IV.

De schapenkoopman weet iemand, die zijn prachtige merrie wil ruilen

voor onzen hit, mits een paar honderd gulden op den hit toe. Maar de

hit voldoet zóó aan onze behoefte, dat de inruiling tegen de merrie

overdaad, om niet te zeggen verkwisting, zou zijn. Dit heeft vader,

eenige reizen nu reeds, den schapenkoopman onder het oog gebracht.

Vader is met Kersttijd de pacht aan het heerschap gaan brengen.

Vader heeft voor twaalfhonderd gulden bankpapier in zijn linkerborstzak,

en voor tweehonderdenvijftig gulden bankbiljetten in zijn

rechterborstzak geborgen.

Voordat vader vertrok, heeft hij tot moeder gezegd: "Als het goed gaat,

gaat enkel dit"--hij sloeg op de linkerborst--"eruit, en blijft

dit"--hij klapte op de rechterborst--"erin".

En toen vader terugkeerde van het heerschap, sprak hij: "Het is goed

gegaan."

Vader zegt, dat wij de twee-en-een-half-honderd gulden afslag van de

pacht verdiend hebben op den dag, toen het heerschap ons bezocht. Want

vader heeft aan de wijze, waarop het heerschap in den afslag berustte,

kunnen bemerken, hoe de verliezen, door het miltvuur teweeggebracht,

zoowel als de gevoelens, maatschappelijk en kerkelijk, die hij in vader

ontwaard heeft, hem blijvend hadden geroerd.

Vader zegt, dat menschen zooals het heerschap edele personen zijn.

Vader is naar den schapenkoopman gegaan, om hem op te dragen, den

eigenaar van de merrie met vaders geneigdheid tot den ruil in kennis te

stellen.

[Decoratieve Illustratie]

[Illustratie]

Bij ons in Noord-Holland · 第 25 / 55 题