uw kerk. Zoo, zoo."

"Ja, mijnheer," heeft vader geantwoord.

"En uw leeraar?"

""'n Bovenste best", mijnheer", heeft vader nogeens verzekerd.

Nadat het heerschap vertrokken was, heeft vader onzen knecht met

toornige woorden, waaronder zelfs bedreigingen met opzegging van de

huur, overladen, omdat hij het heerschap heeft tegengesproken.

Bij ons in Noord-Holland · 第 24 / 55 题