Der bijen koning trotsch van grootsheid uitgelaten,
Bood Jupiter beveinsd een gift van honig-raten,
En bad met eenen, dat 't hoog vierschaar van de Goôn
Hem gunde, dat hij mocht met zijnen angel doôn
Al wie van honig kwam ontblooten zijne korven;
Maar heeft van 's Hemels troon deze antwoord fluks verworven:
"'t Geschenk dat gij mij brengt, mij zonderling[427] behaagt,
Maar 'tgeen gij van mij bidt, en daar gij mij om vraagt,
Dat gij een ander met uw prikkel mocht doen treuren,
Dat overkome u zelfs, en moet u zelfs gebeuren;
Want als gij andren kwetst, 'tzij met 'tzij zonder schuld,
Zoo zweere ik dat gij fluks dit leven sterven zult."
Die naar de sterren zendt zijn vurige gebeden,
Om zijn wraakgierigheid aan iemand te besteden.
Zal missen niet alleen 'tgeen dat hij heeft gebeên,
Maar voelen zelfs op 't hoofd den opgeworpen steen.