--Het zijn geen oogdruppels en je hebt geen pijn aan je oogen! sprak ze
vast.
--Ja, heusch ...
--Neen, je jokt! Het is ... het is iets anders, nietwaar?
Hij antwoordde haar niet, zeer bleek.
--Geef het hier, Eve! vleide hij.
--Werkt het gauw? vroeg ze weêr.
--Eve, ik wil het, geef het hier! knarste hij nu driftig, woedend,
radeloos.
Hij omvatte haar, wilde hare polsen grijpen, maar omknelde slechts hare
eene leêge hand, want heur andere slingerde vlug den flacon, over hem
heen, op den grond. Het weêrklonk er met een hoogen toon, als van
kristal, dat springt. En voor hij had kunnen opstaan, omhelsde zij hem
weer, vast, geheel in hare armen, drukte zij hem neer in de kussens der
bank.
--Laat het, lispelde zij glimlachend. Het is gebroken. Ik heb het voor
je gebroken. Zeg me, waarom droeg je dat bij je?
--Het is niet wat je denkt! verdedigde hij zich nog.
--Het is wel. Waarom droeg je het bij je?
Hij zweeg een pooze. Toen, zich overgevend in hare omhelzing:
--Om in te nemen ... als het uit tusschen ons was geweest, van avond,
bijvoorbeeld.
--En nu zal je het dus niet meer doen?
--Misschien ... ik kan een ander fleschje zien te koopen, lachte hij
somber.
--En waarom moet het uit tusschen ons zijn?
Hij werd eensklaps ernstig, zonder spot meer over dood of leven.
--Om jou, mijn engel. Om jouw geluk. Ik bid je, láat het uit zijn. Laat
me je niet langer ongelukkig hoeven te maken. Jij kan nog gelukkig
worden. Maar ik, ik voel, dat ik alles in mij mis om gelukkig te zijn en
geluk put men alleen uit zichzelven.
--En je gelooft, dat ik je nu van me zoû laten weggaan, nadat je me zoo
even gezegd hebt, wat je dan zoû doen, des avonds?
--Neem het dan zoo niet op, dat het zoû zijn om jouw verlies. Ik liep al
lang met dat ding in mijn zak. Ik dacht dikwijls het te doen, maar dan
dacht ik aan jou en dan was ik er te zwak toe, want ik weet, dat je van
me houdt, o te veel!
--Niets te veel, ik heb geleefd door jou, zonder jou had ik nooit
geleefd.
--Zonder mij hadt je misschien met een ander geleefd, gelukkiger.
--Neen, nooit met een ander ... Dat kon niet, met een ander. Ik moest
met jou leven. Het was het Noodlot ...
--Ja, het Noodlot, zoû Bertie zeggen.
--Spreek niet van Bertie ...
Het kletterde tegen de ruiten aan, een zondvloed van rechte stroomen.
--Altijd die regen! murmelde zij bang.
--Ja, altijd! herhaalde hij onwillekeurig.
Zij huiverde, zag hem aan.
--Waarom zeg je dat? vroeg ze scherp.
--Ik weet het niet, antwoordde hij verwonderd, verward. Ik weet het
heusch niet. Wat heb ik dan gezegd?
Zij zwegen weêr. Toen sprak ze:
--Frank ...
--Lieveling ...
--Ik wil niet meer van je scheiden. Zelfs vandaag niet. Ik zal voortaan
zoo bang voor je zijn.
--Laat het uit zijn, kind.
--Neen, neen. Hoor. Laten we bij elkaâr blijven. Altijd, altijd. Laten
we nu met elkaâr gaan slapen, terwijl het regent.
--Eve ...
--Met elkaâr. Je zegt immers, dat je in je alles mist om gelukkig te
worden en dat je toch het geluk uit jezelven moet putten. Nu, zoo is het
ook met mij. En toch houden we zooveel van elkaâr, nietwaar?
--O ja ...
--Nu, waarom zouden we dan blijven waken, in dit akelige leven. Het
regent altijd door. Geef me een zoen, Frank, een nachtzoen, en laten we
gaan slapen, terwijl het regent. Laat me in je armen slapen ...
--Eve, wat meen je?! vroeg hij hol, want hij begreep haar niet.
--Het fleschje heb ik gebroken, gebroken voor jou! ging zij vreemd
voort. Maar je zoû immers een ander zien te koopen?
Een ijskoude drong hem, als bevriezend, door zijn merg.
--God, Eve, wat wil je? vroeg hij sidderend.
Maar zij lachte hem rustig tegen, zeer kalm, met zacht stralende, stille
oogen. En zij omvatte hem in hare armen.
--Samen met je sterven, lieveling! fluisterde zij, als verklaard van
geluk. Wat kan ons het leven nog schelen! Je hebt gelijk: jij zal nooit
meer gelukkig kunnen worden en ik zal het niet worden naast jou. En ik
wil je niet verliezen ook, omdat je mijn alles bent. Hoe dus te leven en
waarom te leven? Maar samen, o Frank, samen met elkaâr dood te gaan, in
elkanders armen, op je mond te sterven, o, is dat niet het hoogste
geluk! Een zacht vergift, Frank, niets pijnlijks. Iets zachts en het dan
samen te drinken en elkaâr vast te omhelzen en dan dood te gaan, dood te
gaan, dood te gaan ...
Maar hij huiverde van ontzetting.
--Neen, Eve, neen! riep hij uit. Dat mag je niet willen, dat kan je niet
willen! Ik verbied het je ...
--O, verbied het me niet! smeekte zij, op den grond vallend en zijne knieën
omhelzend. Laten we het samen doen. Het zal heerlijk zijn. Het zal roze en
zilver en goud om ons zijn, als een zonsondergang. O, kan je je iets
verbeelden wat zaliger zoû wezen? Frank, Frank, het is het Geluk, het
Geluk, waar we naar zochten, waar ieder naar zoekt op de wereld! Het Geluk
is: samen, van elkaâr houdend, met elkaâr te sterven! Het is het paradijs,
de hemel, Frank!!!
Hij voelde niet de verheerlijking van hare extaze, maar hare woorden
lokten hem als met de belofte van eene korte zoetheid des levens, en van
eene ontzachlijk lange rust des doods. En hij vond niets meer om haar te
weêrspreken, niets meer om haar terug te houden in de hemelvaart harer
gedachte; alleen dacht hij nog slechts aan het gemis van alle middel,
daar het gebroken was ...
Maar Eve was opgestaan, magnetisch gedwongen te gaan naar de plek, waar
het fleschje gevallen was. Zij bukte zich, en zij raapte het op. Het was
gevallen op de afhangende plooien van een gordijn; het was niet
gebroken, slechts gebarsten. Maar er was geen druppel uit gestort.
--Frank! gilde zij, in hare opzweving van extaze. Frank, zie, het _is_
niet gebroken, het is heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft
willen laten breken!
Hij was opgestaan, rillend van de ijskoude in hem. Maar zij, ze had
reeds den stop afgerukt, ze dronk het half uit, met een glimlach van
waanzin en geluk.
--Eve!!! schreeuwde hij. Maar rustig steeds glimlachend, reikte zij het
hem over. Hij zag haar eene pooze aan en het werd hem alsof zij beiden
reeds niet meer op de wereld waren, alsof zij in eene sfeer vol vreemde
natuurwetten zweefden, waarin vreemde dingen zouden gebeuren. Het kwam
in hem op, of de wereld nu vergaan zoû, in dien stortregen, daarbuiten.
Maar hij zag, dat ze wachtte, met haar glimlach, en toen dronk hij ...
* * * * *
Het was geheel donker geworden, en zij lagen in dat donker in elkanders
armen, op de bank. Hij was dood. Zij richtte zich even op, stervend,
doodsbang voor den storm die buiten loeide, en den storm, die loeide in
haar eigen doorgiftigd lichaam. Het weêrlichtte schel wit en het
donderde dadelijk na. Maar boven dien donder uit, hooger, kwam, voor
Eve, van heel ver, een donder aanrollen, áanrollen ... zwaarder, steeds
zwaarder, als een bovenwereldlijke donder, op raderen van sferen ...
--Daar komt het aan! stamelde zij, in de ontzetting van den dood. O,
God, daar dondert het aan!!
En ze zonk, kronkelend, op het lichaam onder haar neêr, wegschuilend in
de los geknoopte jas, daar stervend.
Toen sleepte een tred, buiten het stikduistere vertrek, door den
corridor, nader en nader: de knorrige stem van een ouden man riep twee-,
driemaal Eve's naam; eene hand draaide de deur open.
_Den Haag, Mei_ '90.