Een oogenblik aarzelde hij, maar toen ook begreep hij, dat dit de

eenige weg tot redding was en hij liep de gang door.

Aan het eind verwijdde de gang zich tot een hol, hetgeen Raffles bij

het schijnsel van zijn electrische zaklantaarn opmerkte en toen ook

bereikten jammerkreten zijn oor, vermengd met het rammelen van ketenen.

De tanden op elkaar geklemd schreed Raffles voorwaarts en toen zag hij

op een stroobos het uitgeteerde lichaam van een mensch, geheel in

lompen gehuld.

Toen die persoon Raffles aankeek, deinsde hij verschrikt achteruit en

lord Lister, die anders voor geen kleintje vervaard was, klemde de

tanden op elkaar om het niet uit te schreeuwen van afschuw.

De ongelukkige miste de rechterhand en zijn arm eindigde in een stomp,

gehuld in lompen.

Het gelaat had weinig menschelijks meer behouden, maar toch waren de

trekken nog duidelijk te herkennen. De gelijkenis met den hertog van

Norfolk, in wiens paleis lord Lister zich bevond, was treffend.

Wie was die ongelukkige?

Waarom miste hij juist de rechterhand? Hing deze ontdekking misschien

samen met die doode hand, die de vrouwelijke detective had

vastgehouden?

„Wie zijt gij?” vroeg lord Lister den ongelukkige. „Vertrouw op mij, ik

zal trachten u te redden!”

Een afschuwelijk reutelen, was het antwoord. De rampzalige opende den

mond en met een kreet van weerzin trad Raffles achteruit. De man miste

zijn tong.

En langzamerhand werd alles Raffles duidelijk, toen hij de linkerhand

van dien ongelukkige bekeek, den bouw van zijn lichaam, de

aristocratische trekken, die door het lijden niet waren uitgewischt.

Dit was de echte hertog van Norfolk, en de ander was een schandelijke,

een ellendige bedrieger, waarvan in Londen de weerga niet te vinden

was.

Een grenzelooze toorn maakte zich van lord Lister meester, toen hij

langzamerhand begon te begrijpen, hoe deze ongelukkige gepijnigd was,

opdat de ander maar zoo spoedig mogelijk in het bezit van de

onschatbare diamanten zou komen.

Maar lord Lister zou wraak nemen! Hij haalde een reusachtig groot mes

te voorschijn en na langen tijd te hebben gevijld, vielen de ketenen

rammelend neer. Toen beval hij den ongelukkige, door teekenen, hem te

volgen.

De gevangene deed dit, op handen en voeten voortkruipend, voorafgegaan

door lord Lister, die zijn electrische zaklantaarn gereed hield.

Vele gangen ging het tweetal door, vele deuren werden door lord Lister

opengebroken of stuk getrapt en vele kamers bezochten zij.

Eindelijk belandden zij in een fantastisch gemeubeld vertrek. Een jong

meisje lag op den grond en een man, met een lang dolkmes in de hand,

had zijn knie op haar keel gezet en stond gereed, den doodelijken stoot

toe te brengen.

In een enkel oogenblik had Raffles den geheelen toestand overzien. Vol

gruwelijke ontzetting herkende hij in het bedreigde meisje de

vrouwelijke detective en in den man den valschen hertog van Norfolk.

Met een schreeuw van woede wierp lord Lister zich op hem.

De woestaard keek met bloeddoorloopen oogen zijn nieuwen tegenstander

aan, liet het meisje los en wierp zich met woest gebaar op lord Lister.

Deze was ongewapend, want in het onderaardschse hol had hij zijn messen

en zijn revolver laten liggen.

De hertog van Norfolk maakte heel handig gebruik van dezen ongewapenden

toestand van zijn tegenstander en terwijl hij hem met den linkerarm van

zich trachtte af te weren, gaf hij hem terzelfdertijd zulk een

geweldigen trap tegen den buik, dat lord Lister bijna neerviel. Toen

stiet hij naar hem met zijn mes.

Met een handige beweging echter was lord Lister uit den weg gegaan,

zoodat het wapen de lucht doorkliefde en in de lambriseering van den

muur terecht kwam, waartegen lord Lister geleund stond.

In het volgende oogenblik had hij den arm van zijn vijand beetgepakt en

met de geweldige kracht, waarover hij kon beschikken, neergedrukt.

Opnieuw stiet zijn vijand naar hem en deze manier van strijden was des

te gevaarlijker, daar lord Lister zich er nooit van had bediend.

Maar de schurk daarentegen was weer niet bekend met een wijze van

vechten, waarin lord Lister een meester was. Terwijl de ander namelijk

zijn rechterarm ophief om het wapen in lord Listers borst te stooten,

gleed de linkerarm van lord Lister bliksemsnel tusschen den rug en de

beide armen van zijn vijand.

Nu was het natuurlijk den schurk onmogelijk, met den rechterarm nog toe

te stooten.

Terzelfder tijd omklemde lord Listers rechterhand den linkerarm van

zijn vijand. Zijn eigen linkerarm lag nu als een steen tusschen den rug

en de beide armen van zijn tegenstander, wien het onmogelijk gemaakt

was, de geringste beweging uit te voeren.

Wel trachtte hij, als een razende tekeer gaande, zich te bevrijden,

maar nog voordat hij zich kon losmaken, had lord Lister hem drie keer

met de vlakke hand een klap tegen de keel gegeven, zoodat de aanvaller

als een zak neerplofte.

Lord Lister wierp zich op hem en bond hem, voordat de ellendeling weer

tot bezinning was kunnen komen.

Toen sprong hij op.

Hijgend, zelf vrij ernstig gewond, stond hij voor de vrouwelijke

detective.

Voor den eersten keer in zijn leven was lord Lister zoo zwak, dat een

kind hem had kunnen overwinnen. De vreeselijke gebeurtenissen van dezen

nacht hadden zijn krachten uitgeput en de verwoede strijd met dien

ellendeling had het laatste beetje van zijn weerstandsvermogen nog

opgeslokt.

En als lady Marion nu haar revolver had genomen en met dreigend gebaar

had uitgeroepen: „Handen hoog, Raffles, ge zijt mijn gevangene!” dan

zou lord Lister niet meer de kracht hebben gevonden om zich te

verdedigen tegen dezen nieuwen vijand.

Zijn kleeren hingen in flarden langs zijn lijf, zijn knieën beefden, en

met de rechterhand greep hij de leuning van zijn stoel.

Maar het meisje dacht er niet meer aan, hem te arresteeren.

Zij was immers vrouw en sinds het oogenblik dat zij Raffles had leeren

kennen, hadden er in haar twee machten om den voorrang gestreden:

De trots en de liefde.

Zij had tot op dit oogenblik niet willen bekennen, dat deze man haar

meester was. Zij had al haar trots erop gezet, hem te arresteeren, hem

op wien nog geen man vat had kunnen krijgen en toch was, sinds het

eerste oogenblik, de liefde in haar hart geslopen.

En nu—nu Raffles weerloos voor haar stond—nu zegevierde ook die liefde

voor het eerst.

Ja, alle haat was verdwenen!

Zij zou in dit oogenblik in staat zijn geweest, haar leven voor hem op

te offeren en zij werd doodelijk bleek, toen het huis plotseling

daverde van vreeselijk rumoer.

Men hoorde bijlen slaan, deuren vlogen splinterend uiteen, schoten

kraakten en het jammeren van doodelijk getroffen dienaren vervulde het

geheele huis.

De vrouwelijke detective had dadelijk haar opmerkzaamheid gericht op

het paleis van den hertog van Norfolk, toen Raffles haar ontsnapt was.

Zij was ervan overtuigd, dat hij zich hier ergens verborgen hield en

had zich in het nachtelijk uur tot den hertog van Norfolk gewend om het

huis te laten doorzoeken.

De hertog echter, die zelf niets vuriger verlangde, dan dat Raffles

werd om hals gebracht, had het bezoek der vrouwelijke detective

verkeerd opgevat.

Hij, die dag en nacht in de vreeselijkste angsten verkeerde, dat zijn

misdaad aan het licht zou komen, meende zich reeds ontdekt te zien, had

daarom de detectives der lady door zijn dienstpersoneel laten

overrompelen en was op het punt, de lady zelve voor altijd onschadelijk

te maken, toen lord Lister in het juiste oogenblik was verschenen.

Een der detectives, die de lady had vergezeld, was ontsnapt en had de

politie verteld van het gevecht, dat had plaats gevonden.

Inspecteur Baxter, die intusschen met zijn detectives in Scotland Yard

was aangekomen, was onmiddellijk op weg gegaan en hij was het, die nu

met zijn lieden de deuren verbrijzelde en hef heele huis overhoop

haalde om de vrouwelijke detective op te sporen.

Zij kromp ineen.

Enkele oogenblikken luisterde zij, toen legde ze haar hand op den arm

van den meesterdief.

„Binnen twee minuten zijt ge verloren!” fluisterde zij, „ik zal u

redden!”

Lord Lister verzamelde al zijn krachten.

Het bloedverlies, dat veroorzaakt werd door verscheiden wonden,

verzwakte hem nog meer.

Maar thans, nu gevaar dreigde, kwam de oude energie weer boven.

Deze man die over een ijzeren constitutie beschikte, gaf zich nog niet

verloren. Hij richtte zich hoog op en volgde de lady, die ijlings

voortliep.

Zij zelve was echter niet genoeg op de hoogte van al de verschillende

vertrekken van het paleis om te weten, waarheen zij lord Lister moest

brengen.

Zij wilde hem slechts brengen uit de verderfelijke nabijheid der

detectives, die juist de laatste deuren verbraken en nu de kamer

binnendrongen, waar zich zoo juist de vreeselijke strijd had

afgespeeld.

Intusschen had lord Lister een der laatste vertrekken van het huis

bereikt.

Hij zag daar een groote kast, deed deze open en nam er een kostbare

pelsjas uit.

„In dit kostuum kan ik toch moeilijk de straat opgaan, juffrouw,” zei

hij lachend en hij trok den kostbaren pels aan.

Nu zag hij ook in een aangrenzend vertrek een groote, ijzeren

brandkast.

„Ik heb mijn geld vergeten, lady,” zei hij met den ouden humor, die

weer met zegevierende schittering in zijn oogen lichtte, „en zonder

geld is Raffles een nul.”

Hij haalde zijn ijzeren boor voor den dag en opende de kast.

De vrouwelijke detective echter legde beide handen op zijn arm en zei:

„Om Godswil! Als ge nog een seconde toeft, zijt ge verloren!”

In hetzelfde oogenblik vloog de brandkast open.

Lord Lister haalde er den inhoud uit en stak de bankbiljetten in den

zak.

Dit geschiedde, toen juist Baxter en zijn mannen de kamer wilden

binnendringen, die nog slechts door twee zwakke deuren was afgescheiden

van die, waarin Raffles zich bevond.

Hij was verloren.

Maar nu ook daagde een helper op, waaraan hij noch de vrouwelijke

detective hadden gedacht.

Uit een der hoeken kroop een afschuwelijke gedaante te voorschijn, die

in het zwakke schemerlicht van een roode lantaarn er nog

weerzinwekkender uitzag dan tevoren: die half mensch half dier scheen

en zich uitrekte, de uitgeteerde armen opgeheven.

Als een beschermer plaatste de gedaante zich voor de deur, waarachter

lord Lister was verdwenen.

De ongelukkige, die maandenlang in ketenen had gezucht, had genoeg

verstand behouden om te begrijpen dat degeen, die hem dezen nacht gered

had, voortvluchtig was.

En hij toonde zijn dankbaarheid, doordat hij lord Listers vlucht met

zijn leven dekte.

Inspecteur Baxter en zijn mannen weken verschrikt achteruit, toen zij

die afschuwelijke gestalte ontdekten.

Het was, alsof een lijk plotseling levend was geworden!

Die van waanzin gloeiende, half uitgedroogde oogen, joegen den

detectives den grootsten angst en ontzetting aan.

Zij weigerden het allen, die vreeselijke gedaante, die zij hielden voor

de een of andere spookverschijning, daar van de deur weg te jagen en

eerst, toen reeds vele minuten in ijzingwekkende stilte waren

voorbijgegaan, vond inspecteur Baxter zelf den moed om dien

ongelukkigen stumperd beet te pakken en opzij te slingeren.

Toen vloog de inspecteur alle kamers door en juist toen hij de laatste,

de achterste bereikt had, zag hij, hoe een donkere gedaante als een

pijl uit den boog door het venster verdween en naar beneden zich liet

glijden.

Het was lord Lister, die geluidloos in den donkeren nacht verdween.

Baxter had hem heel goed herkend.

Hij zond den vluchteling dan ook onmiddellijk een schot kruit na.

Toen keerde hij zich, snuivend, hijgend, kuchend van woede tot de

vrouwelijke detective:

„De duivel mag jou halen!” bulderde hij, „en dát wil een detective

wezen!”

Het meisje glimlachte.

Toen schudde zij het hoofd.

„Ik was het, inspecteur!”

„Hoe—wat? Versta ik goed?”

„Dat doet ge!”

„Zeg het dan nog eens, als je durft!”

„Ik durf!”

„Zeg het!”

„Ik was een detective, inspecteur, maar nu— —”

„Nu?”

„Nu ben ik een vrouw geworden!”

Inspecteur Baxter keek haar eenige oogenblikken aan.

Hij was ervan overtuigd, dat dit meisje haar verstand verloren had en

schouderophalend wendde hij zich af.

„Daar begrijp ik niets van!” bromde hij en toen maakte hij zich gereed

om lord Lister te gaan vervolgen, die niet meer kon worden ingehaald.

De schurk, die door Raffles gearresteerd werd, werd nog denzelfden

nacht naar Scotland-Yard overgebracht.

Daar bekende hij ook, toen hij tegenover zijn rampzalig slachtoffer

geplaatst werd, dat hij zich onmenschelijk had gedragen.

In Indië had hij zeven jaren doorgebracht in het tuchthuis te Madras en

was toen door den hertog van Norfolk, die niets van zijn verleden wist,

als diens particulier secretaris aangenomen.

Hij geleek sprekend op den hertog en van deze noodlottige gelijkenis

had de schurk al heel gauw profijt getrokken.

Hij had zijn meester gevangen genomen en toen met voortreffelijke

schurkerij diens rol gespeeld.

De werkelijke hertog van Norfolk stierf twee dagen later.

Zijn diamanten zijn hooit meer het eigendom geworden van zijn geslacht.

En Raffles?

Ach, hij wist het wel, dat het mooie meisje, de bekoorlijke miss

Marion, hem had geholpen, toen hij te zwak, te uitgeput was om nog

eenigen tegenstand het hoofd te bieden!

Maar hij verbaasde zich niet, de elegante jonge lord, want hij wist het

maar al te goed, dat zijn invloed op vrouwen onzegbaar groot was. Dat

zij voor hem door het vuur zouden gaan, als hij glimlachte, haar leven

zouden offeren, zoo hij er om zou smeeken met zijn liefsten lach, zijn

meest vleiende stem.

Hij was weer ontkomen, de meesterdief; voor den zooveelsten keer den

grijpvingers der politie ontsnapt.

En hij rustte zich uit tot nieuwe daden.

Lord Lister No. 0011: De diamanten van den hertog van Norfolk · 第 3 / 3 段