dien man de baas kunnen worden?
Maar het moest—het moest! Ja, zij wilde den strijd aanvaarden op leven
en dood. Natuurlijk dacht zij er vooreerst niet aan, de agenten te
roepen en Raffles te laten arresteeren. Neen! Zij zou hem met gelijke
wapens bestrijden op dezelfde elegante en toch listige manier!
„Maar hoe hebt ge de diamanten in uw bezit gekregen?” vroeg zij
plotseling, „en hoe kwam het, dat de directeur met de valsche steenen
hier kwam?”
„Is u dat ook nog niet duidelijk, lady? O! O! Dat is toch zoo heel
eenvoudig! De directeur was een slimmerd! Hij had een heelen koffer vol
nagemaakte steenen waarschijnlijk met het doel laten vervaardigen om ze
alle ten toon te stellen en de echte zichzelf toe te eigenen. Toen ik
den directeur des nachts een bezoek bracht, zag ik dadelijk dat de
diamanten, die bij hem op tafel stonden, niet echt waren. Ik laat mij
niet zoo heel makkelijk om den tuin leiden, lady! Ik zocht toen de
echte steenen en vond ze heel gauw in een muurkast. Daar nam ik de
echte uit den koffer en legde er de valsche voor in de plaats.
„Den volgenden morgen was het kistje, waarin de valsche steenen gezeten
hadden, verdwenen en de directeur meende, dat den dieven de valsche
steenen in handen waren gevallen.
„’t Is een beetje ingewikkeld, nietwaar lady? Maar de heele zaak is ten
slotte toch doodeenvoudig.”
Zij antwoordde niet.
Het duizelde haar hoe langer hoe meer.
O, die Raffles! Die Raffles!
Maar zij zwoer hem wraak! Bij God, hij zou haar niet ontsnappen.
VIERDE HOOFDSTUK.
GUALA, DE PLANT DER VERGETELHEID.
De dienstdoende inspecteur had mr. Blakes meegedeeld, dat de directeur
van het hoofdkantoor der Londensche Bank het niet raadzaam vond om de
juweelen des nachts telkens weer terug te brengen. Zij zouden in het
tentoonstellingsgebouw blijven, streng bewaakt door vijftig lieden.
Toen het tegen den avond liep sprak lord Lister tot het jonge meisje:
„Als het u goed is, lady, neem ik nu een uur pauze. Ik ga even naar
huis om te soupeeren.”
Zij knikte.
„Goed. Ik zal zoolang de wacht houden.”
Nauwelijks was hij vertrokken of het meisje riep een geheimen agent
aan.
„Volg mister Blakes door heel Londen en vertel mij, waar hij woont.”
„All right, lady.”
De man verdween.
Hij wandelde achter mister Blakes aan, die doodkalm voortwandelde en
met diepe teugen de prikkelende winterlucht inademde. Het was bitter
koud en dikke sneeuw lag op de straten.
Lord Lister trad nu een telefoonkantoor binnen en liet zich verbinden
met Scotland Yard.
„Inspecteur Baxter daar?—Ja?—Hier Raffles.—Wel!—Houd u kalm,
inspecteur—hier Raffles!—Hebt ge den directeur van het elfde bijkantoor
gearresteerd? Niet?—’t Is een gemeene kerel.—Hij hoort wel degelijk
achter slot en grendel!—Dat schijnt ge maar niet te willen begrijpen,
inspecteur!—’t Is toch zoo!—Ik deel u door dezen mee, dat de directeur
van het elfde bijkantoor mister Blakes heeft vermoord.—Zijt ge nu
tevreden?——Wat??——Gelooft ge het niet?—Is mister Blakes in het
tentoonstellingsgebouw?—Maar dit is Blakes niet, dat is Raffles!——Wat?
Laat ge u niet voor den mal houden? Zit Raffles in de gevangenis?—Ge
zijt een groote gek, inspecteur! Die in de gevangenis zit is Raffles
niet—maar de directeur van het elfde bijkantoor!—Gelooft ge dat ook
niet?—Ga dan eerst eens informeeren, voordat ge mij tegenspreekt—Ik heb
u zoo volledig mogelijk ingelicht!—Adieu, inspecteur Baxter!—Tot
weerziens!”
Toen ging lord Lister naar zijn woning, waar hij met Charly Brand
allersmakelijkst soupeerde, maar onderwijl ook blijken gaf van
buitengewone vermoeidheid.
„Wat heb je toch?” vroeg Charly.
Raffles glimlachte.
„Niets, heelemaal niets, kerel! Ik geloof alleen maar, dat ik verliefd
ben!”
En toen ging hij haar het tentoonstellingsgebouw terug.
Het was acht uur in den avond.
Buiten lag de winternacht reeds lang over het aardrijk uitgespreid.
Daar kwam de hertog Van Norfolk, vergezeld van een mooie, elegante
jonge dame, uit wier oogen echter allesbehalve geluk en zielsrust
straalde. Zij scheen bedroefd, toen zij aan den arm van den hertog in
de zaal trad.
Deze scheen het voorval van dien dag te hebben vergeten en ging
glimlachend naar den Bankvertegenwoordiger,
„Ik heb met groot genoegen bemerkt,” sprak de hertog, „dat gij u met
groote nauwgezetheid kwijt van uw plichten en daarom neem ik u ook
niets kwalijk van hetgeen geschied is. Nu zou ik echter graag mijn
diamanten eens willen bekijken!”
Een jongeman vergezelde het verloofde paar. De hertog stelde dezen voor
als zijn secretaris en Raffles merkte op, dat lady Wydemour, de
aanstaande hertogin en de jonge secretaris elkander met innig verliefde
blikken aankeken.
Raffles droeg de taak om de juweelen te toonen aan de vrouwelijke
detective over en ging eenige woorden wisselen met den jongeman, die
hem levendig belang inboezemde.
Maar vóór dien fluisterde hij het meisje toe:
„Valt het u niet op, lady, dat de hertog van Norfolk zoo bleek ziet?
Doorgaans zijn de lieden, die langen tijd in Indië hebben vertoefd,
toch heel wat bruiner van huidskleur.”
Nu begon hij een kort gesprek met den secretaris.
De lady keek den hertog aan en inderdaad, zijn bleekheid viel ook haar
op. Hij zag er eerder uit als iemand, die maandenlang achtereen de
kamer had gehouden dan als iemand, die vele jaren onder de tropische
zon had geleefd.
„Pardon, mijnheer,” sprak Raffles tot den secretaris, „ik spreek u aan,
omdat ge dezelfde uniform draagt als iemand, met wien ik onder zeer
tragische omstandigheden heb kennis gemaakt.”
De secretaris greep krampachtig lord Listers beide handen.
„Wat zegt ge? Hebt ge hem gezien? Waar? Ach—ik zoek hem als sinds vele
maanden—hij is mijn vader!”
Lord Lister knikte.
„Dat dacht ik al. De man die dezelfde uniform droeg, is gisteren in den
kelder van het elfde bijkantoor der Londensche en Zuid-West Bank
gevonden. Ik raad u, naar de politie te gaan om het lijk te zien!”
De jongeman barstte in snikken los.
„Om Godswil—ook dat nog! Ook dat nog! En niemand weet, waar ons
vermogen is gebleven.”
„Moest ge deze betrekking aanvaarden, omdat ge verarmd zijt?”
„Ja. Vader had zijn kapitaal op het elfde bijkantoor. Eensklaps was hij
spoorloos verdwenen. Toen wij onderzoek naar hem instelden, hoorden
wij, dat hij het geheele kapitaal had opgenomen—geen sterveling wist,
wat hij met al het geld moest doen. Sindsdien heb ik nooit meer iets
van vader gehoord.”
„De zaak is nogal duidelijk. Hij is een slachtoffer van den directeur
van het bijkantoor geworden, die uw vader zeker maandenlang heeft
gevangen gehouden, voordat hij hem doodde in den kelder.”
De jonge dame had haar hoofd omgewend en keek den secretaris wederom
aan met veelzeggenden blik.
Deze bemerkte, dat mister Blakes dien blik van verstandhouding had
opgemerkt
„Om Godswil,” smeekte hij lord Lister, „zeg niets van wat ge hebt
opgemerkt.”
Lord Lister dacht eenige oogenblikken na.
„Ik zal ervoor zorgen,” sprak hij toen, „dat ge weer in het bezit van
uw vermogen wordt gesteld en als ge verstandig en moedig zijt, moet ge
ervoor zorgen, dat de hertog van Norfolk niet haar tot zijn gade maakt,
die gij lief hebt.”
Daarop ging hij weer naar de juweelentafel.
„Zijt ge niet vermoeid, lady?” vroeg Raffles het jonge meisje.
Zij schudde het hoofd.
„Mijn slaap wordt verdreven door de gedachte aan hem, die naast mij
zit.”
Hij glimlachte vergenoegd.
„Gij zijt dus bang voor mij, lady?”
„Bang niet! Maar ik begrijp niet, waarom ge vannacht in het elfde
bijkantoor hebt ingebroken, de juweelen hebt gestolen en ze hier
bracht. Waartoe dat allemaal? Wilt ge als detective optreden?”
Zij keek hem boos aan.
„Wilt ge misschien de diamanten van den hertog stelen?”
„Hadt ge dan iets anders gedacht, lady?”
„Dat zult ge niet wagen!”
„Ge zult het zien, lady!”
Haar oogen vlamden.
„Ik zal het u beletten”; zij haalde een pistool te voorschijn. „Bij de
eerste poging schiet ik u neer!”
Hij glimlachte weer.
„In de eerste plaats lady, heb ik de patronen uit de revolver genomen,
in de tweede plaats zult ge het niet merken, dat ik de diamanten steel
en in de derde plaats—”
Hij hield plotseling op. In het volgende oogenblik was de geheele zaal
in de diepste duisternis gehuld.
„Ellendeling!” riep het meisje uit. Maar toen begreep zij, dat Raffles
het licht niet kon hebben uitgedraaid, want hij had zich niet van zijn
plaats bewogen.
Zij had zich op de diamanten geworpen en was besloten, die met haar
leven te verdedigen; maar een hand klemde zich om haar keel en duwde
haar terug, terwijl een tweede hand onder haar arm doorschoof en naar
de juweelen op het kussen tastte.
Het meisje was echter niet zoo gauw van haar stuk te brengen. Zij liet
zich eerder een mes tusschen de ribben steken, dan dat zij dezen
diefstal toeliet. Met beide handen greep zij de hand vast—een rilling
liep haar over het geheele lichaam, zonder dat zij in staat was, deze
hand los te laten. Een oogenblik later klonk een schot en het
electrische licht brandde weer.
In de zaal heerschte algemeene verwarring en toen het licht weer
opging, was de vrouwelijke detective met een luiden kreet naast de
divan neergevallen en had het bewustzijn verloren.
Lord Lister pakte het ding, dat zij in haar handen hield en slingerde
het in een grooten boog weg.
Het was een doode hand—een hand, die eens aan een mensch had
toebehoord, en die nu zorgvuldig was geprepareerd; de hand van een
aristocraat, voornaam en elegant.
Aan den middelvinger schitterde een groote, kostbare smaragd, waarin
twee letters waren gegrift.
Een deel der politie-agenten zochten naar den man, die deze brutale
inbraak had gepleegd en eenige anderen stonden met wanhopige gezichten
om de doode hand.
Raffles echter boog zich over het kussen, nam er de juweelen af, stak
ze in zijn zak en ging weg.
Buiten in de duisternis ontmoette hem een troep politie-agenten met
Baxter aan het hoofd.
Het was zóó donker, dat men de lieden nauwelijks kon onderscheiden.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Baxter, die hem in zijn vermomming voor een
rechercheur hield.
„Er is een inbraak gepleegd,” antwoordde lord Lister doodkalm.
„Dat was Raffles! O, ik word nog gek! Raffles en altijd weer Raffles!!”
Hij rende de zaal binnen.
Lord Lister verwijderde zich doodkalm, nam een rijtuig en reed naar den
secretaris van den hertog van Norfolk.
Lord Lister was totaal veranderd, toen hij bij den secretaris in de
kamer trad, die hem dan ook in den beginne niet herkende.
„Ik denk, dat ge met lady Wydemour hebt afgesproken om met haar te
vluchten, vóórdat zij de gade van den hertog van Norfolk zal worden!”
„Hoe weet ge dat?”
„Ik weet alles. Maar hebt ge ook de noodige middelen om te vluchten!”
„Helaas niet.”
„Welnu, hier hebt ge de diamanten, die de hertog officieel aan lady
Wydemour had beloofd. Ze zijn haar eigendom, dat kan niemand ter wereld
haar betwisten; en hierbij hebt gij nog duizend pond, die zeker wel
toereikend zijn om in de eerste behoeften te voorzien!”
Lord Lister gaf den secretaris een portefeuille en verwijderde zich.
De secretaris rende hem na.
„Dat is te veel!” riep hij uit. „Gij maakt mij tot den gelukkigste
aller stervelingen. Hoe kan ik u ooit danken? Wie zijt gij?”
„Ik ben Raffles. Vaarwel!”
Op het oogenblik dat lord Lister de deur wilde openen schrikte hij
terug. Het geluid van rammelende ketenen was tot zijn oor
doorgedrongen.
Hij keek den secretaris met vragenden blik aan.
„Het is verschrikkelijk,” fluisterde deze, „dat herhaalt zich iederen
nacht. Het is een van de voorvaderen van den hertog van Norfolk. die
geen rust in zijn graf kan vinden!”
Lord Lister haalde geërgerd de schouders op.
Hoofdschuddend ging hij heen en reed naar zijn woning, waar Charly
Brand hem ontsteld tegemoet trad.
„Om Gods wil, ga dadelijk terug of je bent verloren!”
„Waarom?”
„Vraag niet verder, maar vlucht!”
„Maar zeg mij dan toch, waarom.”
„Een dame is hier—de bekende vrouwelijke detective, die je arresteeren
wil!”
Lord Lister lachte luid op.
„En schrik je daar zoo van, omdat lady Marion op visite is gekomen?”
Charly keek zijn vriend verstomd aan.
Lord Lister beval nu zijn dienaar om voor een goed souper te zorgen en
trad toen den salon binnen.
Uit een stoel verrees een schoone gestalte. Het was lady Marion.
Lord Lister ging haar tegemoet en sprak op hoffelijken toon:
„Dat noem ik een verrassing, lady Marion en het doet mij genoegen, dat
ge aan mijn uitnoodiging hebt gehoor gegeven.”
Het meisje keek hem met de grootste verbazing aan.
„Ja zeker lady, ge hebt immers gisteravond een rechercheur achter mij
aan gestuurd om mijn adres op te nemen. Ik heb den man niet op een
dwaalspoor willen brengen om daardoor niet het genoegen van uw bezoek
te missen en zoodoende heb ik u dus uitgenoodigd!”
Het meisje wist niet meer, wat ze moest zeggen of doen- Zij had Raffles
willen arresteeren, maar de woorden bleven haar in de keel steken.
Eindelijk bracht zij uit:
„Ik ben gekomen om van u de gestolen diamanten van den hertog van
Norfolk terug te vorderen!”
„Laat ons later over zaken spreken, lady, en laat ons nu soupeeren!”
Zij schudde het hoofd.
„Neen, mister Raffles, ik moet dadelijk de diamanten hebben of—”
„Of wat, lady? Wat wilt ge tegen mij beginnen? Als ik u nu eens een
doek met chloroform tegen den neus houd en u vastbind en u daarna in de
Theems gooi? Hebt ge al aan die mogelijkheid gedacht?”
Zij werd bleek en zweeg.
Inderdaad! Zij was geheel in zijn macht.
De rollen waren thans geheel anders verdeeld dan zij zich het had
voorgesteld. Hoe zou het haar mogelijk zijn om Raffles thans toe te
voegen:
„In naam der wet zijt ge mijn gevangene!”
Maar toch!
Hij had nog niet met haar afgerekend, en hij wist niet, dat over een
uur Baxter hier zou zijn met eenige politieagenten! Zóó dwaas was zij
toch niet geweest om alles op één kaart te zetten.
Raffles scheen dat niet te vermoeden en evenmin had hij er eenig idee
van, dat voor zijn huis vier geheime politieagenten op wacht stonden.
„Nu, lady Marion,” sprak hij thans weer, „wenscht ge mijn uitnoodiging
niet aan te nemen?” en hij bood haar zijn arm.
Het meisje wist niet, wat zij doen moest.
Zij haalde de schouders op, nam den aangeboden arm en volgde Raffles
naar de eetkamer. Vol bewondering rustte haar blik op deze vreemde
kamer, waarin kostbare meubels, oud porselein en zeldzame schilderijen
een fraai geheel vormden.
„Mag ik u mijn secretaris en vriend voorstellen, lady? Hij heet Charly.
Meer van zijn naam kan ik u niet verraden; ge zoudt hem later eens in
uw beroep kunnen ontmoeten. Doe hem nooit kwaad, lady, want hij is een
beste kerel!”
Lord Lister bediende zelf de jonge dame en schonk haar glas vol.
„Ik drink geen wijn!” sprak het meisje.
„Kom, lady Marion, dat meent gij niet. Ge denkt natuurlijk, dat ik het
een of andere poeder in uw glas heb gestrooid, maar ge vergist u, lady
Marion. Ik ben volstrekt niet gevaarlijk en aan gif heb ik nooit
gedacht.”
Het meisje bloosde en schaamde zich; toen nam zij het glas en dronk het
leeg.
„Hebt ge nog iets naders gehoord, lady,” vroeg lord Lister plotseling,
„of de Raffles, dien door inspecteur Baxter in het
tentoonstellingsgebouw is gearresteerd, nog altijd achter slot en
grendel zit?”
„Hij is weer op vrije voeten gesteld,” antwoordde zij, „maar later toch
weer in hechtenis genomen. Inspecteur Baxter wilde het eerst niet
gelooven, dat de directeur van het elfde bijkantoor een schurk was,
maar hij heeft ook zoo veel aan zijn hoofd en thans bemoeit hij zich
weer met het nieuwste Londensche schandaal.”
„Wat is dat dan?”
„Dat een zekere mr. Thompson er van door is gegaan met de bruid van den
hertog van Norfolk.”
Lord Lister lachte hartelijk.
„Zoo? Is dat inderdaad waar? Ge bedoelt toch den secretaris van den
hertog?”
„Ja, juist. De jonge man beweert een zoon te zijn van den man, die door
den directeur van het elfde bijkantoor vermoord is en daarom heeft
inspecteur Baxter den directeur wederom in hechtenis genomen.”
„Nu, en verder?”
„De directeur heeft alles bekend, nadat hij een verhoor had ondergaan
van twee uren. Hij heeft mr. Thomson vermoord en toen de politie
huiszoeking deed, heeft zij ook het lijk gevonden van mr. Blakes.”
„Dan heeft de politie dus eindelijk beslag gelegd op een lafhartigen
schurk.”
„Ik ben alleen maar bang, dat er nog zoo’n schurk in Londen zit, waarop
noch Baxter noch zijn collega’s eenig vermoeden hebben!”
Terwijl het gesprek in vollen gang was, bemerkte het meisje niet, dat
lord Lister plotseling een korreltje, ter grootte van een speldeknop,
tusschen duim en wijsvinger liet glijden.
Neen, zij merkte het niet.
Lord Lister haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn.
„Is het veroorloofd, lady?”
Zij knikte en lachte en dacht er aan, hoe grappig het zou zijn, als zij
over een half uur, wanneer Baxter met zijn mannetjes zou verschijnen,
plotseling zou opspringen en uitroepen:
„Raffles, ik arresteer u, in naam der wet!”
Toen eensklaps werd het haar, alsof een zwarte nevel voor haar oogen
trok.
Instinctmatig rees bij haar de gedachte: „Je bent vergiftigd,” maar
toen, terwijl zij een blik naar lord Lister wierp, werd zij weer kalm.
Neen!—Zoo slecht zou hij toch niet zijn en zij had nog nooit gehoord,
dat hij iemand had voorgelogen.
Maar nu gevoelde ze zich toch weer zoo vreemd! De woorden van lord
Lister drongen nog slechts vaag tot haar door. Zij liet de armen langs
het lijf vallen en sloot langzaam de oogen.
Charly Brand had deze verandering gezien en was opgesprongen.
„Om Godswil, wat heb je haar gegeven?” vroeg hij, „ze verliest het
bewustzijn.”
Lord Lister schudde het hoofd. Zijn gelaat was heel ernstig.
„Ik moest dit middel te baat nemen, beste Charly, maar het is volkomen
onschadelijk—en toch een der gevaarlijkste wapenen waarover ik te
beschikken heb.”
„Verliest ze het bewustzijn?”
„Neen. Heb je nooit gehoord van de guala, de plant der vergetelheid?”
Charly Brand schudde het hoofd.
„Zij is feitelijk een verdoovingsmiddel. Als zij dikwijls wordt
gebruikt, kan zij krankzinnigheid veroorzaken, maar anders heeft zij
slechts geheugenzwakte tengevolge, en— —”
Lord Lister kon niet voleinden, want lady Marion hief het hoofd op.
Haar oogen schitterden weder.
Een poosje keek zij vragend rond, toen vroeg zij:
„Waar ben ik?”
„Ge zijt bij lord Boston, lady, drink eens, dat zal u goed doen!”
Zij dronk en keek den grooten Onbekende weer aan.
„Zijt gij lord Boston?”
„Ja, lady.”
Zij knikte.
Het gesprek werd voortgezet, maar het meisje scheen zich inderdaad
niets meer te herinneren.
Raffles nam haar hand en hield die langen tijd in de zijne en terwijl
Charly Brand weer steeds hoofdschuddend keek van de een naar den ander,
sprak lord Lister op fluistertoon tot het jonge meisje, alsof hij haar
staatsgeheimen had te vertellen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN NACHT VOL VERSCHRIKKINGEN.
Het werd zoo stil in de eetkamer, dat men het tikken der klok duidelijk
kon hooren.
De lord hield nog steeds de hand vast van lady Marion en Charly Brand
was ingedommeld, toen plotseling de kamerdienaar verscheen.
„Pardon, lord—de politie is er!”
Charly sprong op.
Ook Raffles was opgestaan en verschoot van kleur.
„Politie?”
Daar was hij niet op voorbereid.
„Waar zijn ze?”
„Ze komen juist de trap op! Ik stond met de keukenmeid te praten, toen
een inspecteur kwam vragen of hier een heer woont, die een dame op
bezoek had. De heer heette lord Boston!
„Ik schrikte vreeselijk en zei:
„Neen, inspecteur!”
Luid lawaai werd nu vernomen op de trap.
Raffles mocht niet langer aarzelen. Alles hing van één oogenblik af en
reeds overlegde hij, langs welken kant hij zich het best door de vlucht
zou kunnen redden, toen plotseling een zachte vrouwenstem aan zijn oor
fluisterde:
„Wat is er, lord Boston? Wat wil de politie van u? Dat die ook juist nu
moet komen!”
De Groote Onbekende glimlachte even.
„Vlieg naar buiten, Charly en tracht ze op te houden.” En toen tegen
Marion:
„Ge moet me redden—binnen een minuut is de politie hier—het kost je
maar een woord.”
Zij was opgesprongen en verloor geen oogenblik haar tegenwoordigheid
van geest.
„Wat kan ik voor je doen?” vroeg Marion met liefdevollen blik, want in
hetzelfde oogenblik was zij er zich van bewust geworden, dat zij dezen
man niet aan de politie zou kunnen overleveren.
„Ga zoo gauw mogelijk naar buiten en doe alsof je den inspecteur kent.
Je zegt hem dan naar boven te gaan en de dienstbodenkamers te
doorzoeken. Als de politie daarheen gaat, kom jij in de vestibule, waar
ik je zal wachten.”
Met een enkelen sprong was lord Lister achter een groot tochtscherm
verdwenen, in hetzelfde oogenblik, dat Baxter de deur opendeed en
binnentrad.
„Waar is hij? Kom, vooruit Raffles, spartel nu maar niet tegen!”
Zijn blik viel thans op lady Marion, de vrouwelijke detective.
„Ha, zijt gij daar, lady? Ik heb me al ernstig bezorgd over u gemaakt.
Ik zie, dat ge reeds gesoupeerd hebt! Nu, des te beter! Waar is hij?”
Lady Marion haalde de schouders op.
„Gij zijt op een dwaalspoor inspecteur, hij is niet hier!”
„Wat? Niet hier? En ik meende door de glazen deur zijn schaduw te
zien!”
„Hij is door de vestibule langs een trap naar een geheime gang
gevlucht!”
Baxter draaide zich oogenblikkelijk om en riep tot de agenten:
„Volg mij! Kom, lady Marion, ga ook mee.”
Lady Marion volgde de politiemannen, die de trap opgingen, naar de
dienstbodenvertrekken.
„Kom, lady, kom!” riep inspecteur Baxter nogmaals, maar het meisje
aarzelde, Want zij wilde de komst van lord Boston afwachten.
Zij zag een schaduw langs den muur glijden, zij keerde zich om en haar
ontsnapte de kreet:
„Raffles!”
Guala, de bloem der vergetelheid, had haaf werking verloren en de
vrouwelijke detective herinnerde zich weer alles, wat gebeurd was.
Baxter had dien uitroep gehoofd en zich bliksemsnel omgekeerd, maar in
hetzelfde oogenblik was Raffles hem op zij en wierp de zware deur in
het slot.
Het meisje wilde schreeuwen en zich op Raffles werpen, maar deze legde
zijn hand op haar mond, hief haar op en droeg haar de trap af,
„Laat dadelijk het rijtuig voorkomen!” riep John Raffles zijn vriend
toe, terwijl boven aan de trap met stokken op de gesloten deur werd
gebeukt, en inspecteur Baxter luid uitschreeuwde:
„Lady Marion! Lady Marion! Gij hebt ons in een val gelokt! Schaam u,
lady Marion! Nu kan men weer eens zien, hoezeer men zich op de vrouwen
kan verlaten! Vooruit, jongens! Wij moeten hem hebben!”
Een bediende kwam zeggen, dat het rijtuig voor was.
Nog altijd hield Raffles zijn hand op den mond van het meisje, dat zich
als een wanhopige verdedigde, totdat de krachten haar begaven.
„Zoo gauw als ik vertrokken ben,” sprak Raffles nu tot zijn bediende,
„kunt gij die lieden daarboven weer in vrijheid stellen en hun zeggen,
dat ik lady Marion naar huis heb gebracht.”
Nauwelijks zette het rijtuig zich in beweging, of de agenten, die
buiten op post hadden gestaan, vlogen achter het rijtuig aan en toen
Raffles zijn hoofd uit het portier stak, floot hem een kogel om de
ooren.
In hetzelfde oogenblik werd zijn keel toegeknepen en een stem
fluisterde:
„Raffles, ge zijt mijn gevangene.”
Zonder de minste moeite verwijderde Raffles de vingers van zijn hals.
„Het zou mij spijten, lady, als ik eenig geweld tegen u moest
gebruiken!”
Het rijtuig stond hu met een schok stil, en Raffles ontdekte tot zijn
niet geringe ontsteltenis, dat zijn beide prachtige hengsten waren
overhoop geschoten.
Lord Lister sprong uit het rijtuig en was weldra door een aantal
detectives omringd.
De eerste, die hem wilde naderen, kreeg een geweldigen stoot onder de
kin, zoodat hij een eind achteruit stoof. De tweede kreeg een trap en
de derde vloog met zoo’n smak tegen de equipage, dat hij de lady in
zijn val mee overhoop trok.
Maar het meisje was besloten Raffles tot elke prijs te vangen en zij
vuurde de agenten aan.
Toen Raffles op de vlucht sloeg, ijlde zij hem achterna.
Plotseling stond Raffles voor den achterkant van een gebouw, waar hij
reeds eens was geweest, toen hij den secretaris van den hertog van
Norfolk de diamanten had gegeven.
Hij bedacht zich geen oogenblik en klom tegen het traliewerk op; daarna
verdween hij in den donkeren tuin, juist in hetzelfde oogenblik, dat
zijn vervolgers hem te vergeefs in de straat zochten.
In zijn vaart rende de vluchteling tegen een fontein aan; een gedeelte
van het voetstuk viel naar beneden en Raffles keek in een donker
gewelf.