En hoe lang het ook geduurd had, ze waren doorgeschrapt geworden, allen,
de een na den ander, onherroepelijk. Het verleden werd meer en meer het
verleden en moest het blijven: nooit zoû er weêr iets van terugkomen,
het zoû met zijne afgrijselijkheid niet spoken om hen heen, zoo dacht
ze. Zij werd kalmer, hare nervoziteit stilde zich, iets als rust kwam
over haar in heur intens verlangen naar heur toekomst van geluk, want
gelukkig, zoo zoû ze worden, met Frank.
Zij was nu met haar vader terug in Londen, er stil levende, ondanks het
heden, het verleden toch voelende, zich toch bewust, dat het er geweest
was, met zijne ellende en zijne ontzetting. En ook Frank was nu in
Londen, in eene poover bezoldigde betrekking, die van derden opzichter
in eene machinefabriek, de eerste beste betrekking, die hij door
vroegere connecties had kunnen krijgen, ze dadelijk aanpakkend wegens
zijne antecedenten om welke hij niet trotsch mocht zijn ... Later zoû
hij wel iets beters vinden, iets in overeenstemming met zijne
kundigheden. En hij werkte in zijne boeken van vroeger, om zijne
versleten technische kennis te verfrisschen ...
Sir Archibald was oud geworden, kribbig onder aanvallen van rheumatiek,
anders suf turende op zijne heraldische kaarten. Hij had, in Holland
levende om zijne dochter, te lang uit zijn sleur van bekendheid en
gewoonte, zich slechts destijds, nu en dan, als in kindsche driften,
verzet, dat Eve de vrouw van een moordenaar zoû worden: hij stemde nu in
alles toe, schuw van de wereld, zich bemoeiend met niets, rust
verlangend, slechts verlangend niet gestoord te worden in de apathie van
zijn ouderdom. Hij wist niets, oude menschen wisten niets, de kinderen
mochten doen, wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden
toch altijd hun zin ... Zoo mopperde hij nog een beetje tegen, overigens
onverschillig om die zaak, inwendig het goed vindend, dat Eve met Frank
zoû trouwen, omdat Frank, hoewel driftig, toch niet slecht van natuur
was, omdat Eve bezorgd zoû zijn, omdat hijzelf misschien nog wat
gezelligheid in hun huis zoû vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid ...
Frank en Eve ontmoetten elkaâr zelden in de week, want Frank had het
druk, ook des avonds, maar zij zagen elkander geregeld des Zondags. En
Eve had de geheele week om na te denken over dien Zondag, waarop zij hem
gezien had en zij poogde ieder woord, dat hij gezegd had, iederen blik,
dien hij op haar had laten vallen, zich te herinneren. Schatten waren
het, waarvan zij eene week leefde. Zij had hem nog nooit zoo lief gehad
als nu, dat zij eene zwaar neêrdrukkende somberheid in hem ried, die zij
wilde wegwisschen met den grooten troost harer liefde, waarin zich iets
aanbiddelijks van moederlijkheid mengde, alsof hij door zijn leed een
kind was geworden, dat nu aan iets teerderders behoefte zoû hebben dan
aan passie. Had zij hem vroeger liefgehad om de, haar raadselachtige,
bekoring van het contrast tusschen zijne karakterzwakte en zijne
lichaamskracht, het was nu in haar slechts eene hoogere ontwikkeling van
die zelfde bekoring, omdat zij hem, steeds groot en sterk, zoo zwak zag
lijden onder de herinnering aan wat hij doorstaan had, zonder flinkheid
om zich over dat alles heen te zetten en het leven opnieuw te beginnen
... Maar deze zwakte ontmoedigde haar niet in heure hoop op de toekomst;
integendeel, zij had hem lief óm die zwakte, dit zelve zoo vreemd
vindend in haar, het niet begrijpende, en er alleen, droomend, om
glimlachend van geluk ...
Want zij, als vrouw, kon zoo zijn, trots hare aanvallen van nerveuze
hallucinatie, energiek het verleden willen vergeten, dapper de toekomst
te gemoet treden, het geluk naar zich toe dwingen met het mooie geduld
harer lenige volharding. Had al het kwade van het verleden eigenlijk
niet buiten hen beiden om gelegen? Had Frank niet genoeg geboet voor
zijne drift om nu het hoofd te kunnen opbeuren? O, zij zoû weêr geheel
en al gezond worden, zij zoû zich dwingen gezond te worden en alles wat
naar zielsziekte in hèm zweemde, zoû zij genezen ... Zoo hoopte zij
langen, langen tijd, het eerst niet willende zien, dat hij doffer werd
en somberder, dieper en dieper bukkend onder zijne zwaarmoedigheid. Maar
toen, toen moest zij het zien, kon zij het zich niet meer loochenen. Zij
moest het zien, dat hij bij hare glanzige woorden, hel van illuzie, stil
werd, niets meer zeggend, soms even de oogen sluitend met een zucht,
dien hij poogde te dempen. Zij kon het zich niet meer loochenen, dat al
hare hoop in hem slechts den weêrklank van wanhoop wekte. En toen dit
alles eens voor haar duidelijk werd, in eens, gevoelde zij ook, in eens,
geheel hare nervoziteit haar overheerschen, gevoelde zij, dat zijzelve
zeer ziek was, gevoelde zij haren moed, hare hoop, hare illuzies,
zinken, steeds dieper zinken, wegzinkend ... Een alsem van bitterheid
welde, alles vergallend, in haar op; alleen, zonk zij, gebroken, in
woeste smart uitbarstend, op heur bed neêr, het leven vloekend, God
vloekend, radeloos ...