I.

Na dien dag van ontzetting twee volle jaren lang een leven van stil leed

voor hen beiden, ieder lijdend in zichzelven, gescheiden als zij waren,

met slechts nu en dan de bittere zoetheid van een kort samenzijn,

wanneer zij hem daar opzocht, waar hij die twee jaren sleet, langen dag

na langen dag doorsleet; in de strafgevangenis der duinen. Want als een

slaapwandelaar had hij dien vreeselijken dag zichzelven aangegeven op

het commissariaat van politie te Scheveningen, had hij zich laten

brengen naar het Huis van Bewaring, had hij zijne "zaak" doorgemaakt ...

Zes weken had ze geduurd--een kort verloop, zoo troostte zijn advocaat

hem er meê, omdat er geen duisterheden in op te sporen waren, omdat de

moord glashelder was te bewijzen als de onopzettelijke doodelijke afloop

eener mishandeling, zooals bleek uit het getuigenis van Miss Rhodes, die

verklaard had, dat de schuldige zelf eerst niet geweten had zijn vriend

vermoord te hebben, dat hij hem vlak na den moord nog twee-, driemaal

geschopt had, om hem te doen opstaan, slechts geloovende aan eene

flauwte, dit alles gebeurd zijnde in hàar bijzijn. En de zaak was door

de sympathie van het publiek nagevolgd, toen de omkoop der brieven aan

den dag kwam, na het getuigenis van Sir Archibald en zijne dochter, na

het getuigenis ook van William, die langs diplomatieken weg was

genoodzaakt over te komen. Er waren geen moeilijkheden, in die zes weken

liep alles geleidelijk af. Frank kreeg twee jaar, en kwam niet in hooger

beroep.

Hij had ze in een wakenden droom van doffe naargeestigheid dag na dag

doorgesleten, met telkens, o telkens weêr opdoemend, dat spooksel van

dien verwrongen romp en de afzichtelijkheid van het, door vuistslagen

vermorzelde, wanhoopsmasker, voor oogen. Hij had het spooksel voelen

glijden over de bladen van zijn boek, als hij poogde te lezen, door de

letters van zijn handschrift, als hij poogde te schrijven: wat wist hij

nauwlijks zelf, brokstukken van eene reisbeschrijving over Amerika en

Australië, troostelooze bezigheid, pijnlijk, omdat ieder woord hem den

vermoorde herdenken deed, die toch ook dat alles had meêgeleefd. Deed

hij dan niets, zich somber verdroomend, turende uit zijn cellevenster,

dan zag hij, vlak voor zijn oog, op wat afstand, nauwlijks verte, de

villa, waar zij samen gewoond hadden, en waar het gebeurd was, zag hij

soms een stuk ovaal der zee, als een grijze schemering, en het was hem

of hij den zilten geur rook, zooals hij dien had geroken, toen hij daar

gezeten had, uren lang, met de beenen op de balustrade, zij, in zijn

bereik, zonder dat hij het bewust was, hun noodlot ieder oogenblik hen

naderend, onafwendbaar. En zoo was het nooit van hem af geweest, als

eene obsessie.

Eve had haar vader gesmeekt, gedurende dien ongelukkigen tijd in Den

Haag te blijven en Sir Archibald had toegegeven, vreezende voor zijne

dochter, wier vroegere lieve gelijkmoedigheid verward was geworden door

eene trillende nervoziteit, die haar afmattede met hallucinaties, met

droomen van donder en bloed. Zoo had zij, wonende in het Van-Stolpark,

van tijd tot tijd Frank kunnen gaan bezoeken, iederen keer, dat zij hem

gezien had zenuwachtiger thuis komende, troosteloos om zijne doffe

zwaarmoedigheid, hoewel hij toch van hoop en toekomst sprak, voor later,

later als hij vrij was ... Zijzelve hoopte zeer, leefde alleen van haar

hoop, hare nervoziteit dwingend onder het juk van haar geduld, van haar

vertrouwen op veel moois, dat later in haar leven zoû komen, later, als

hij vrij was. Een nieuw leven, een nieuw leven! jubelde het in haar op,

een frisch geluk, geluk, o God, geluk! Zij begreep zelve niet, hoe zij

nog hopen kon, nadat zij het leven en den mensen had leeren kennen,

nadat zij bijgewoond had, wat zij had bijgewoond, maar zij wilde daar

niet over nadenken en in de verte zag zij alles mooi en goed ... Hare

hallucinaties zelve schokten hare hoop niet: hoewel rillende, wendde zij

aan ze, als aan periodiek terugkomende hersenziekten, die weer van zelve

genezen. En zij kon zelfs glimlachen, droomend in den lichten avondglans

van eene zomerlucht vol sterren, met haar almanakje in de hand, waarin

zij iederen dag, die verliep, des avonds met een gouden potloodje,--dat

zij er voor gekocht had, dat zij nergens anders voor gebruikte, dat hing

aan haar armband,--doorschrapte met eene blijde streep, die haar die

mooie toekomst nader bracht. En zelfs liet zij de dagen wel eens

verloopen, zonder ze af te schrappen, om de zoetheid te smaken na eene

week zes of zeven blijde streepjes achter elkaâr te kunnen zetten,

achter elkaâr, in hare weelde van verwachting ...

Noodlot · 第 45 / 48 题