Het heerschap is de aardsche god van den Noord-Hollandschen huurboer.
Groot is zijn naam! "Heerskip," aldus spreken wij dien naam uit.
Het optreden van den Noord-Hollandschen boer tegenover hooger dan hij
geplaatsten is over het algemeen onberispelijk fatsoenlijk, maar vol
besef van eigenwaarde. Alleen in de verhouding tot het heerschap werpt
hij, in diep afhankelijkheidsbewustzijn en onderdanigheidsgevoel,
tot het laatste spoor van eigenwaarde overboord. Hij betracht jegens
den burgemeester en den dominee, den notaris en den dokter de
meest tegemoetkomende beleefdheid. Een beleefdheid intusschen,
die onveranderlijk doormengd is met zekere even onmiskenbare als
onnavolgbare leukheid, door welke hij zegt zonder woorden: ik behoef
niet beleefd jegens u te zijn, als ik niet wil; stelt u echter
gerust, want ik ben veel te fatsoenlijk, om dat ooit ofte immer niet
te willen. Doch deze leukheid verdwijnt geheel en ten volle uit zijn
beleefdheidsbetoon in het aangezicht van zijn landheer. Tegenover het
heerschap is de Noord-Hollandsche pachtboer als was in de hand des
boetseerders.
En daarop valt niets aan te merken. Want hij moet het van het heerschap
hebben, terwijl de burgemeester, de notaris, de dokter, de dominee, goed
uitgerekend, het van hem hebben moeten.
Onder "het" te verstaan: de dagelijksche boterham!
Groot is dies de Noord-Hollandsche landpachter in zijn fier zelfgevoel
al de andere dagen des jaars, maar klein dien éénen dag tegen Kerstmis,
op welken hij, zijn pachtpenningen in de hand, het heerschap van
aangezicht tot aangezicht heeft te ontmoeten in diens vorstelijk
woonverblijf.
Op dien dag liggen voor hem heil en rampspoed tegenover elkander in de
weegschaal.
Heil of rampspoed, vertegenwoordigd in den uitslag, zóó of anders,
zijner jaarlijksche vermurwingsaanvallen op het heerschappelijke gemoed,
ter verovering van gunsten in zake pachtvoorwaarden, staltoestanden,
mestbelangen...... Ach, de vraag van bekrompen, maar tevreden
voortleven, dan wel van langzamen hongerdood eens huisvaders met zijn
gezin, legt de pachter op dien gewichtvollen dag omstreeks Kerstmis met
plechtigheid voor het geweten van het "heerskip" terneer.