XCVIII.

'T PEERD EN DEN EZEL.

Den ezel, met veel houts en pakken overladen,

Begon den droeven staat zijns levens te versmaden,

Als hij den gladden hengst zag briesschen over 't veld:

"O! (sprak hij) of ik ook in vrijheid waar gesteld!

Dat ik in weelde mocht mijn dagen laten vlieden,

En niemand over mij iets hadde te gebieden!"

Maar als nu, op het lest, het lang-geoorde dier

't Peerd draven zag ten strijd hoogmoedig, trotsch, en fier,

In 't midden van 't gevaar, van spiesen en van zwaarden:

"O! (sprak het) mijnen staat ik liever houde in waarden!

Veel liever leve ik dus, met slavernij gedrukt,

Als midden in den krijg, daar 't zelden wel gelukt!"

Noch eer noch rijkdom mag den mensch gelukkig maken,

Wanneer men wel bemerkt den loop van 's werelds zaken;

Gelukkig is die geen, die hier genoegzaam[431] leeft,

En rust in 'tgeen, daar God hem toe geroepen heeft.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 204 / 258 题