II.

En hoe lang het ook geduurd had, ze waren doorgeschrapt geworden, allen,

de een na den ander, onherroepelijk. Het verleden werd meer en meer het

verleden en moest het blijven: nooit zoû er weêr iets van terugkomen,

het zoû met zijne afgrijselijkheid niet spoken om hen heen, zoo dacht

ze. Zij werd kalmer, hare nervoziteit stilde zich, iets als rust kwam

over haar in heur intens verlangen naar heur toekomst van geluk, want

gelukkig, zoo zoû ze worden, met Frank.

Zij was nu met haar vader terug in Londen, er stil levende, ondanks het

heden, het verleden toch voelende, zich toch bewust, dat het er geweest

was, met zijne ellende en zijne ontzetting. En ook Frank was nu in

Londen, in eene poover bezoldigde betrekking, die van derden opzichter

in eene machinefabriek, de eerste beste betrekking, die hij door

vroegere connecties had kunnen krijgen, ze dadelijk aanpakkend wegens

zijne antecedenten om welke hij niet trotsch mocht zijn ... Later zoû

hij wel iets beters vinden, iets in overeenstemming met zijne

kundigheden. En hij werkte in zijne boeken van vroeger, om zijne

versleten technische kennis te verfrisschen ...

Sir Archibald was oud geworden, kribbig onder aanvallen van rheumatiek,

anders suf turende op zijne heraldische kaarten. Hij had, in Holland

levende om zijne dochter, te lang uit zijn sleur van bekendheid en

gewoonte, zich slechts destijds, nu en dan, als in kindsche driften,

verzet, dat Eve de vrouw van een moordenaar zoû worden: hij stemde nu in

alles toe, schuw van de wereld, zich bemoeiend met niets, rust

verlangend, slechts verlangend niet gestoord te worden in de apathie van

zijn ouderdom. Hij wist niets, oude menschen wisten niets, de kinderen

mochten doen, wat ze wilden: ze wisten het toch altijd beter en deden

toch altijd hun zin ... Zoo mopperde hij nog een beetje tegen, overigens

onverschillig om die zaak, inwendig het goed vindend, dat Eve met Frank

zoû trouwen, omdat Frank, hoewel driftig, toch niet slecht van natuur

was, omdat Eve bezorgd zoû zijn, omdat hijzelf misschien nog wat

gezelligheid in hun huis zoû vinden, ja, ja, nog wat gezelligheid ...

Frank en Eve ontmoetten elkaâr zelden in de week, want Frank had het

druk, ook des avonds, maar zij zagen elkander geregeld des Zondags. En

Eve had de geheele week om na te denken over dien Zondag, waarop zij hem

gezien had en zij poogde ieder woord, dat hij gezegd had, iederen blik,

dien hij op haar had laten vallen, zich te herinneren. Schatten waren

het, waarvan zij eene week leefde. Zij had hem nog nooit zoo lief gehad

als nu, dat zij eene zwaar neêrdrukkende somberheid in hem ried, die zij

wilde wegwisschen met den grooten troost harer liefde, waarin zich iets

aanbiddelijks van moederlijkheid mengde, alsof hij door zijn leed een

kind was geworden, dat nu aan iets teerderders behoefte zoû hebben dan

aan passie. Had zij hem vroeger liefgehad om de, haar raadselachtige,

bekoring van het contrast tusschen zijne karakterzwakte en zijne

lichaamskracht, het was nu in haar slechts eene hoogere ontwikkeling van

die zelfde bekoring, omdat zij hem, steeds groot en sterk, zoo zwak zag

lijden onder de herinnering aan wat hij doorstaan had, zonder flinkheid

om zich over dat alles heen te zetten en het leven opnieuw te beginnen

... Maar deze zwakte ontmoedigde haar niet in heure hoop op de toekomst;

integendeel, zij had hem lief óm die zwakte, dit zelve zoo vreemd

vindend in haar, het niet begrijpende, en er alleen, droomend, om

glimlachend van geluk ...

Want zij, als vrouw, kon zoo zijn, trots hare aanvallen van nerveuze

hallucinatie, energiek het verleden willen vergeten, dapper de toekomst

te gemoet treden, het geluk naar zich toe dwingen met het mooie geduld

harer lenige volharding. Had al het kwade van het verleden eigenlijk

niet buiten hen beiden om gelegen? Had Frank niet genoeg geboet voor

zijne drift om nu het hoofd te kunnen opbeuren? O, zij zoû weêr geheel

en al gezond worden, zij zoû zich dwingen gezond te worden en alles wat

naar zielsziekte in hèm zweemde, zoû zij genezen ... Zoo hoopte zij

langen, langen tijd, het eerst niet willende zien, dat hij doffer werd

en somberder, dieper en dieper bukkend onder zijne zwaarmoedigheid. Maar

toen, toen moest zij het zien, kon zij het zich niet meer loochenen. Zij

moest het zien, dat hij bij hare glanzige woorden, hel van illuzie, stil

werd, niets meer zeggend, soms even de oogen sluitend met een zucht,

dien hij poogde te dempen. Zij kon het zich niet meer loochenen, dat al

hare hoop in hem slechts den weêrklank van wanhoop wekte. En toen dit

alles eens voor haar duidelijk werd, in eens, gevoelde zij ook, in eens,

geheel hare nervoziteit haar overheerschen, gevoelde zij, dat zijzelve

zeer ziek was, gevoelde zij haren moed, hare hoop, hare illuzies,

zinken, steeds dieper zinken, wegzinkend ... Een alsem van bitterheid

welde, alles vergallend, in haar op; alleen, zonk zij, gebroken, in

woeste smart uitbarstend, op heur bed neêr, het leven vloekend, God

vloekend, radeloos ...

Noodlot · 第 46 / 48 题