Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was
gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den
schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte
veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter
verdediging en ... dat zij niet konden.
--Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen.
Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen
rieten stoel, roerloos.
--Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar
naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een
paar weken waren ...
Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het
zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank
staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ...
Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen
doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de
matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den
tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half
liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de
leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik
eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En
zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in
die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten,
spoedig ...
--Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen
geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door
William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van?
Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er
van smeekte.
--Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan
jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren?
--Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar.
--Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne
spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet
anders. Spreek op ...
Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg.
Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat
er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het
gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat
datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was,
onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû
gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij
ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was
als hij was en dat alles was als het was ...
--Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ...
--Wat weet je?
--Ik was het, die ...
--Die wat ...
--Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen.
Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen,
het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer,
vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.
--Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond
Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.
--Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is
te vreeselijk!
Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:
--Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou
zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je
het haast?
--Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.
--Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ...
--Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als
je trouwde ... Ik hield van je en ... en ...
--Spreek op, je hieldt van me en toen ...
--En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr
te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank,
hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos
wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O
God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je
nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles
weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik
kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn
... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan
doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was
zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of
niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je
wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan
... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me
je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ... _Ik_ deed
Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, _ik_ maakte, dat ze aan je
twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hield
_ik_ tegen ... _Ik_ deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om
veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar
ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me
niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer
het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel
vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof
toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je
hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je
zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je
gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet
weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte
met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het
niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ...
--Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij
vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk!
Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde
hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen,
hatelijk lachte.
Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte
door.
--O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een
mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid,
zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik
liever anders zoû zijn ... Maar kan _ik_ er iets aan doen, dat ik zoo
ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het
te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo
word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat
heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht,
geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit,
noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo
doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders
te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik
veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank
...
--Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat
voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al
begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik
begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele
leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je
een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter
plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk,
ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem
omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!
--Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij
zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem,
schudde hem.
--Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met
_mijn_ geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!
--Ja ...
--Met mijn geld!
--Ja, ja, ja!
Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar
gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ...
Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even.
O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij
begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet
begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild
beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was
wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.
Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.
--Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je
te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht
met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten
dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er
voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te
koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom
wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt!
Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door
jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me
niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had.
En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten
drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb
niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen
dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn
hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en
zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet,
dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja
voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor
me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog
ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk,
begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat
ik je hààt?!!
Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden
uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of
alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had
zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen
kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in
zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de
vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof
Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht
zoû gespuwd hebben.
--Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets
meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.
Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet
menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde,
stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk
tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de
keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het
midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op
hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne
linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als
een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-,
driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat
hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie.
En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer,
brieschend.
--Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ...
En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar
... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn
voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op
metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood:
purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor
zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van
bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van
zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als
vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend,
draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen
krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr
snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om
den hals van het masker ...
Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas
van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het
bewegelijk levende harer verschijning.
--Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt
hem!
Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg
te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich
in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.
--Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik
was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je
Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij
er uitziet!
Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest
zich vasthouden aan een meubel.
--Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem
nog eens, nog eens ...
Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den
mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.
--Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In
Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!
--Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan!
Sta op, ellendeling, gauw, sta op ...
Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan.
Maar Bertie bleef liggen.
--God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het
lichaam. Zie je het dan niet!!
Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van
rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de
beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in
zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en
groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte
uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker
vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog
was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit
zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen
zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij
beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene
afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ...
Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die
afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een
looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos,
eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan
het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien
ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij
was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar
oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank
geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.
--Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je
hebt hem vermoord ...!
Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij
zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in
hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een
afgrond stortte, in een afgrond van bloed.
--Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver
weggaan, laten we vluchten!
--Is hij dood? vroeg hij wezenloos.
Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke
dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde,
voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen
sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen
zoû:
--Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...?
Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te
vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne
verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en
wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.
--Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten
wilde.
--Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier.
Blijf bij hem waken. Ik kom terug ...
En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst
van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare
trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag
zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen,
verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn,
die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem
hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster
openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ...
Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der
ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe
wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen
neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend
gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen
heen ...
Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte.
De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst
gevoeld heb!...! O God, help, help ...
En zij stortte neêr op den grond, flauw.