V.

Plotseling schrikte hij echter op.

--Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?

--Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van

donder.

--Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter

nieuwsgierigheid om ze te lezen?

--Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt.

Neen, neen ...

--Geloof je dan, dat hij er belang bij had ...

--Ja ...

--Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet

schreef?

--Misschien handelde hij ...

--Wat Eve?

--Voor een ander.

--Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er

belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?

Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer

angstig voor wat zij hem vragen ging.

--Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.

--Neen.

--Wist niemand van je brieven af?

--Alleen Bertie.

--O, alleen Bertie! sprak zij dof.

--Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de

onmogelijkheid zijner voorstelling.

--Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ...

--Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?

Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan,

rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij

sprak:

--Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen

dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik

vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je

weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat

jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is

nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We

spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en

toen scheen het mij, dat Bertie ...

--Dat Bertie ...?

--Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet

het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me

op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik

meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons

hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk,

eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet

moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat

in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet

moesten trouwen.

Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid

des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de

hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder

te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van

hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde

woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij

herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de

wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...?

En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos

milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds

gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij

zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne

vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene

onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een

ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft:

dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover

hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.

--Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij

niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de

geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:

--Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom

heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt,

later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.

Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde

hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets

bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat

nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo

onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê

zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!

Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der

waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen,

en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ...

--Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ...

--Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!

--Ja ...

--Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij

weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er

met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank,

laat hem, ga niet naar hem toe.

--Jawel Eve, ik moet het hem vragen ...

--Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet!

Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne

gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij

zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.

--Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch

vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.

--Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ...

--Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne

liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.

--Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.

Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen,

geheel zijn gelaat.

--Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ...

--Tot straks! sprak hij.

Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als

zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve

en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot

eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader

aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir

Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich

haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ...

Buiten stortregende het.

Noodlot · 第 42 / 48 题