XCVII.

'T PEERD EN 'T ZWIJN.

Het kuische Truitjen[428] Zogs zag 't ros, vercierd met pluimen,

Gezadeld en getoomd doen zijnen breidel schuimen,

Ten oorloog toegerust, om dragen zijnen heer

In 't midden van 't gevecht, met zweerd, pistool, en speer.

"O!" riep zij, "armen guil! waar wildy u begeven?

Wat dolheid gaat u aan, dat gij van zelfs uw leven

In 's doods perikel stelt, en allerlei ellend?"

Toen heeft zich tot de zeug het ros aldus gewend:

"Gij, vuile morsebel! wat wildy al veel zeggen,

Die altijd in den drek en vuilen stank blijft leggen,

En eindlijk blijft vervreemd van alle onsterflijkheid,

Die in 't bestoven veld den hengst wordt bijgeleîd[429];

Als hij den ridder voert tot dooden en tot moorden,

En breekt door 't vierkant van der vijanden slag-oorden;

Behaalt veel wapen-roofs, en eenen heldren glans,

Als hij verwinner blijft en erft der eeren krans."

Die door zijn traagheid blijft van 't ware lof versteken,

Veeltijds op andren wil veel snorken en veel spreken.

Door ondeugds oefening werd[430] niemand ooit vermaard;

Wel hem, die door zijn deugd zijn naam van 't graf bewaart!

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 203 / 258 题