Toen gebeurde het, dat, niettegenstaande dit alles, hun huwelijk bepaald
werd te zullen gesloten worden in korten tijd, in anderhalve maand;
Frank zoû door eenige zijner oude vrienden geholpen worden aan eene
werktuigkundige betrekking op eene fabriek in Glasgow, Eve zoû haar
moederlijk erfdeel medekrijgen; geene bezwaren stonden in den weg.
Den Zondag placht Frank geheel en al door te brengen ten huize van Sir
Archibald. Hij kwam des morgens, stil als steeds, aan het lunch, en na
het lunch bleven zij alleen, als steeds ... Vroeger waren die uren nog
zoet gevuld met de, ondanks haar zelve steeds een weinig nerveuze,
illuzie van Eve; zij hadden samen veel gesproken, zelfs gelezen met
elkaâr ... Maar in den laatsten tijd hadden minuten zich aan minuten
kunnen schakelen, zonder dat ze iets deden dan stil naast elkaâr zitten
op een groote bank, hand in hand, turende voor zich uit. En er kwam dan
een oogenblik, dat zij elkaâr zelfs niet meer zoo konden vasthouden, het
niet meer durfden. De schim van Bertie, met zijn violet, bloedend
wanhoopsmasker, gleed tusschen hen in; zij lieten elkaâr los, en zij
dachten beiden aan den doode. Het werd Eve of zij medeplichtig was aan
den moord. Werd het donker, dan overviel hun zulk een onduldbare angst,
dat het hun werd of zij stikken zouden: zij wierpen het venster open en
zij stonden lang, lang in de kille lucht, turende in het duisterende
park van Kensington, om te bekoelen ... Zwaar angstig hoorde zij in
Franks borst zijn adem rijzen en dalen ... En zij werd bang voor hem,
trots hare liefde. Hij had toch een moord begaan, hij had dat kunnen
doen in zijne drift! O, als hij haar ook eens, in zijne drift ...! Maar
zij, ze zoû zich verdedigen met de kracht van wanhoop, zich blijven
vastklemmen aan het leven. Had zij ook niet kracht in zich gevoeld een
moord ... God, neen, _zij_ toch niet ... Ze was zoo bang ... En ze had
hem toch zoo lief, ze aanbad hem en spoedig zoû ze zijn vrouw zijn! Maar
ze was wel bang ...
Die Zondagen waren geen liefelijke dagen meer, die schatten nalieten
genoeg om eene week van te leven. Integendeel, Eve vreesde nu de geheele
week voor dien Zondag: ze zag dien met ontzetting naderen ... Vrijdag,
Zaterdag ... daar was de dag weêr, daar kwam Frank, hoorde zij zijn
tred. En zij was bang, bang en ze aanbad hem toch.
Zoo zaten zij ook eens naast elkaâr, hand in hand, turende. Het was nog
vroeg in den namiddag, maar buiten dreigde regen, en een grijs
middagduister zweefde door de zwarte tulle gordijnen binnen. En Eve,
gedrukt, smachtende naar troost drong zich eensklaps tegen Franks borst
aan, trots haren angst.
--Ik kan niet meer tegen dat weêr! klaagde zij, bijna kermend. Ik word
tegenwoordig altijd benauwd van die zware gedekte luchten. Ik wil naar
Italië, Frank, de zon, de zon ...!
Hij bleef zwijgen, haar even drukkend tegen zich aan.
Zij begon zachtjes te weenen.
--Zeg dan toch iets, Frank! smeekte zij.
--Ja, ik hoû ook niet van die zwarte lucht, Eve, sprak hij mat.
En minuten lang duurde hun stilzwijgen weêr. Zij poogde er zich in te
schikken, tegen hem aan leunend. Toen zei ze:
--Ik kan er niet meer tegen, geloof ik, sedert die bui, die ons in Molde
heeft overvallen, nu al zoo lang, wel vijf jaar geleden. Je herinnert je
wel, toen we elkaâr pas ontmoet hadden, een paar dagen te voren, in
Drontheim ...
Ze zoende glimlachend zijne hand, vol van hare herinnering, hare jeugd.
Ze was nu oud.
--Je weet, we zijn toen in Molde kletsnat teruggekomen in het hôtel. Ik
geloof, dat ik sedert dien dag ziek ben, dat ik toen zware koû heb
gevat, die ergens in me ingekankerd is, die ik eerst niet heb gevoeld of
geteld, maar die al dien tijd aan me geknaagd heeft, al dien tijd lang
...
Hij bleef zwijgen, zich vaag ook iets herinnerend, iets tragisch van
Molde, wat wist hij niet meer. Maar naast hem barstte zij eensklaps
zenuwziek in snikken los:
--O Frank, zeg dan toch iets, zèg dan toch iets! smeekte zij, wanhopig
om zijn stilzwijgen, waarin ze haar angst steeds banger en banger voelde
worden, hoog kloppend in heur hart, ondanks zichzelve.
Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, zijne gedachten
verzamelend. En langzaam zeide hij:
--Ja Eve ... ik had je juist iets willen zeggen, juist vandaag.
--Wat dan? vroeg zij, verwonderd door heure tranen blikkend, om zijn
vreemden toon.
--Ik zoû ernstig met je willen spreken, Eve, vandaag. Wil je naar me
luisteren?
--Ja ...
--Ik woû je iets vragen, Eve, ik woû vragen of je niet vrij van me zoû
willen zijn. Ik woû je vragen of ik je niet je woord mag teruggeven.
Zij begreep hem niet dadelijk en bleef hem toen verschrikt aanzien, met
open mond.
--Waarom? vroeg zij ten laatste, sidderend, bang, dat hij iets begrijpen
zoû van wat in haar woelde.
--Omdat het zoo beter voor je zoû zijn, kind! sprak hij zacht. Ik heb
het recht niet je leven vast te ketenen aan het mijne: ik ben gebroken,
ik ben een oud man, en jij bent jong ...
Zij vlijde zich tegen hem aan.
--Neen, ik ben ook oud! glimlachte zij. En ik wil het niet, ik wil bij
je blijven, ik zal je altijd troosten als je verdrietig bent. En bij
elkaâr zullen wij weêr beiden jong worden en beiden gelukkig ...
Hare stem vloeide zoet als balsem, zij voelde om hem te sterken iets van
de oude illuzie in zich herleven; zij wilde hem behouden, het kostte wat
het kostte; zij had hem lief.
Hij sloot haar even vast in zijn arm en kuste haar. Zij was op dit
oogenblik niet bang, zij voelde hem zoo ongelukkig ...
--Je bent een goed, goed kind, fluisterde hij met zijne schorre,
brekende stem. Ik verdien het niet, dat je zoo goed voor me bent. Maar
heusch, Eve, denk er eens over na. Denk er eens over na of je je niet
ongelukkig, rampzalig zoû voelen, wanneer je altijd met me moest zijn.
Er is nu nog alles aan te doen. We hebben je verder leven in onze hand,
Eve. En ik kan niet doorgaan met je nog ongelukkiger te maken, dan ik al
gedaan heb. Daarom zoû ik graag, voor jou, voor jouw geluk, je je woord
teruggeven.
--Maar ik wil niet! kermde zij wanhopig. Ik wil niet. Ik begrijp je
niet: waarom zoû je mij mijn woord teruggeven?
Hij nam hare handen streelend in de zijne, zag haar lang aan met zijn
glimlach van smart onder zijne gouden snor.
--Waarom? Omdat je ... omdat je bang voor me bent, mijn kind. Haar
geheele lichaam schokte als van een plotselingen electrischen stroom:
zij zag hem wild aan, wild sprak zij tegen.
--Het is niet waar, Frank, ik zweer het je, het is niet waar! God, God,
waarom geloof je dat, waardoor heb ik je dat kunnen doen gelooven! Ik
bid je, Frank, geloof me: ik zweer het je, daar, bij alles wat heilig
is, zweer ik het je: het is niet waar, dat ik bang voor je ben!
--Jawel Eve, je bent bang voor me, ging hij kalm voort: en ik begrijp
dat, dat moet zoo zijn. En toch, dit verzeker ik je: je zoû er nooit
reden toe hebben. Want ik zoû een lam willen zijn aan je hand, ik zoû
mijn hoofd zoo in je handen willen leggen, in je mooie, koude, witte
handjes, om er te gaan slapen als een kind. Je zoû met me kunnen doen,
wat je woû, en ik zoû nooit driftig tegen je zijn, want ik kan dat nu
niet meer, nooit meer. Ik zoû zoo aan je voeten willen liggen, mijn
leven lang, en je voeten op me willen voelen, hier op mijne borst en ik
zoû er zoo kalm onder worden, zoo kalm, zoo heerlijk kalm ...
Hij was op zijn knie gevallen voor haar, zijn hoofd in heur schoot, op
hare handen.
--Nu dan, sprak zij zacht; als dat zoo is, waarom zoû ik dan bang voor
je moeten zijn, als je me dat alles zoo verzekert? En waarom spreek je
er dan over me mijn woord terug te geven?
--Omdat ik je niet langer ongelukkig kan zien, omdat ik je bij mij
ongelukkig zie, omdat je later, met me nog ongelukkiger zoû worden ...
Zij trilde in al hare zenuwen; eene helle klaarte kwam in haar; zij zag
alles wat er gebeurd was, weêrschitteren als in kristal.
--Hoor, Frank, sprak ze, met eene stem vol frischheid. Blijf daar zoo
liggen en luister naar me, luister goed. Ik wil bij je blijven, en we
zullen gelukkig zijn. Ik voel dat. Hoor Frank. Wat is er gebeurd, dat
wij ongelukkig zouden zijn? Niets. Ik herhaal het je: niets. Laten wij
niet ons eigen leven vergooien. Eens heb ik aan je getwijfeld, je hebt
me vergeven. Dat is uit. Je hebt gezien, dat Bertie een schurk was, en
je hebt hem doodgemaakt. Dat is uit. Dat kan me alles niet meer schelen.
Ik wil om dat alles niet meer denken. Het bestaat niet meer voor me. En
let wel op, Frank, bezie het goed, dat is alles, alles, àlles, wat er
gebeurd is. Er is niets méer gebeurd. Het is niet veel. En we zijn
beiden jong en gezond, we zijn _niet_ oud. Daarom zeg ik het je, dat we
het kunnen: een nieuw leven met elkaar beginnen, ergens anders, ver van
Londen. Een nieuw leven, Frank, een nieuw leven ... Ik hoû van je,
Frank, je bent mijn alles, mijn afgod, mijn man, mijn kind, mijn lief
groot kind ...
Zij omhelsde zijn hoofd hartstochtelijk, hem knellend aan haar tenger
lichaam, in extaze, lichttintelingen in haar oog, bloed tintelend onder
de azalea's harer wang. Maar hij zag smartelijk tot haar op:
--Je bent een engel, Eve, je bent een engel. Maar ik mag je niet
behouden. Want hoor nu eens naar mij: ... dat is het juist ...
--Wat is het juist?
--Dat is het juist ... Dat Bertie géen schurk was. Dat hij alleen maar
een mensch, een zeer zwak mensch was. Dat is het juist. Hoor naar mij,
Eve, laat mij nu uitspreken. Ik heb veel gedacht, daar, op Scheveningen,
in de duinen, je weet wel. Ik heb nagedacht over wat ik me herinnerde,
dat hij in dat laatste oogenblik me tegenwierp, om zich te verdedigen en
langzamerhand zijn al zijne woorden in me herleefd en heb ik gevoeld,
dat hij gelijk had.
--Dat hij gelijk had! O, Frank, ik weet niet, wat hij zei om zich te
verdedigen, maar moet nu, nu nòg, Bertie's invloed ons kunnen scheiden!
riep zij, bitter van wanhoop, uit.
--Neen, dat is het niet! weerde hij af. Verwar het niet. Het is niet
Bertie's invloed, die ons scheidt, maar mijne schuld.
--Jouw schuld!
--Mijne schuld, die telkens en telkens me herinnert aan wat ik gedaan
heb, zoodat ik niets vergeten kan en het nooit vergeten zal ... Want
luister nu eens. Hij had gelijk in zijne laatste woorden. Hij was een
zwak mensch, zei hij, geslingerd door het leven, zonder wilskracht. Hij
had geen wilskracht, zei hij. Was het zijne schuld, dat hij er geen had?
Hij verachtte zichzelven, dat hij die gemeene dingen gedaan had, met die
brieven. Maar hij had niet anders gekund. Nu, ik vergeef het hem, dat
hij zwak was, want hij kon niet anders, en we zijn allemaal zwak: ik ben
het ook.
--Maar _jij_ zoû nooit zoo iets doen, met die brieven! kreet Eve.
--Omdat ik misschien anders ben, maar ik ben toch ook zwak. Ik ben zwak,
als ik driftig ben. En toen ... toen in mijne groote drift, ben ik
heel, heel zwak geweest. Dat is het juist, dàt is het, wat me nu breekt,
en zoo gebroken, als ik ben, mag ik niet je man worden ... O, wat gaf ik
er niet voor, als hij nog leefde. Ik hield van hem, eens, en ik zoû hem
nu zeggen, dat ik hem begrepen had, dat ik hem vergaf ...
--Frank, wees niet zoo dwaas, zoo dwaas goed! kreet zij uit.
--O, het is geen dwaze goedheid! lachte hij treurig. Het is filozofie.
--Nu dan! riep zij hard, ruw; ik filozofeer niet, ik ben niet dwaas
goed, ik vergeef het hem niet, dat hij een schurk was, dat hij ons
ongelukkig heeft gemaakt, en ik haat hem, ik haat hem, dood als hij is.
Ik haat hem, omdat hij nu, na dat je hem vermoord hebt, nog om ons en in
ons spookt, omdat zijn duivelsche invloed je nu, nu nog van me af wil
rukken. Maar ik zeg je, dat ik het _niet_ wil! schreeuwde zij wanhopig,
opstaande en hem woest omknellend. Ik zeg je, dat ik je niet voor de
tweede maal wil verliezen, ik zweer je, dat ik je hier vast zal blijven
houden in mijne armen als je van me weg wilt gaan, dat ik me tegen je
aan zal drukken, totdat we beiden stikken! Want ik wil niet, dat hij ons
nu nog scheidt, ik haat hem, ik vind het goed, dat je hem vermoord hebt
en als hij nu nog leefde, dan zoû _ik_ het hem doen, hem vermoorden, hem
worgen, hem verworgen!
Hare handen wrongen zich als om eene keel en hare armen sloegen zich om
Frank heen als om eene prooi. Buiten was de lucht zwarter en zwarter
geworden. Hij maakte zich langzaam van haar los, haar steunend, daar hij
voelde, dat zij wankelde in hare overspanning van kracht en moed tot
eene daad. Bleek tuurde zij even met hare holle, grijze oogen naar
buiten, naar het weêr, en zij rilde. Hij voerde haar terug naar de bank,
deed haar zitten, knielde voor haar, haar liefhebbend als nooit,
hartstochtelijk.
--Eve! fluisterde hij.
--O, kijk die wolken! krijschte zij. Het gaat stortregenen.
--Ja, fluisterde hij weêr; maar wat kan het ons schelen: ik hoû van je!
--Ik kan niet tegen dat weêr! kermde zij. Het maakt me benauwd en bang,
o het maakt me zoo bang! Bescherm me, bescherm me, Frank, kom hier ...
Zij trok hem tot zich op de bank, knoopte zijne jas open en drukte zich
tegen hem aan.
--Ik ben bang, Frank, bescherm me, sla je jas om me heen, o God, laat
het niet weêr over me heen komen, ik bid u God, laat het niet weêr
komen!
Ze bad, dat ze niet weêr mocht aanrollen, die hallucinatie van donder.
En zij sloeg om zijn lichaam hare beide armen, zich tegen hem dringend,
als wilde zij in hem kruipen. Zoo bleef ze lang en hij wilde haar juist
innig vast aan zich klemmen, toen zij murmelde, hare vingers wriemelend
in zijn vest:
--Wat is dat, wat heb je hier?
--Wat? vroeg hij, verschrikt.
--Hier in je vestjeszak?
--Niets, een fleschje ... stortterde hij. Druppels voor mijne oogen: ik heb
pijn aan mijne oogen in den laatsten tijd.
Zij haalde het fleschje te voorschijn. Het was een kleine, donkerblauwe
flacon met geslepen stop, zonder etiquette.
--Voor je oogen? sprak ze. Ik wist niet ...
--Ja, toch wel! stotterde hij. Geef het hier, Eve, geef het hier.
Maar zij omklemde het vast in hare beide handen, met een lachje.
--Neen, ik geef het nog niet. Waarom ben je zoo bang: ik zal het niet
breken. Ruikt het? Ik wil het openmaken, maar de stop zit zoo vast.
--Ach ik bid je, Eve, geef het hier! smeekte hij, het zweet parelend op
zijn voorhoofd. Het is niets, het zijn oogdruppels, en het ruikt niet;
je zal er meê morsen en dan geeft het vlakken.