Plotseling schrikte hij echter op.
--Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?
--Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van
donder.
--Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter
nieuwsgierigheid om ze te lezen?
--Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt.
Neen, neen ...
--Geloof je dan, dat hij er belang bij had ...
--Ja ...
--Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet
schreef?
--Misschien handelde hij ...
--Wat Eve?
--Voor een ander.
--Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er
belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?
Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer
angstig voor wat zij hem vragen ging.
--Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.
--Neen.
--Wist niemand van je brieven af?
--Alleen Bertie.
--O, alleen Bertie! sprak zij dof.
--Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de
onmogelijkheid zijner voorstelling.
--Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ...
--Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?
Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan,
rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij
sprak:
--Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen
dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik
vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je
weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat
jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is
nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We
spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en
toen scheen het mij, dat Bertie ...
--Dat Bertie ...?
--Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet
het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me
op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik
meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons
hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk,
eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet
moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat
in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet
moesten trouwen.
Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid
des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de
hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder
te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van
hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde
woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij
herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de
wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...?
En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos
milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds
gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij
zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne
vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene
onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een
ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft:
dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover
hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.
--Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij
niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de
geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:
--Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom
heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt,
later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.
Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde
hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets
bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat
nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo
onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê
zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!
Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der
waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen,
en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ...
--Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ...
--Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!
--Ja ...
--Is hij hier! O, ik had niet meer aan hem gedacht ... Ik dacht, dat hij
weg was, ver weg, misschien wel dood. Het kon me niet schelen, wat er
met hem gebeurd was ... O God, is hij hier!! Frank, ik smeek, je, Frank,
laat hem, ga niet naar hem toe.
--Jawel Eve, ik moet het hem vragen ...
--Frank, o Frank, o God ga niet! Ik ben bang, ik ben bang ... Ga niet!
Hij zoende haar met zijn zacht treurigen glimlach, zweemend onder zijne
gouden snor, met zijne zachte somberheid in zijne trouwe oogen; hij
zoende haar zacht, zeer zacht, om haar gerust te stellen.
--Wees niet bang, lieveling. Ik zal kalm zijn. Maar ik moet het hem toch
vragen, nietwaar. Wacht me hier. Ik kom van avond terug.
--Zal je heusch kalm zijn? O, ga liever niet ...
--Ik beloof het je, ik zal heel kalm, héel kalm zijn ... Met zijne
liefste innigheid omhelsde hij haar, vast, vast.
--Je bent dus weêr van mij? vroeg hij.
Zij sloeg heur armen om zijn hals en kuste zijn mond, zijne oogen,
geheel zijn gelaat.
--Ja, antwoordde ze. Ik ben weêr van jou ... Doe met me, wat je wilt ...
--Tot straks! sprak hij.
Toen ging hij. Alleen gebleven, zag zij huiverend om zich heen, als
zocht ze naar iets waarvoor ze vreesde. Ze was zeer bang voor zichzelve
en voor Frank, vooral voor Frank. In eene seconde rees haar angst tot
eene onduldbare ontzetting. In den corridor hoorde zij haar vader
aankomen: ze herkende zijn slependen tred. Het was haar onmogelijk Sir
Archibald thans te zien; zij greep een regenmantel, wikkelde er zich
haastig in, trok den capuchon over heur hoofd en ijlde weg ...
Buiten stortregende het.