LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 11 DE DIAMANTEN VAN DEN HERTOG VAN NORFOLK.
DE DIAMANTEN VAN DEN HERTOG VAN NORFOLK.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN KRANIG STUKJE.
„Ben je er wel heel zeker van, dat je het geheime wachtwoord bezit?”
vroeg Charly Brand zijn vriend, lord Lister, die zich juist door zijn
bediende liet helpen bij het aantrekken van zijn zware pelsjas.
De lord lachte.
„Maak je maar niet ongerust, Charly! Het zaakje is in orde! Doordat ik
des nachts mijn telefoondraad aansloot op de hoofdlijn en daardoor een
tusschenverbinding tot stand bracht, ben ik al veertien dagen lang in
de gelegenheid geweest om de gesprekken met de Londensche en de
Zuid-West Bank af te luisteren en vooral die welke de directie van het
hoofdkantoor hield met de bijkantoren.”
„En heb je het wachtwoord gehoord?”
„Well, my boy.”
„En hoe is het verder gegaan? Ik brand gewoonweg van nieuwsgierigheid!”
Lord Lister streek zich eens door de donkere snor.
„Ik heb naar de verschillende directies van dertien bijkantoren
geschreven, dat een bedrag van vijfhonderd pond voor zekeren Samuel
Rottwell op hun bank is ingeschreven. Deze brieven heb ik onderteekend
met den naam van den directeur der depositobank.”
„En geloof je niet, dat een der bankdirecteuren achterdocht zal
koesteren?”
„Geen kwestie van, Charly. Je weet, dat ik in dergelijke zaken met
pijnlijke nauwgezetheid handel. Het opschrift der firma, het stempel,
alles is all right! En al mag bij een enkelen bankdirecteur ook eenige
twijfel rijzen, dan zal dadelijk het wachtwoord dien twijfel weer doen
verdwijnen!”
Een lakei verscheen.
„Wenscht u een chauffeur?” vroeg de man.
Charly Brand maakte een afwerende beweging met de hand.
„Niet noodig! Ik zal zelf sturen!”
De lakei boog diep en verliet het vertrek.
Charly Brand trok nu een lange automobieljas aan, waarvan het bont naar
buiten was gekeerd, zoodat hij veel geleek op een ijsbeer.
Zijn gezicht was bijna geheel bedekt door de groote automobielpet. Hij
ging de trap af, gevolgd door lord Lister en bracht de roode, elegante
automobiel in orde.
Langzaam bewoog de fraaie kar zich voorwaarts en tufte door het drukste
deel van Londen.
Voor de depositobank in Vauxhall hield het voertuig het allereerst
stil.
Lord Lister stapte uit met onverschillig gebaar.
De portier van de Bank deed de deur open en boog diep.
Lord Lister ging binnen en begaf zich naar de kassa.
„Mijn naam is Samuel Rottwell,” stelde hij zich voor.
De hoofdkassier haalde gauw het kasboek te voorschijn, waarin de
handteekeningen geplaatst moesten worden.
In groote, duidelijke letters schreef hij de woorden:
Fred Harry Rolph Samuel Rottwell.
Toen schreef hij, met een handigheid alsof hij duizendmaal die
handteekening had geplaatst, een bijna onleesbaren krabbel.
De ambtenaar keek even met onderzoekenden blik naar een en ander,
knikte, wierp toen een vluchtigen blik naar den voornamen jongen man en
overhandigde daarop den nieuwen klant een chêque-boek.
Mr. Rottwell vulde dadelijk een der bladen voor een bedrag van honderd
pond in.
„Ge wilt zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij negentig pond in banknoten
en tien pond in goudgeld uit te betalen, mijnheer,” sprak hij tot den
eersten boekhouder, die met beleefd gebaar aan het verzoek voldeed.
De bezoeker groette beleefd, stapte weer in zijn automobiel en reed
weg.
Charly Brand lachte in zijn vuistje, toen hij zijn vriend uit de Bank
zag komen.
Dezelfde geschiedenis herhaalde zich aan de depositobank in Clapham.
Daar was de eerste boekhouder echter nieuwsgieriger.
„Ge zijt zeker groote dingen van plan, mr. Rottwell?” vroeg hij.
„Wel,” antwoordde lord Lister glimlachend, „ik ga naar de slederennen
in Windsor. Ik geloof, dat het daar heel interessant zal zijn, want er
worden groote sommen verwed.”
„Zóó!” antwoordde de boekhouder en hij schoof mr. Rottwell honderd pond
toe.
Lord Lister nam weer plaats in zijn auto.
En zoo ging het van Bank tot Bank, naar Belham, Streatham, enzoovoorts.
Voordat er twee uren voorbij waren, had lord Lister negen
depositobanken bezocht en bij alle hetzelfde stukje uitgehaald.
Toen hij het tiende bijkantoor was binnengegaan, zette Charly Brand den
motor op rust, stak een sigaret aan en wachtte.
„Tien keer honderd pond is duizend pond,” rekende hij uit. „All right,
dat is voorloopig genoeg voor het plan, dat lord Lister beoogt. Als hij
niet altijd weer zijn geld aan de armen gaf, zou hij niet elk oogenblik
in geldverlegenheid zitten, waardoor zulke gevaarlijke spelletjes op
touw moeten worden gezet.”
Juist toen Charly Brand zijn alleenspraak had geëindigd, draaide hij
zich verbluft om.
Iemand had hem de hand op den schouder gelegd en toen hij onwillig
opkeek, zag hij in het gelaat van iemand, die in uniform gekleed was en
een helm droeg.
„Inspecteur Baxter!” ontsnapte het Charly’s mond.
Van louter schrik liet hij zijn sigaret vallen en keek den gevreesden
beambte vlak in het gezicht.
„Ja, dat ben ik,” antwoordde de politie-inspecteur op gemoedelijken
toon, „ge schijnt mij reeds te kennen? Vertel mij eens, wien behoort
die mooie kar?”
„Die is van mijn meester,” antwoordde Charly, thans weder volkomen op
zijn gemak.
„Zoo, zoo! En wie is uw meester?”
„Dat is de eigenaar van dezen automobiel, mijnheer de inspecteur!”
„Drommels! Jij bent een grappige chauffeur. Maar opdat wij wat verder
zullen komen, wil ik je in vertrouwen vertellen, dat de directeur van
het hoofdkantoor der depositobanken een half uur geleden tot de
ontdekking is gekomen, dat aan alle bijkantoren honderd pond is
uitbetaald aan zekeren mister Rottwell.
„Toen hij inderhaast zijn boeken nasloeg, kwam hij tot de ontdekking,
dat iemand van dien naam daarin heelemaal niet voorkomt.—Wie zou zoo’n
boevenstreek wel hebben uitgehaald? Zeg, is deze auto niet van John
Raffles?”
Charly Brand haalde de schouders op.
„Raffles? Dien ken ik niet, inspecteur. Als ge echter Raffles, den
Grooten Onbekende, meent, dan moet ik u tot mijn spijt zeggen— —”
Maar Baxter begreep volkomen het doel van den chauffeur.
Hij wilde Baxter aan den praat houden en hem door zijn praatjes
verhinderen, maatregelen te nemen, opdat lord Lister, als deze uit het
Bankgebouw kwam en Baxter zou zien, alle gelegenheid tot ontvluchten
had.
„’t Is goed!” sprak Baxter en hij wenkte twee agenten.
Deze hadden Charly al heel gauw van zijn chauffeursplaats gehaald en
duwden hem een gang binnen.
Daar werd hen zijn mooie ijsberenjas afgenomen, evenals zijn
automobielpet en bril.
„Dien vogel hebben wij al eens meer in de kooi gehad,” zei Baxter, toen
hij den secretaris van den Grooten Onbekende aankeek. „Houdt hem vast,
wij moeten eens zien, in welke zonderlinge verhouding deze jonge man
tot Raffles staat!”
Terwijl Charly Brand werd weggebracht, deed Baxter diens jas aan,
drukte de pet diep in de oogen, zette den bril op en ging op Charly’s
chauffeursplaats zitten.
Juist kwam lord Lister uit het Bankgebouw.
Hij was in een uitstekenden luim, stak een sigaret aan, en, zonder
eenige notitie te nemen van den chauffeur, beval hij op korten toon:
„Taftord.”
Inspecteur Baxter knikte.
Een breede grijns vertrok zijn mond.
„Well.”
Hij zette den motor in beweging.
Maar verstandig was het niet van hem geweest, dat hij zijn mond niet
had kunnen houden en hij bemerkte niet, dat lord Lister één oogenblik
het portier van de auto in de hand hield en zijn wenkbrauwen hoog
optrok, toen hij dit „well” hoorde.
Toen glimlachte hij en stapte in de auto.
Inspecteur Baxter begon nu te racen. In razende vaart joeg hij de stad
door en het was tot zijn geluk, dat hij zoo’n goed automobilist was.
Hem gebeurde niets anders dan dat hij drie keer tegen een equipage
botste, één paard dood reed, een half dozijn melkkarren overhoop reed
en zeven-en-twintig keer door agenten werd opgeschreven.
Maar wat kon hem dat schelen?
Inspecteur Baxter lag gewoonweg dubbel gevouwen over het stuurrad en
zijn gezicht grijnsde van pleizier.
Hij zou met alle liefde nog een dozijn paarden hebben doodgereden.
Hij had Raffles immers! De Groote Onbekende was in zijn macht!
Raffles leunde intusschen doodkalm in de kussens achterover!
Als de motor niet zoo’n vervaarlijk geweld had gemaakt, zou inspecteur
Baxter het spotlachje hebben gehoord, dat lord Lister uitstiet.
Aan afspringen van de auto was natuurlijk niet te denken bij zoo’n
razende vaart.
Lord Lister zou dan hals en beenen hebben gebroken.
Achtervolgd door fietsende agenten, die deze onbesuisde auto in beslag
wilden nemen, joeg Baxter naar Scotland Yard.
Daar doemde het groote gebouw al op in de verte.
De inspecteur hield met een ruk stil, sprong van den bok, rukte de deur
open, stak zijn revolver vooruit en beval:
„Uitstappen, Raffles! Ge zijt mijn arrestant!”
De laatste woorden bleven den inspecteur bijna in de keel steken.
De agenten, die om de auto waren komen heenstaan, deinsden achteruit en
hielden den neus dicht.
In de auto was niets dan rook! Rook!
Dikke, gele rook, die zoo’n stank verspreidde, dat Baxter nauwelijks
kon ademhalen.
Hij viel op de sneeuw neer en schreeuwde luid:
„Lucht! Lucht! Ik stik!”
Baxter had den agenten nog niet kunnen vertellen, wat er gebeurd was en
deze trokken zich terug om eerst dien rookwalm te laten wegtrekken.
Eindelijk dunde de rook.
Baxter vond weer de kracht om op te staan en vloog nu in de auto. Maar
alles wat hij bemachtigde, was een reusachtige sigaar, die bij zoo lang
was als een bovenarm. De sigaar was van staal en daaruit stroomde de
rook, die zoo’n verpestenden stank verbreidde.
Maar Raffles was verdwenen en inderhaast vertelde Baxter, hoe hij den
meesterdief had gevangen.
„Maar dan heeft hij zich in rook opgelost, inspecteur,” lachten de
agenten, die weer naderbij waren gekomen.
Baxter vloekte.
Maar wat gaf dat?
Raffles was weg.
Deze had zich geen oogenblik bezorgd gemaakt, toen hij zag, dat de auto
in duizelingwekkende snelheid Scotland Yard naderde.
Voor zulke gelegenheden had hij altijd een van de sigaren bij zich, die
met een pas uitgevonden poeder, dat aromale heette, gevuld waren.
Als een lucifer of een brandende sigaar hierbij wordt gehouden,
vervliegt het poeder in dichten rook en wie dezen rook langen tijd
inademt, wordt bewusteloos.
En terwijl Baxter de auto opende en terugdeinsde voor den verstikkenden
damp, was Raffles doodkalm aan den anderen kant uitgestapt en
weggewandeld, door niemand gehinderd.
Een kwartier later had hij een anderen automobiel en reed naar Bromley,
naar het elfde bijkantoor.
Hij was namelijk van meening, dat Baxter slechts door een toeval langs
het Bankgebouw was gekomen, waar hij de auto herkend had. Misschien ook
had Charly zich door een of andere onvoorzichtigheid verraden. Hij wist
niet wat Baxter aan Charly had verteld, die zich op weg naar het
politiebureau uit de handen der agenten had losgerukt en nu in het huis
van lord Lister met hevige hartklopping wachtte of zijn vriend niet
spoedig zou terugkomen.
Lord Lister was iemand, die niet gauw zijn plannen opgaf.
Hij had het zich nu eens in het hoofd gezet, ook de beide laatste
bijkantoren te bezoeken en zelfs door het groote gevaar, waaraan hij
ternauwernood ontsnapt was, liet hij zich daarvan niet terughouden.
Hij trad dus het Bankgebouw binnen, deed den kraag van zijn pels neer,
ging naar de kas en zei:
„Mijn naam is Samuel Rottwell.”
Maar zijn overmoed zou duur gestraft worden.
Nauwelijks had hij dezen naam uitgesproken, of de boekhouder schreeuwde
uit alle macht:
„Help! Help! Moord en doodslag! Hier staat Raffles!”
In een oogenblik hadden de portiers de deuren gesloten en hun revolvers
getrokken. Alles liep verward dooreen. Niemand wist eigenlijk, wat er
gebeurd was, terwijl lord Lister doodkalm de hal verliet en een
wanhopige poging deed om nog een der uitgangen te bereiken.
Maar de portier hield hem de revolver onder den neus en zei:
„Niemand mag naar buiten, mijnheer!”
„Alle drommels! Kan een fatsoenlijk mensch dan in Londen geen Bank meer
binnengaan, zonder dat hem een revolver onder den neus wordt geduwd?”
Maar de portier gaf niet toe.
„Ik heb strenge bevelen, mijnheer! Maar ik weet, dat inspecteur Baxter
met zes agenten binnen een minuut al hier is. Die zal u zeker spoedig
uw vrijheid teruggeven!”
Daar kwam Baxter al.
„Heb je hem?” vroeg hij gretig.
„Nog niet! Maar hij is hier! De boekhouder heeft hem herkend!”
Raffles ging achteruit om niet door Baxter gezien te worden.
Hij zat nu toch wel degelijk in gevaar. Hij stormde de trappen op om
zich boven ergens te verbergen, toen hij zich plotseling door een half
dozijn beambten van de Bank zag omsingeld.
Het werd een formeel gebrul.
„Hier is Raffles! Raffles is hier!! Raffles!!! Raffles!!!!
Raffles!!!!!”
Zij hadden zeker het woord nog een dozijn keeren herhaald, als Raffles
niet plotseling naar links en rechts vuistslagen had uitgedeeld, zoodat
de beambten als muggen door elkaar vlogen.
In het volgende oogenblik vloog de Groote Onbekende een lange gang
door, die zich voor hem uitstrekte.
Hij hoorde, dat Baxter het bevel gaf, Raffles liever dood uit te
leveren, dan hem te laten ontsnappen.
Plotseling, toen lord Lister bijna het eind van de gang had bereikt,
dook voor hem een lange, magere gedaante op met gerimpeld gelaat,
slaphangende wangen en wijd uitpuilende oogen.
„Terug! Terug! Hier mag geen sterveling meer door!”
Raffles, die nu geen tijd meer had om beleefd te zijn, hield zijn beide
vuisten als buffers voor zich uit en vloog als ’t ware over den man
heen. In het volgende oogenblik had hij een deur bereikt—maar zij was
gesloten.
Nu zat hij toch inderdaad leelijk in de knel.
„Wat doet ge?” kermde de man op den grond. „Ga gauw terug, heel gauw!
Ik beveel het u! Ik ben de directeur van de Bank!”
„All right! Dat is mij heel aangenaam,” antwoordde Raffles, pakte den
man beet, keerde hem om en doorzocht zijn zakken. Al gauw vond hij een
sleutelbos. Toen rende hij terug naar de gesloten deur en had deze
juist geopend, toen inspecteur Baxter met zijn mannen in de gang kwam.
Raffles deed de deur op slot en ontstak een kleine, electrische
zaklantaarn.
Hij keek om zich heen en zag, dat hij voor een lange trap stond, die
naar een keldergewelf leidde. Zoo vlug als de duisternis het hem
toeliet, vloog hij naar beneden en kwam in een tamelijk groote ruimte,
waar hij zocht naar een schuilhoek.
Hij liep vooruit, maar struikelde en viel op den grond neer. Toen hij
om zich heen tastte, greep zijn hand in een weeke massa.
Verschrikt sprong hij op, drukte op de lantaarn en liet het schijnsel
over den grond vallen,
Daar lag het vreeselijk verminkte lijk van een man.
Bijna op hetzelfde oogenblik, dat Raffles deze afschuwelijke ontdekking
deed, liet inspecteur Baxter een bijl brengen om de kelderdeur in te
slaan.
Het duurde drie minuten, voordat de deur toegaf.
Plotseling staakten de agenten hun werk.
„Inspecteur, hebt ge niets gehoord?”
Inderdaad!
Ook Baxter had daar beneden een schot hooren vallen.
„Er is geschoten!” fluisterde hij.
Met vereende krachten werd nu de deur opengemaakt en toen klonk den
mannen een rochelende gil tegen. Daarna was alles stil.
Baxter bleef een oogenblik staan.
„Daar beneden is het niet in den haak!” mompelde hij. Ook de agenten
waren bleek om den neus geworden. Zij hadden allen het reutelen van een
stervende gehoord, die op gewelddadige wijze om het leven was gebracht.
De Bankdirecteur, die bij de agenten stond, wischte zich het klamme
zweet van het voorhoofd en fluisterde:
„Daar is — — daar is — — een misdaad — — — gepleegd!”
„Vooruit! Wij moeten het fijne van de zaak weten!” beval Baxter en
sprong de trap af, gevolgd door zijn mannen.
Toen de electrische lampen der agenten de kelderruimte verlichtten,
zagen zij in het midden een doode liggen. De Bankdirecteur stiet een
kreet uit en tuimelde als ’t ware vooruit.
„Wat—wat—is dat? Maar dat is—dat is—heksenwerk!”
Baxter was naast den doode neergeknield.
Het was Raffles.
Naast hem lag een groote bloedplas. De pelsjas dreef in het roode
vocht. Raffles’ handen en zijn gelaat waren met bloed bevlekt en men
zag duidelijk op de plaats, waar het haar was vastgekleefd, dat een
kogel in het hoofd was gedrongen.
Hier was geen vergissing mogelijk. Inspecteur Baxter lichtte den doode
in het gelaat.
„Het is Raffles!” sprak hij.
„Wel inspecteur, het is Raffles,” echo-den de agenten hem na.
Het was inderdaad de Groote Onbekende. Voor zoover men het door het
bloed kon onderscheiden, was zijn gelaat doodsbleek. De lippen waren
vastgesloten, evenals de oogen, die diep in hunne kassen waren
teruggezonken.
Inspecteur Baxter keek om zich heen.
Toen nam hij langzaam de uniformpet af en zei:
„God zij zijn arme zondige ziel genadig!”
„Amen” sprak een der agenten.
Toen voegde hij er bij:
„Daar ligt nog iemand, inspecteur!”
Als een tijger sprong Baxter op het tweede lijk toe.
Inderdaad. Hier lag nog iemand. Iemand, wiens gelaat en lichaam
afschuwelijk verminkt was. Zeker twintig messteken hadden hem
getroffen. Hij lag in een hoek en inspecteur Baxter onderzocht of geen
stukje papier eenige aanwijzing zou kunnen geven.
De directeur der Bank was sprakeloos, maar na eenigen tijd hijgde hij
met moeite:
„Ge moet dadelijk een scherp onderzoek instellen, inspecteur. Dat is
vreeselijk! Afschuwelijk! Wat moet er nu gebeuren?”
Baxter schudde het hoofd.
„Geef ons een kamer, directeur, waar wij de lijken zoolang kunnen
bergen tot den avond. Ik zal ze dan laten weghalen!”
Een der agenten had intusschen een dokter gehaald. Deze boog zich even
over den doode, die door messteken verwond was en zei toen:
„Afgeloopen!”
Toen keek hij naar Raffles en zei:
„Ook gedaan! Een mooie geschiedenis! Wat is hier feitelijk
voorgevallen?”
„Als ik dat wist, dokter, gaf ik tien jaren van mijn leven!” zei de
wanhopige politie-inspecteur. „Zoo iets heb ik nog nooit bijgewoond! De
duivel in eigen persoon is hier in het spel! Maar natuurlijk—Raffles is
er ook weer bij!”
Nogmaals doorzocht hij den kelder—wederom schudde hij het hoofd.
„Niets—heelemaal niets!”
Hier waren twee misdaden begaan, waarbij het menschelijke verstand stil
stond.
Met behulp der agenten werden nu de beide lijken naar een kamer
gebracht, die de Bankdirecteur te zijner beschikking had. Een der
mannen bleef de wacht houden, tot de lijken zouden worden gehaald
Des avonds deelden alle Londensche bladen het opzienbarende bericht
mede, dat Raffles, de Groote Onbekende, dood was.
Alleen zij, die tot lord Lister in onaangename verhouding hadden
gestaan, juichten over dat bericht. Maar zij, die veel aan zijn groote
goedheid hadden te danken, wijdden eenige tranen aan zijn
nagedachtenis.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE GROOTE ONBEKENDE IS ONSTERFELIJK.
Daar lag Raffles nu op een houten bank in een achterkamer.
De tijd verstreek, de klok wees tien minuten vóór vieren, waarop de
Bank werd gesloten voor het publiek.
De agent, die de wacht hield, liep ongeduldig heen en weer.
Plotseling, toen hij zich weer omdraaide, bleef hij als vastgenageld
staan. Hij opende den mond om te schreeuwen, zijn haren rezen ten
berge, zijn oogen puilden uit hun kassen en zoo bleef hij een paar
seconden onbewegelijk staan.
Een der beide dooden had zich bewogen. Het was Raffles. De agent wilde
het eerst niet gelooven. Hij keek nog eens scherper toe en—ja—daar
bewoog Raffles zich alweer!
Hij leunde met zijn elleboog op de bank, waarop hij lag en richtte zich
halverwege op. En zijn groote, glanzende oogen, die oogen, waarvoor
allen zoo bang waren, omdat er een bovennatuurlijke kracht van
uitstraalde, zij richtten zich groot en doordringend op den agent.
Dat was te veel voor den politieman van Scotland Yard. Hij stiet een
luiden schreeuw uit en rende weg.
Raffles lachte—lachte zóó luid, dat het schalde door het vertrek.
Langzaam stond lord Lister op en liep een paar keer de kamer op en
neer, om weer wat beweging te krijgen in zijn stijve ledematen. Het
bloed was hem verstijfd en vloeide nog maar traag door zijn aderen.
Eindelijk was hij weer wat op krachten gekomen.
Hij richtte zich hoog op, opende de deur en trad naar buiten.
Het was leeg in de gang. Het publiek was heengegaan en slechts enkele
beambten waren nog aanwezig. In de groote zaal was alleen nog de eerste
boekhouder, die dien dag de aanhouding van Raffles had bewerkstelligd.
Hij zat over zijn werk gebogen, toen plotseling een der vleugeldeuren
openging en een met bloed bevlekt lijk binnentrad.
„Wel, zijt ge nog aan den arbeid?” vroeg Raffles met een grafstem.
Bij de eerste woorden had de boekhouder van zijn werk opgekeken.
Hij keek als een gek en schreeuwde toen uit:
„Om ’s hemels wil—wie zijt ge?”
„Ik? Ik ben Raffles!”
„Raffles? Maar ge zijt immers dood?”
„Wel! Nu leef ik weer!”
„Maar dat kan niet!” gilde de boekhouder.
„En toch is het zoo, waarde heer! Neen, neen! Blijf kalm zitten! Doe
geen moeite! Ik zal wel een plaatsje vinden! Er is ruimte genoeg in
deze groote zaal! Hoeveel hebt ge vandaag ontvangen?”
„Niets! Heelemaal niets!” brulde de doodsbenauwde man.
„Dat is al een heel klein beetje voor een filiaal van de Londensche en
de Zuidwest Bank!”
Toen ging hij achter een lessenaar, deed een lade open met een der
sleutels van den directeur en keek erin.
„Alle „drommels”!
Honderd—duizend—vijfduizend—tienduizend—veertigduizend pond!—Dat is een
heel aardig bedrag, mister! Ik denk, dat de Bank niet kijkt op een
twintigduizend pond!”
Met deze woorden nam Raffles 20,000 pond uit de lade, stak ze in den
zak en zei:
„’t Is nu vier uur! Vóór vijf uur moogt ge niet kikken, begrepen?”
De man bleef stom.
„Hebt ge mij verstaan?” donderde Raffles. „Een uur lang moogt ge niet
kikken. Dan kunt ge zoo hard schreeuwen als ge maar wilt!”
De boekhouder knikte.
Inderdaad, het was hem onmogelijk, eenig geluid voort te brengen!
Raffles verliet de groote zaal.
Hij liep de gang door en hoorde eensklaps twee stemmen.
Hij sloeg er niet de minste acht op, toen hem de woorden in het oor
klonken:
„De diamanten van den hertog van Norfolk.”
Hij bleef nu staan en luisterde met het oor tegen de deur geleund,
waarachter vandaan het geluid kwam.
„Ik zal de bewaking van de diamanten van den hertog op mij nemen,”
hoorde lord Lister zeggen. „Waar worden ze heengebracht?”
„Naar het groote tentoonstellingsgebouw in Regentstreet. Ge moet ze
vannacht halen en morgen weer terug brengen!”
„All right!”
Het was nu een poosje stil.
Lord Lister dacht na. Toen, nadat hij tien seconden had gepeinsd, liep
hij de gang verder door, ging bij een der fonteintjes, die hier en daar
voor het personeel waren aangebracht, het bloed van zijn gelaat
wasschen en verliet het Bankgebouw, zonder verder door iemand te worden
lastig gevallen.
Een half uur later betrad hij een van zijn woningen. Deze lag in St.
James Street en bestond uit een apartement van zes kamers.
Binnen werd een deur opengedaan en Charly Brand keek de gang in.
„Ben jij het?”
„Zooals je ziet!”
„Lieve tijd, wat heb ik een angsten om je uitgestaan!”
„Ik om jou niet minder, beste Charly!”
Deze keek Raffles eens van ter zijde aan en zei toen:
„Wat zie je bleek, John! Scheelt je wat?”
„Neen, wat zou mij schelen, kerel? Ik heb daar juist iets beleefd, wat
je niet in je kouwe kleeren gaat zitten!”
„Verklaar je toch wat nader, John! Vertel me toch eens, hoe alle
kranten je doodstijding konden brengen? Wil je het lezen?”
„Natuurlijk, my boy! Dat interesseert mij buitengewoon!”
Charly Brand haalde de Times en reikte ze zijn vriend.
Deze las:
„Londen haalt verruimd adem! Raffles is dood!
„De groote Onbekende, genaamd Raffles, heeft vandaag in het elfde
bijkantoor van de Londensche en Zuidwest Bank een plotselingen dood
gevonden! Toen de beambten, die hem vervolgden, in den kelder drongen,
waarheen hij gevlucht was, vonden ze zijn lijk! Een schotwonde aan het
hoofd bewees, hoe Raffles aan zijn eind was gekomen. Het meest
raadselachtige van deze geschiedenis is, dat men nergens het wapen
heeft gevonden, waarmee Raffles is doodgeschoten. Vlak bij het lijk van
Raffles lag nog een ander lijk; dat van een tot nog toe onbekend
gebleven persoon. Ook van den moordenaar is tot nog toe geen spoor
ontdekt.”
„Uitstekend!” fluisterde Raffles.
„Is het allemaal zoo gebeurd, zooals het hier staat?” vroeg Charly
Brand.
„Precies zoo!”
„Maar men heeft je toch onderzocht? Hoe kon je je dan dood houden? Maar
nu zie ik ook dat je gewond bent! Boven je rechterslaap zit je haar vol
bloed!”
Raffles stond op, ging naar den spiegel, wiesch de wonde uit, die hij
inderdaad op deze plek had, plakte er een groote pleister op en ging
weer zitten.
„Wie heeft je verwond, John?”
Lord Lister lachte.
„Wie anders dan ikzelf, domme vent!”
„Jijzelf? En waar is de revolver?”
„Die heb ik door een klein tralievenster op straat gegooid! Ik zal je
de heele geschiedenis vertellen, Charly, opdat je je nieuwsgierigheid
kunt bevredigen.
„Ik werd dan door vriend Baxter naar den kelder gejaagd, maar ik had
een kleinen voorsprong, doordat ik de deur achter mij had gegrendeld.
Maar mij bleef geen weg om te ontvluchten. En toen zag ik plotseling
het lijk van een man voor mij liggen.”
„Afschuwelijk!” bromde Charly.
„Het was mij ook niet heel aangenaam,” antwoordde lord Lister, „en mijn
vervolgers stonden boven te schreeuwen!
„Wat te doen?
„Er was maar één uitweg—ik moest sterven! Je weet, Charly, dat ik
altijd een fleschje bij mij heb, gevuld met een mengsel van toxine en
morphine. Als ik die vloeistof onder de huid spuit, volgt een
verstijving, die altijd een paar uren aanhoudt.
„De dokter gaf zich niet de minste moeite om mijn hartslag te
onderzoeken, anders had hij natuurlijk bemerkt, dat ik niet dood was.”
„Ik wekte natuurlijk volkomen den indruk van een doode.”
„Maar om het verhaal geregeld af te wikkelen:”
„Ik sleepte het vreemde lijk, dat in een groten bloedplas lag, naar het
andere eind van den kelder, deed de inspuiting, zette het wapen zóó
tegen mijn slaap, dat slechts een lichte verwonding moest volgen,
drukte af en gooide het wapen door het tralievenster.
„Ik had nog juist den tijd om te gaan liggen waar de doode had gelegen.
Toen verloor ik ook reeds het bewustzijn.
„Je begrijpt, dat de agenten meenden, dat ik dood was, al lag ik ook
niet in mijn eigen bloed, maar in dat van den onbekenden man.
„Je ziet, Charly, dat mijn list volkomen is gelukt en dat ik weer aan
de handen van mijn doodsvijand Baxter ben ontvlucht.”
En lord Lister nam nog eens de Times op.
Daar viel zijn blik op het volgende artikel:
„De juweelen van den hertog van Norfolk.
„De hertog van Norfolk is eenige dagen geleden teruggekeerd van zijn
groote reis naar Indië en heeft zich met lady Wydemour, de dochter van
een pair, verloofd. Het huwelijk zal, naar wij vernemen, reeds vrij
spoedig worden gesloten. Het zal een der grootste plechtigheden zijn,
die in den laatsten tijd te Londen zijn gevierd, want zoowel de hertog
van Norfolk, als lord Wydemour behooren tot de rijkste families van het
land. De diamanten van den hertog van Norfolk vertegenwoordigen een
waarde van niet minder dan twee millioen pond sterling. Zeven der
schoonste en zuiverste steenen heeft de hertog zijn bruid reeds
geschonken.
„De geschiedenis van deze juweelen is heel interessant.
„Zij vormden het hoofdbestanddeel van het vermogen van den hertog. Deze
bezit echter ook nog uitgestrekte goederen in Schotland. Sinds drie
eeuwen zijn de hertogen van Norfolk reeds in het bezit van deze
juweelen, die in een kluis der Londensche en Zuidwest Bank worden
bewaard.
„Er bestaat een testament, waarin bepaald is, dat de erfgenaam van het
hertogelijke huis de diamanten eerst bij zijn huwelijk ontvangt.
„Nadat de oude hertog van Norfolk gestorven was, hebben de diamanten
ongeveer vier jaren in de Londensche en Zuidwest Bank gelegen. En
telkens weer werden zij naar een andere bijbank gebracht om diefstal te
voorkomen. Alleen de meest hooggeplaatste ambtenaren zijn met de
bergplaats bekend.
„Ook moeten de juweelen telkens worden tentoongesteld als zij in andere
handen overgaan.
„Deze clausule is destijds door een der hertogen in het testament
gevoegd, opdat de eigenaar de juweelen niet zou kunnen verkoopen of
verpanden.
„Ook de jongste hertog van Norfolk moet zich aan al deze voorschriften
houden. De diamanten zullen van 17 Januari—dus van morgen af—tot den
vijf-en-twintigsten van deze maand in het nieuwe tentoonstellingsgebouw
in Regent-Street te zien zijn.
„Natuurlijk zijn belangrijke voorzorgsmaatregelen genomen om mogelijken
diefstal te voorkomen. In dertig jaren zijn deze kostbare juweelen niet
ten toon gesteld en een groote toeloop van het Londensche publiek wordt
dan ook verwacht.”
Lord Lister glimlachte op vreemde wijze, toen hij de krant terzijde
legde.
„Heb je het gelezen Charly?”
„Yes. Maar ik begrijp niet, dat dit zoo interessant is. Het
interesseert mij veel meer, wie die vermoorde man wel mag zijn, dien
jij in den kelder van de Bank hebt gevonden.”
Lord Lister haalde de schouders op.
„Ik denk, dat dat iemand is, die in nauw verband met de Bank staat.”
„Waarom denk je dat?”
„Ik denk dat zoo en het feit, dat de man vermoord, is, versterkt mijn
vermoeden. Maar ik moet nu de noodige toebereidselen maken om morgen op
tijd te zijn
„Op tijd te zijn? Maar wat bedoel je dan?”
„Ik wil de diamanten van den hertog van Norfolk, bewaken,” antwoordde
Lord Lister.
Toen stond hij op en ging het volgende briefje schrijven;
„Aan den inspecteur van politie Baxter,
Scotland-Yard.
Waarde Baxter!
Hoewel ik eigenlijk geen reden heb om dankbaar tegenover u te zijn,
wil ik u toch een genoegen doen. Ik raad u namelijk om den
directeur van het elfde bijkantoor der Londensche en Zuid-West Bank
streng in de gaten te houden, want hij is een schurk.
RAFFLES.”
Dezen brief vouwde lord Lister dicht, verzegelde hem en zond den
bediende er mee naar de bus.
Toen ging hij naar zijn geheim bureau, dat vol spiegels was en waar een
groote tafel stond met allerlei soorten schmink en poeder.
Langs de muren hingen wel een dozijn verschillende baarden en pruiken.
Langen tijd was lord Lister bezig om uit te zoeken, wat hij noodig had,
want deze meesterdief stelde er zich niet mee tevreden om de lieden,
die hij wenschte na te bootsen, niet tot in de kleinste bijzonderheden
gelijk te zijn.
En toen hij later met een donker puntbaardje en bruin geverfd haar bij
Charly Brand binnentrad, bleef deze verbluft staan.
„Wat bedoelde je er mee,” vroeg Charly, „dat je de diamanten van lord
Norfolk wilt gaan bewaken?”
„Begrijp je dat niet?”
„Je wilt ze natuurlijk in je bezit hebben, niet waar Raffles?”
„Misschien. Maar laat ons nu gaan. Heb je lust om mee te gaan Charly?”
„Waarheen?”
„Naar het elfde bijkantoor!”
„Jij schijnt een groote voorliefde voor dat bijkantoor te hebben,
ondanks alles, wat er al gebeurd is.”
Lord Lister antwoordde niet.
Hij verkleedde zich en ging met Charly de deur uit.
In het elfde bijkantoor was het intusschen alles behalve rustig
gebleven.
De agent had inspecteur Baxter gewaarschuwd en deze was om vijf uur
gekomen, juist toen de boekhouder een verschrikkelijken angstkreet
uitstiet.
Baxter stormde de groote zaal binnen.
„Is hij weg?” vroeg hij met sidderende knieën. „Waar is hij, waar is
hij?”
„Ik weet alleen, dat hij hier was, inspecteur! Wat een vreeselijke
kerel! Hebt gij het wel ooit beleefd, dat een doode weer levend wordt?”
„Bij Raffles beleeft men alles” stiet Baxter uit; „de kerel maakt mij
nog dol!”
Het gebouw werd van onder tot boven doorzocht, zonder dat natuurlijk
een spoor van Raffles ontdekt werd. Alleen zijn pelsjas en het
bloedgekleurde waschwater werden gevonden en Baxter vertrok weer
onverrichter zaken.
Alleen de directeur, die in het achterste gedeelte van het gebouw zijn
ambtswoning had, bleef achter.
De man ging vroegtijdig naar bed, nadat hij de diamanten van den hertog
van Norfolk had klaargelegd om ze den volgenden dag naar het
tentoonstellingsgebouw te kunnen overbrengen.
Intusschen was het middernacht geworden.
Een schildwacht liep voor het Bankgebouw op en neer. Toen hij naar een
zijstraat zich verwijderde, traden twee slank gebouwde mannen uit de
duisternis in het licht der lantaarn. Het waren Raffles en zijn vriend
Charly.
Nu ging Charly met de schouders tegen den muur staan, legde de handen
ineen en liet lord Lister er in stappen.
Deze stond met een wip op den schouder van zijn vriend en opende nu
geruischloos een houten jaloezie.
Charly Brand liep met groote stappen beneden op en neer.
Een kwartier later kwam lord Lister weer naar beneden. Hij droeg een
groote cassette onder den linkerarm en lachte, zoodat Charly verschrikt
den vinger op den mond legde.
Zij liepen haastig verder en Charly vroeg:
„Waarom heb je zoo’n pret, John?”
Maar lord Lister was reeds weer ernstig geworden.
„Je zult morgen een wonder beleven, Charly!”
„Wat?”
„Een wonder zeg ik je!”
„En wat heb je in de cassette?”
„De diamanten van den hertog van Norfolk.”
Charly bleef een oogenblik verbluft staan.
Hij wilde het niet gelooven.
„De—de—diamanten—van den hertog van Norfolk? Maar—maar dat is een
reusachtig vermogen! Ben je niet bang?”
Lord Lister glimlachte weer.
„Bang? Ik?”
„Ja.”
„Voor wien? En waarom?”
„Maar morgen—morgen zullen de diamanten niet in het
tentoonstellingsgebouw zijn!”
„Hoe kom je er bij? De diamanten zullen er zeker zijn!”
Charly haalde de schouders op.
„Dat begrijp ik niet! Wie moet ze er dan heen brengen?”
„Ik.”
„Jij? Jij wilt ze naar het tentoonstellingsgebouw brengen?”
„Zeker. Ik ben van nu af gevolmachtigde van de Bank.”
„Maar John, wat een onzin!”
Charly Brand begreep niet, wat hij van zijn vriend moest denken.
„Morgen zal je alles duidelijk worden,” sprak Raffles.
Dien nacht nam Raffles nog een reeks van voorbereidingen.
Zijn vriend Charly echter sliep vermoeid van de opwindingen van den dag
en ontwaakte eerst, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond.
Raffles echter was verdwenen en terzelfder tijd liep door Londen het
gerucht, dat hij in hechtenis was genomen.
DERDE HOOFDSTUK.
HET GEHEIM VAN DE DIAMANTEN.
Dat was zoo in zijn werk gegaan:
Het bericht, dat in de „Times” had gestaan, was niet ongelezen
gebleven.
In Londen namelijk stellen de mannen het grootste belang in sport, de
vrouwen in luxe en voornamelijk in sieraden.
Het vooruitzicht om de diamanten te kunnen zien van den hertog van
Norfolk, die in grootte, zuiverheid en kostbaarheid de kroondiamanten
van den koning nog moesten overtreffen, had reeds in den vroegen morgen
een groote menigte naar het tentoonstellingsgebouw gelokt.
Om negen uur reeds bewoog zich een groot aantal dames en heeren door de
sierlijke zalen.
Equipages rolden aan, automobielen snorden voor. De grooms dwarrelden
door elkaar en de eene lady volgde de andere. Zij droegen haar kostbare
wintertoiletten, lange mantels met bontwerk gegarneerd, breede boa’s en
ander kostbaar pelswerk.
De diamanten van den hertog van Norfolk lagen uitgespreid op zeven
groote, zijden kussens.
Eigenlijk was het uur van de opening der tentoonstelling op tien uur
bepaald, maar de gevolmachtigde van de Londensche Bank was al om half
negen verschenen met zijn kostbaren schat.
De vertegenwoordiger was een slank gebouwd man van ongeveer
vijf-en-dertigjarigen leeftijd met een donker puntbaardje.
Hij zag er inderdaad bijzonder voornaam uit in zijn keurig toilet,
zooals hij daar stond achter de groote tafel, zonder ook slechts een
enkelen keer den blik op te richten van de zijden kussens, waarop de
prachtige steenen schitterden: diamanten, zoo groot als duiveneieren,
naast robijnen en topazen. Smaragden, in goud gevat, naast granaten.
Amethysten naast opalen en turmalienen naast cordierieten.
Maar diamanten en smaragden waren er in het grootste aantal en alles
schitterde en glinsterde en fonkelde op het donkere fluweel, dat men
meende een stuk van het firmament voor zich te hebben, waaraan sterren
schitterden van de eerste grootte.
De bezoekers der tentoonstelling hadden nog geen toegang, toen een zeer
voorname jonge lady binnentrad, vergezeld van een inspecteur. Zij had
kastanjebruin haar, dat in dichte lokken haar fijn gezichtje omlijstte
en twee groote, zwarte oogen werden door lange wimpers overschaduwd.
„Hier lady, is de tentoonstelling,” sprak de inspecteur, boog en ging
heen, want het was hem ten strengste verboden om ook slechts een minuut
in de zaal te blijven.
De jonge dame ging naar den slanken heer toe.
„Mijn naam is miss Marion,” sprak zij, „ik ben een vrouwelijke
detective en hier naar toe gezonden om met u samen de diamanten van den
hertog van Norfolk te bewaken.”
Zij was nadergetreden en de sleep van haar kostbare japon ritselde
zachtjes over den vloer.
Zonder het antwoord van mister Blakes af te wachten, deed zij de lange
handschoenen van de blanke handen en ging achter de tafel zitten.
Toen keek ze even naar de revolver, die onder het bereik van den heer
lag en zei niets dan:
„All right!”
De ander glimlachte nu, maar sprak geen woord.
De bezoekers werden thans toegelaten en vele politiebeambten stelden
zich op om met het tweetal, dat daar aan de tafel zat, elke poging tot
diefstal of het stichten van verwarring te beletten.
De kostbaarheden werden door iedereen bewonderd en veel begeerige
blikken van ijdele vrouwen en hebzuchtige mannen werden op de kostbare
steenen geworpen.
Na een half uur moest de zaal ontruimd worden om nieuwe bezoekers
binnen te laten.
Maar tusschen het bezoek der eerste en tweede groep werd een pauze van
een half uur gehouden, waarin de diamanten wederom nauwkeurig
onderzocht werden.
Mister Blakes stak een sigaret aan, nadat hij de vrouwelijke detective
om vergunning daarvoor had gevraagd, blies den rook voor zich uit en
vroeg:
„Wie heeft u eigenlijk hierheen gestuurd, lady?”
„Stelt ge daar belang in? De lord-major van Londen maakte zich een
beetje bezorgd, dat de beambten dit werk niet alleen af konden en
bovendien streef ik slechts één enkel doel na!”
„En dat is?”
„Ik wil Raffles vangen. Ik stam uit een voornaam geslacht, dat door
allerlei tegenspoed verarmd is en daarom heb ik een beroep gekozen, dat
hoog salaris geeft.”
„Ge hebt gelijk. En nu hebt ge het er dus op gezet om Raffles te
vangen?”
„Ik stel belang in hem! Hij imponeert mij, deze gentleman-dief en
daarom wil ik graag mijn krachten aan hem beproeven!”
Haar oogen glansden en een lachje krulde haar lippen.
In hetzelfde oogenblik luidde een bel en de nieuwe bezoekers werden
binnengelaten.
Nauwelijks hadden zij de zaal gevuld, toen plotseling een heer
binnenstormde, die een zwarten koffer droeg en iedereen omver liep, die
hem in den weg stond.
Aller oogen richtten zich op dezen persoon.
De man die binnenkwam, geleek sprekend op den heer, die de diamanten
bewaakte.
Deze wonderlijke gelijkenis baarde algemeen opzien, die niet weinig
steeg, toen de binnentredende uitriep:
„Alle duivels, wat gebeurt hier? Ik ben mr. Blakes, de
vertegenwoordiger van de Londensche en Zuid-West Bank.”
Niemand antwoordde.
Eindelijk vroeg een der politiebeambten:
„Kunt gij u legitimeeren?”
„Zeker.” En deze tweede mr. Blakes haalde zijn papieren te voorschijn.
De politiebeambte haalde de schouders op.
„Er is ten slotte toch maar één mr. Blakes,” sprak hij, „en hier
schijnt bedrog in het spel te zijn. Hoe zijn de diamanten van den
hertog van Norfolk hierheen gekomen, als gij de werkelijke mr. Blakes
zijt?”
Deze strekte den arm uit naar den heer achter de tafel en sprak:
„Die man is Raffles!”
De verwarring, die op deze woorden volgde, is onbeschrijfelijk.
De heeren weken verschrikt achteruit, de dames begonnen van angst te
gillen, de meesten echter verdrongen zich om dezen interessanten man,
die sedert vele maanden geheel Londen in ademlooze spanning hield en
iederen dag de kranten stof gaf tot sensationeele artikelen.
Dat was dus Raffles!
Deze echter scheen het volstrekt niet eens te zijn met de onthullingen
van mr. Blakes.
„Ge zijt gek!” riep hij uit en hij deinsde verschrikt terug, toen hij
zijn dubbelganger goed in het gelaat keek.
Dat was inderdaad dezelfde donkere puntbaard, dezelfde wenkbrauwen,
hetzelfde haar, dezelfde gelaatstrekken.
„Dat is een afschuwelijk bedrog!” riep hij uit, „dat is een laagheid!”
en nog voordat iemand het kon verhinderen, had hij zijn revolver
getrokken, gevuurd—het schot knalde. Doch neen, twee schoten waren het,
wier knal zich met elkander vermengde. In het oogenblik namelijk, toen
de tweede mister Blakes het pistool afschoot, had de man, die naast de
vrouwelijke detective stond, bliksemsnel het wapen te voorschijn
gehaald.
Toen de kruitdamp opgetrokken was, lag degeen, die het laatst was
binnengekomen, op de knieën; zijn revolver lag een halven meter verder
en uit zijn rechterhand vloeide een bloedstroom.
Mr. Blakes had hem de hand doorgeschoten.
„Moet ik u nog eens zeggen, dat u dien ellendeling moet weg brengen?”
beval de heer achter de tafel met donderende stem.
„Deze bedrieger is Raffles, die van de algemeene verwarring gebruik wil
maken om de diamanten van den hertog van Norfolk in zijn bezit te
krijgen!”
„Het is niet waar!” kreunde de andere. „Ik heb ze hier—ik heb ze bij
mij—de diamanten van den hertog van Norfolk!”
Het publiek geraakte in steeds grooter spanning. Allen drongen naar
voren om te zien, wat die nieuw aangekomene dan wel in dien koffer had
verborgen.
En inderdaad:
In den koffer lagen, zorgvuldig vastgemaakt op de kussens, de diamanten
van den hertog van Norfolk.
Maar daarginds op de tafel lagen ze ook en de politiemannen streken
zich over de oogen om het spook te verjagen, waaraan zij nog niet
konden gelooven.
Daar klonk echter opnieuw de stem van mister Blakes, die achter de
tafel met fonkelende juweelen stond.
„Maar mijneheeren, zijt gij dan inderdaad zóó kortzichtig om niet in te
zien, dat de juweelen, die Raffles hier brengt, allen vervalscht zijn?”
Groote sensatie!
De inspecteur van politie nam nu het woord en wendde zich tot de
omstanders:
„Zijn er misschien onder de aanwezige heeren eenigen, die verstand
hebben van diamanten?”
Onmiddellijk meldden zich eenige heeren en dames aan.
Een oude eerwaardige grijsaard haalde een microscoop te voorschijn en
hield dien boven de diamanten, welke de tweede mr. Blakes had gebracht.
Ademlooze spanning volgde.
Eindelijk hief de grijze heer het hoofd op en sprak op stelligen toon:
„Deze diamanten zijn valsch!”
„Ik zeide het reeds,” sprak de eerste mr. Blakes nu, „En als de heeren
politie-agenten nu nog langer aarzelen om dezen aartsbedrieger weg te
brengen, dan sta ik niet meer voor de gevolgen in!”
Die woorden hielpen. Een half dozijn agenten pakten den geheimzinnigen
mister Blakes beet en sleepten hem naar de deur.
Deze rukte zich hier nog eens los, rende naar den anderen mr. Blakes
toe en schreeuwde:
„Hier—hier—daar—daar—” hij wees op de kostbare steenen, die lagen
tentoongesteld—„hier liggen de gestolen diamanten van den hertog van
Norfolk, die vannacht uit het elfde bijgebouw van de Londensche en
Zuid-West Bank zijn gestolen!”
„Van dien diefstal heb ik ook al gehoord,” antwoordde de andere mister
Blakes. „De zaak zit namelijk zóó. Toen Raffles vannacht de echte
diamanten poogde te stelen, vielen hem de valsche in handen en hij had
de brutaliteit om deze vandaag aan het Londensche publiek te willen
toonen. Ge ziet heeren, dat Raffles zich zelf heeft verraden. Brengt
hem dus weg!”
De tweede mister Blakes werd nu in den kraag gepakt en weggebracht.
De vrouwelijke detective had den geheelen tijd de beide heeren
aangekeken.
„Jammer,” fluisterde zij nu.
Mr. Blakes keek haar glimlachend aan.
„Waarom, lady?”
Zij zuchtte diep.
„Ik had mij Raffles heel anders voorgesteld.”
„Hoe dan?”
„Och! Slanker, eleganter, nu ja, ik kan dat zoo niet zeggen. En ik had
mij ook in het hoofd gehaald, hem zelf te vangen!”
In hetzelfde oogenblik nam mr. Blakes de revolver op en strekte die uit
naar een eleganten heer, die een der diamanten op nam.
„Hand daar weg, als ge geen kogel tusschen de ribben wenscht!”
Deze keek op met doodsbleek gelaat en de jongedame naast hem uitte een
kreet van schrik.
„Zijt ge gek?” vroeg een der politie-mannen, „dat is de hertog van
Norfolk.”
„Dan mag hij toch zijn eigen diamanten niet stelen,” zei Raffles op
doodkalmen toon.
De hertog van Norfolk, een persoon van omstreeks veertig jaren met een
weinig sympathiek uiterlijk, hief den stok op, maar mr. Blakes zei heel
bedaard:
„Ik doe mijn plicht, hertog! Doe dien stok weg, want een kogel werkt
sneller!”
De hertog maakte een toornige beweging en trok zich toen achter in de
zaal terug.
Wederom werd een pauze van een half uur gehouden.
„Ge zijt een merkwaardig persoon,” sprak de vrouwelijke detective, toen
zij met Blakes de juweelen controleerde.
„Hoezoo, lady?”
„Ik geloof, dat ge betere oogen hebt, dan iemand ter wereld!”
„Hoe meent ge dat?”
„Omdat ge alles doorziet!”
Mr. Blakes lachte.
„Dat leert men in mijn beroep. Ik wensch u zoo’n paar oogen, lady, dan
zoudt ge misschien een zeer goede detective zijn!”
Het meisje was door dit gezegde niet weinig boos.
„O, wat dat betreft,” antwoordde zij, „behoeft ge u niet te verbeelden
mr. Blakes, dat gij Raffles herkend hebt. Ik zag dat al, toen hij de
zaal binnenkwam. Ik wilde alleen niet overijld handelen!”
„Wel zoo! Ei, ei! En nu hebt ge natuurlijk grooten spijt, dat gij hem
niet gevangen hebt!”
„Dat kan ik niet ontkennen!”
„Wel, lady, wat zoudt ge er dan wel voor over hebben, als thans nog de
kans bestond, dat ge Raffles zoudt kunnen vangen!”
Zij keek hem aan met een spotlachje.
„Die kans kunt gij mij toch niet geven?”
„Wie weet? Nu, wat krijg ik?”
„Honderd pond!”
„Bah! Daar steek ik mijn sigaret mee aan! Een kus, lady, als ge die
ervoor geeft, ben ik bereid!”
Zij keerde zich af.
„Onbeschaamde!” fluisterde zij.
Maar Blakes liet zich niet zoo gauw uit het veld slaan en eindelijk
sprak zij:
„Als ge mij het bewijs kunt leveren, dat ge kunt helpen om Raffles te
vangen, dan, in ’s hemelsnaam, zal ik u den kus geven!”
Hij strekte de hand uit.
„Op eerewoord en handslag, lady?”
„Een vrouw een vrouw, een woord een woord, mister Blakes!”
„Goed! Neem mij dan gevangen!”
En toen tot de politie-agenten:
„Het publiek kan weer binnen komen!”
De lieden kwamen weer binnen.
Als een standbeeld bleef het meisje op de plaats staan.
Die man naast haar had zoo juist met de grootste kalmte verteld, dat
hij Raffles was.
Gloeiend heet vloog het bloed haar naar de wangen. Zij keek van
terzijde mr. Blakes aan en het werd haar hoe langer hoe duidelijker,
dat het inderdaad Raffles was.
„Ik dacht,” stotterde zij, „ik meende—dat ge zwart haar hadt!”
„Als ik geweten had, lady, dat ik met u zou kennis maken, had ik mijn
baard zeker thuis gelaten.”
Zij bloosde. Hij hield haar voor den mal, omdat ze niet eens gemerkt
had, dat zijn baard valsch was.
„Ge zijt een vreeselijk mensch,” fluisterde zij, „maar pas op, ge
ontsnapt mij toch niet! Ik zal u in hechtenis laten nemen, zoodra ge
het gebouw hier verlaat!”
„Uitstekend, lady! Maar den zoen krijg ik eerst!”
Daar trad een der inspecteurs der recherche naar de juweelentafel toe.
Hij reikte Blakes de hand en zei:
„Het was inderdaad Raffles! Ge hebt ons aan een fameuze vangst
geholpen!”
De toegesprokene glimlachte.
„Dank u!”
„Weet ge het laatste nieuws al?”
„En dat is?”
„De directeur van het elfde bijkantoor is vannacht spoorloos
verdwenen!”
„Inderdaad?”
„Er schijnt een nieuwe misdaad te zijn begaan!”
Raffles kuchte eens en blies een blauwe rookwolk de lucht in.
Toen vroeg hij:
„Kan ik u misschien met het een of ander helpen, lady?”
Zij keek op en zag in zijn lachend gelaat.
O, wat haatte ze hem op dit oogenblik. Ze had hem kunnen dooden.
„Ik zou graag willen weten,” fluisterde zij, „waar de eigenlijke mister
Blakes is!”
„Die, lady? O, die is dood!”
„Dood?—Toch niet vermoord?”
„Ja.”
„Maar—om Godswil—toch niet door u?”
„Neen, lady. Zulke dingen doe ik niet! De directeur van het elfde
bijkantoor heeft hem vermoord!”
„Weet ge dat zeker?”
„Ja, heel zeker. Ik heb de misdaad door het sleutelgat gezien en wilde
te hulp snellen, toen het al te laat was! Ik vermoed, dat de directeur
de juweelen van den hertog zich heeft willen toeëigenen en toen vermomd
als mister Blakes hierheen is gegaan! Ik begreep, dat dit het geval zou
zijn en het deed me pleizier, den moordenaar in de val te laten loopen.
Zoo heb ik den schurk, dien Baxter niet wil arresteeren, toch in de
gevangenis gebracht en daarmee in het belang der menschheid een goede
daad verricht, vindt ge ook niet?”