VI.

Frank vond Bertie thuis. En Bertie zag het aanstonds, dat het was

gekomen, zag het aan Franks vertrokken gelaat, hoorde het aan den

schorren klank zijner stem. En tegelijk voelde hij, dat de verslapte

veeren zijner wilskracht zich wilden spannen, in wanhoop, ter

verdediging en ... dat zij niet konden.

--Bertie, begon Frank. Ik moet je spreken, ik moet je iets vragen.

Bertie zweeg. Zijne beenen trilden en hij bleef zitten, in een ruimen

rieten stoel, roerloos.

--Ik heb daar straks Eve ontmoet, ging Frank voort, en ik ben met haar

naar haar vader geweest. Sir Archibald vertelde me, dat ze hier al een

paar weken waren ...

Bertie bleef zwijgen, op hem starende met zijne zwarte oogen, en het

zwarte diamant er van werd vuil troebel van angst. Voor hem bleef Frank

staan en hij streek nu met zijne hand over het voorhoofd, verward ...

Hij had eerst logisch een verhaal en daarna, kalmweg, eene vraag willen

doen, maar iets wat hij niet had kunnen beschrijven, ergerde hem in de

matte poesenhouding van Bertie, ergerde hem voor het eerst in al den

tijd, dien zij elkander kenden. Het ergerde hem, dat Bertie daar half

liggen bleef, kwijnend bevallig, zijne mooie hand afhangende op de

leuning van den stoel, en hij zag niet, dat die houding op dit oogenblik

eene pose was om eene, al te overmeesterende, aandoening te verhelen. En

zijn wensch om logisch te verhalen en te vragen versmolt eensklaps in

die ergernis en liet het hevig verlangen opsuizen spoedig te weten,

spoedig ...

--Hoor eens, Bertie. Je weet wel die brieven, die ik vroeger in Londen

geschreven heb ... Eve vertelde me, dat ze achter zijn gehouden door

William, hun knecht ... Weet jij daar ook iets van?

Bertie zweeg, maar zijn oog hing steeds aan Frank en de troebele blik er

van smeekte.

--Niemand wist iets van het bestaan van die brieven af, dan jij ... Kan

jij dus ook vermoeden welk belang William er bij had ze te verduisteren?

--Neen, hoe zoû ik ... murmelde Bertie half hoorbaar.

--Kom allons, spreek op! ging Frank ruw voort en hij trilde in al zijne

spieren. Het kan niet anders of je moet er iets van weten, het kan niet

anders. Spreek op ...

Alle wil tot verdediging vloeide in de kracht van Franks stem weg.

Nauwelijks ook bespeurde Bertie eenige nieuwsgierigheid in zich naar wat

er had moeten voorvallen om William te verraden. En hij voelde dat het

gemakkelijk zoû zijn zich geheel en al te geven, zonder veinzerij, omdat

datgene, waar hij weken lang voor gevreesd had, nu toch gekomen was,

onherroepelijk noodlottig; omdat wat er verder gebeuren zoû, zoû

gebeuren, onherroepelijk noodlottig ... En in die zwakte gevoelde hij

ook een vreeselijken weemoed, eene hopelooze treurigheid, dat hij was

als hij was en dat alles was als het was ...

--Nu dan: ja ... fluisterde hij, doodmoê. Ik weet het ...

--Wat weet je?

--Ik was het, die ...

--Die wat ...

--Die William omkocht ... om die brieven niet binnen te brengen.

Verbijsterd bleef Frank hem aankijken, een nevel trok over zijne oogen,

het duizelde om hem heen: hij wist niets meer, begreep niet meer,

vergetend, dat even te voren de waarheid door hem heen gebliksemd had.

--Jij!... Jij!... stamelde hij. Mijn God, waarom? Waarom? Toen stond

Bertie wankelend op en hij snikte, snikte luid.

--Omdat ... omdat ... ik weet het niet, ik kan het niet zeggen, het is

te vreeselijk!

Maar Frank greep hem bij de schouders, schudde hem en heesch brulde hij:

--Vervloekte fielt, wil je het nou zeggen, waarom? Wil je het nou

zeggen, waarom? Of moet ik het je uit je lijf trappen? Waarom? Zeg je

het haast?

--Omdat ... omdat ... snikte Bertie, wringend zijne witte handen.

--Zeg het, voor den dag er meê, zeg het ...

--Omdat ik bij je woû blijven, en omdàt ik niet bij je kon blijven als

je trouwde ... Ik hield van je en ... en ...

--Spreek op, je hieldt van me en toen ...

--En je was zoo goed voor me, je gaf me alles, ik zag er tegen op, weêr

te zwoegen met het leven; ik had het zoo heerlijk bij je. Frank, Frank,

hoor naar me, laat me even uitspreken, voor je iets zegt, voor je boos

wordt; laat het me je verklaren, veroordeel me niet, voor je weet ... O

God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat het me je

nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóor dat je alles

weet, àlles ... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik

kan het niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn

... En ik heb gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan

doen, ik werd er toe gedwongen, door machten buiten me. O Frank, ik was

zoo zwak, zoo moê en ik rustte bij je uit en, o je mag het gelooven of

niet, ik hield van je, ik verafgoodde je ... En je woû me van je

wegjagen om me weêr te laten zwoegen ... Toen, toen heb ik het gedaan

... O, God, toen heb ik het gedaan ... Hoor naar me, Frank, laat het me

je zeggen, het moet er nu uit, het mòet er uit, in eens ... _Ik_ deed

Eve gelooven, dat je niet van haar hieldt, _ik_ maakte, dat ze aan je

twijfelde, dat het àf werd tusschen jullie ... De brieven, later, hield

_ik_ tegen ... _Ik_ deed alles, àlles, Frank, en ik heb me er om

veracht, terwijl ik het deed, omdat ik niet anders was, dàn ik was. Maar

ik kon er niets aan doen, ik was nu eenmaal zóo ... O je begrijpt me

niet, ik ben zoo gecompliceerd, dat je dat niet begrijpt, maar probeer

het even te begrijpen en dan zàl je me begrijpen en misschien wel

vergeven, Frank, misschien wel vergeven óok ... O ik bid je, gelóof

toch, dat niet alles egoïsme in me is, en dat ik veel, zielsveel van je

hoû, zooveel als een man bijna nooit van een anderen man houdt, omdat je

zoo goed voor me was ... Ik zal het je bewijzen: ben ik niet bij je

gebleven, toen je in Amerika al je geld verloor? Was ik toen niet

weggeloopen, als ik egoïst was geweest? Maar ik bleef bij je, ik werkte

met je samen en we deelden alles en we waren gelukkig. O, waarom is het

niet zoo gebleven ... Nu heb je haar ontmoet, en nu ...

--Heb je genoeg geraaskald! brieschte Frank. Jij deed het dus, jij

vernietigde alles wat mooi in mijn leven was!! God, hoe is het mogelijk!

Neen, je hebt gelijk, ik begrijp je niet, ik begrijp dat niet! eindigde

hij, terwijl hij, rood van opstijgend bloed, met uitpuilende oogen,

hatelijk lachte.

Sidderend was Bertie op den grond neêrgevallen en hij snikte, snikte

door.

--O, probéer dan even te begrijpen! smeekte hij. Probeer dan even een

mensch te zien, zooals hij is, in al zijne troostelooze naaktheid,

zonder conventioneele mooiigheid er om heen! O God, ik zwéér je, dat ik

liever anders zoû zijn ... Maar kan _ik_ er iets aan doen, dat ik zoo

ben? Ik word geboren, zonder het te vragen; ik krijg hersens, zonder het

te willen; ik denk, en ik denk anders dan ik zoû willen denken, en zoo

word ik geslingerd door het leven, als een bal, als een bal ... En wat

heb ik in dat geslinger om me in evenwicht te houden ... Wilskracht,

geestkracht? Ik weet niet of jij zoo iets hebt! maar ik heb nooit,

noóit, nóoit zoo iets in me gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het zoo

doen, omdat ik het niet anders kan doen, want al is de wil in me anders

te doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik

veracht mezelven, gelóof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me, Frank

...

--Je raaskalt! bulkte Frank. Je bent krankzinnig. Ik weet niet wat dat

voor woorden zijn, ik begrijp daar op dit oogenblik niets van en al

begreep ik het, zoû ik het op dit oogenblik niet willen begrijpen. Ik

begrijp alleen dit, dat je mijn alles vergooid hebt, dat je mijn geheele

leven tot niets waard hebt gemaakt, en dat je een schurk bent omdat je

een knecht hebt omgekocht mijne brieven achterbaks te houden, uit louter

plat gemeen, onpeilbaar gemeen egoïsme. Omgekocht!! Zeg schurk,

ellendeling, laffeling ... omgekocht ... God, waarmeê heb je hem

omgekocht?! Zeg het, waarmeê, waarmeê?!

--Met ... met ... stamelde Bertie, verschrikt, want Frank had hem bij

zijn vest gepakt, terwijl hij half op den grond lag en schudde hem,

schudde hem.

--Voor den donder, ellendeling, heb je hem omgekocht met mijn geld, met

_mijn_ geld! Zeg het, zeg het, of ik trap het uit je!

--Ja ...

--Met mijn geld!

--Ja, ja, ja!

Frank wierp hem van zich af, met een kreet van minachting, een zwaar

gekrijsch van viesch zijn over zoo iets ...

Maar het was in Bertie eene reactie na zijne deêmoedigheid van zoo even.

O, de wereld was dom, de menschen waren dom, Frank was dom, want hij

begreep niet, dat een individu was, als hij was, hij kon dat niet

begrijpen, hij brulde in zijne barbaarsche woede door als een wild

beest, gedachteloos, hersenloos. En hij, Bertie, hàd hersenen. Het was

wel gelukkiger er geen te hebben! O, hij benijdde Frank om dat gemis.

Hij richtte zich van den grond op, in eens, met ééne beweging.

--Ja dan, ja, ja! tergde hij sissend. Als je het niet begrijpt, als je

te stom bent om het te begrijpen, ja dan, ja, ja! Ik heb hem omgekocht

met jouw geld, dat je zoo goed was me er voor te geven, en den laatsten

dag nog, toen we weggingen uit Londen, heb je me nog honderd pond er

voor gegeven, om hem om te koopen, herinner je je maar, om William om te

koopen!! Je begrijpt niets, hè, je begrijpt niets! Je bent een stom

wild beest, zonder hersens! En ik benijd je, dat je geen hersens hebt!

Vroeger had ik er ook geen, en weet je hoe ik er aan gekomen ben? Door

jou! Vroeger zwoegde ik en werkte ik en ik dacht niet na en het kon me

niet schelen, ik at als ik wat had, en ik leed honger, als ik niets had.

En ik was gelukkig! En jij, jij hebt me lekker laten eten en wijn laten

drinken en je hebt me aangekleed en ik had niet te werken, en ik heb

niets gedaan dan denken, denken, in mijn misselijk niets doen van allen

dag! En nou, nou woû ik wel mijn schedel opensplijten, en je mijn

hersens in je gezicht gooien, omdat je me zoo gemaakt hebt, zoo fijn en

zoo vol gedachte! Je begrijpt niets, hè? Nu, begrijp dan ook maar niet,

dat ik op dit oogenblik niets geen dankbaarheid meer voel voor alles, ja

voor álles wat je voor mij gedaan hebt, dat ik je haat om al wat je voor

me gedaan hebt, dat ik je er om veracht, en dat je mijn leven nog

ongelukkiger hebt gemaakt, dan ik het jouwe! Begrijp je dat eindelijk,

begrijp je dàt eindelijk, hè, dat ik je veracht, je haat, je hàat, dat

ik je hààt?!!

Hij had zich geplaatst achter eene tafel, van daar zijne woorden

uitsissend in een paroxysme van zenuwoverspanning, en hij voelde zich of

alles in hem springen zoû als met te hard uitgewrongen touwen. Hij had

zich daar zoo geplaatst, omdat Frank vóór hem stond, aan den anderen

kant der tafel, de oogen glazig wit en bloeddoorschoten, uitpuilend in

zijn vuurrood gelaat, met zwellende neusvleugels, den rug gebogen, de

vuisten gebald als klaar om op hem te springen. En het scheen alsof

Frank wachtte, tot Bertie hem al de modder zijner woorden in het gezicht

zoû gespuwd hebben.

--Dat ik je haat, je hàat!! krijschte Bertie nog eens, daar hij niets

meer vond te zeggen, uitgeput van woorden.

Toen slaakte Frank, als een beest brieschend, een geluid, niet

menschelijk meer, en hij nam zijn sprong, over de tafel, die kantelde,

stortte neêr met al de zwaarte zijner forschheid op Bertie, hem dadelijk

tot op den grond neêrknakkende als een riet. Hij pakte Bertie bij de

keel, slierde hem woest tusschen de pooten van de tafel heen, naar het

midden der kamer, kwakte hem met één smak op den grond en smeet zich op

hem, zijne zware vierkante knie drukkend op Bertie's borst, zijne

linkervuist als eene schroef om Bertie's hals. En een droog gevoel, als

een dorst van wreedheid, schroeide in Franks keel en hij slikte twee-,

driemaal met een beestelijken grijns om den mond, beestelijk blij, dat

hij hem zoo had, in zijne macht, in zijne linkervuist, onder zijne knie.

En hij balde zijne rechter en hief zijn arm op als een hamer,

brieschend.

--Daar, daar, daar ... brieschte hij, brieschte hij door ...

En telkens viel de mokerslag neêr op Bertie ... daar ... daar ... daar

... viel neêr op zijne oogen, op zijn neus, op zijn mond, op zijn

voorhoofd, telkens op zijn voorhoofd, waar de slag dof weêrklonk, als op

metaal. Een rood waas steeg gazig voor Franks blik; hij zag alles rood:

purper en scharlaken en vermillioen, dat in bloedige wentelingen voor

zijne oogen draaide als met raderen en in een vreemd aureool van

bloedstralen een verwrongen masker deed grijnzen onder het gemartel van

zijn vuistslag. De vierkante ruimte der kamer zwom in al dat rood, als

vulde zij zich met tastbare roode verschrikkingen, steeds draaiend,

draaiend om Frank heen als purperen duizelingen, vermillioenen

krankzinnigheden, nachtmerries van bloed ... En de slagen volgden elkaâr

snel op, daar, dàar, dààr en de linkervuist schroefde zich stijver om

den hals van het masker ...

Maar de deur was opengesmeten en zij, Eve stortte dwars door het waas

van rood op hem toe, dat rood verscheurend, het verdrijvend door het

bewegelijk levende harer verschijning.

--Frank! Frank! gilde zij. Houd op, ik bid je, houd op, je vermoordt

hem!

Hij liet zijn arm zakken en zag haar aan, wezenloos. Zij poogde hem weg

te trekken, af te rukken van het verpletterde lichaam, waaraan hij zich

in zijne bloedwoede als een vampyr vastklampte.

--Houd op, Frank, laat hem opstaan, bid ik je, vermoord hem niet ... Ik

was achter de deur, ik was bang, ik verstond je niet, omdat je

Hollandsch sprak ... O God, wat heb je hem gedaan, zie, zie hem, hoe hij

er uitziet!

Wankelend van zijne roode duizelingen was Frank opgestaan en hij moest

zich vasthouden aan een meubel.

--Hij heeft zijn verdiend loon, ik heb hem afgeranseld, en ik zal hem

nog eens, nog eens ...

Hij wilde zich opnieuw neêrstorten, met zijn beestelijken grijns om den

mond, zijn dorst van wreedheid schroeiend in de keel.

--Frank, Frank! riep Eve en zij hield hem in beide hare handen tegen. In

Godsnaam, laat het genoeg zijn! O, zie hem! Zie hem!

--Nu goed, laat hem dan opstaan, knarste Frank; laat hem dan opstaan!

Sta op, ellendeling, gauw, sta op ...

Hij gaf hem een schop, nog een schop, weêr een, om hem te doen opstaan.

Maar Bertie bleef liggen.

--God, Frank, zie dan toch! riep Eve en zij knielde neêr bij het

lichaam. Zie je het dan niet!!

Zij wees het Frank en voor het eerst, als ontwakende uit zijn droom van

rood, zag hij het nu, zag hij het met afgrijzen. Het lag daar, de

beenen, de armen verstuiptrekt, verwrongen, den romp ademloos stil in

zijn flarden ironisch licht zomerlaken, en het gelaat was een blauw en

groen en violet wanhoopsmasker, overspat met een zwart purper, dat lekte

uit ooren en neus en mond in langzame stralen van slijmerig donker

vocht, dat op het tapijt neêrtappelden, in drup, na drup. Het eene oog

was een vormloos half gestolde, half liquide vlak, het andere puilde uit

zijn ovale kas, als een groote opaal van treurigheid. Om den hals scheen

zich een zeer breede paarse halsband te snoeren. En het was, nu zij

beiden op dat gelaat staarden, of het zwol, steeds opzwol in eene

afzichtelijke herschepping van onherkenbaarheid ...

Het stortregende steeds. En zij bleven stil staren op die

afzichtelijkheid, vóor hen op den grond roerloos uitbloedend, in een

looden stilte binnen, met buiten het geklater van het water, eindeloos,

eindeloos door. Eve had hem, knielend, even, sidderend van afkeer, aan

het hart gevoeld, er aan geluisterd, haar hoofd drukkend tegen dien

ademloozen romp, vlak onder de afzichtelijkheid, om te weten ... En zij

was rillende opgestaan, was zachtjes aan achteruit gedeinsd, met haar

oogen steeds op dàt daar vóor haar en zoo had zij zich tegen Frank

geperst, of zij één met hem wilde worden, in haren angst.

--Frank, God Frank ... Hij is dood! stamelde zij, bloedeloos bleek. Je

hebt hem vermoord ...!

Hij antwoordde niet, steeds starende. In zijne armen hangend, zag zij

zenuwachtig het vertrek rond, bang, bang ... In eens omklemde zij hem in

hare omhelzing en het was haar of zij zich, in zijne armen, in een

afgrond stortte, in een afgrond van bloed.

--Frank! schreeuwde zij. Frank, hij is dood! Laten we weggaan, ver

weggaan, laten we vluchten!

--Is hij dood? vroeg hij wezenloos.

Eene bezinning kwam over hem, zachtjes áanlichtend als een afgrijselijke

dageraad. Hij maakte zich los uit hare armen, knielde zelf, hoorde,

voelde zelf, dacht even vaag aan dokters, aan verplegen ... En toen

sprak hij dof, zeker van hetgeen hij zeide, onzeker van hetgeen hij doen

zoû:

--Ja, hij is dood, hij is dood ... Wat moet ik ...?

Zij klemde zich steeds aan hem vast, hem smeekend te vluchten, ver te

vluchten. Maar er scheen meer en meer helderheid en dag in zijne

verwarring te komen: hij maakte zich opnieuw van haar los, geheel, en

wilde heengaan, zijne hand reeds op den deurknop.

--Frank, Frank! schreeuwde zij, want ze zag, dat hij haar verlaten

wilde.

--Cht! fluisterde hij vreemd, met den vinger op den mond. Blijf hier.

Blijf bij hem waken. Ik kom terug ...

En hij ging. Ze wilde hem volgen, zich vastklemmen áan hem in een angst

van ontzetting, maar hij sloot reeds de deur achter zich en hare

trillende beenen vermochten zich nauwelijks te verzetten. Huiverend zag

zij naar het lijk. Het lag daar steeds, met zijn opgezwollen,

verbrijzeld, paars masker, vaal akelig in den valschen namiddagschijn,

die schuins door het gordijn van regen binnen neêrzeefde. Heur adem

hijgde benauwd in hare keel, zij snakte naar lucht, wilde het venster

openrukken, daar zij er dichter bij was dan bij de deur ...

Maar zij vermocht het niet, want buiten, door het bewasemde glas der

ruiten heen, zag zij de tragische lucht, vol voortdrijvende, zwartgrauwe

wolkengebergten en zag zij den regen, met rechte zondvloedstralen

neêrklateren, en zag zij de zee, somber en dreigend als een naderend

gevaar van woedend schuimwater, schemeren door het floers van stortregen

heen ...

Molde! Molde! stamelde zij in eene ontzetting, die haar ijskoud maakte.

De lucht van Molde! Het fjord van Molde! Toen ik het voor het eerst

gevoeld heb!...! O God, help, help ...

En zij stortte neêr op den grond, flauw.

Noodlot · 第 43 / 48 题