IV.

Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen

alleen en dadelijk begon Eve:

--Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.

Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare

aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als

wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten.

--Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven;

is dit zoo?

--Ja, knikte hij treurig.

--Is dit zoo? riep zij heftig.

--Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou.

--Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk.

--Ja, knikte hij weêr.

--En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel

nagedacht, waarom?

--Waarom?... herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo

ruw was geweest ...

--Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven

nooit ontvingen.

--Wat? kreet hij uit.

--Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er

belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden.

--Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom?

--Ik weet het niet, ging Eve door. Ik weet alleen dit: onze meid, Kate,

je weet wel, kwam eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer

bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had

gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en

toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief

binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand.

Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den

brief uit de hand gerukt, zeggende, dat _hij_ dien wel zoû binnen

brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn

zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij

oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit

al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor

hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd

achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne

kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had

gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen,

noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt

geweest te zijn van de drie, die je ons schreef?

--Ja, knikte Frank verbijsterd.

--Papa joeg William weg. En ... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God,

ik weet het niet meer ... Dus je hebt ons driemaal geschreven?

--Ja, driemaal, sprak Frank.

--En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in

hare keel.

--Of je me vergeven woû, of ... of alles weêr worden kon als het

geweest was. Ik bekende ongelijk.

--Je hadt het niet.

--Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik

wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik

kreeg niets.

--Neen niets! snikte zij. En toen?

--Wat zoû ik toen gedaan hebben?

--Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar

ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend.

Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer

herinnerend.

--Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen?

--Ik weet het niet meer! sprak hij suf.

--Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht?

--Ja, jawel! stamelde hij.

--Maar waarom dan niet?

Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos.

--Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo

ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van

ze te houden en dat alles en toen ... toen met jou ...!! Het was zoo

nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd

op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om

alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en

zoo lief ... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat

getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu alles niet meer en ik

voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen

doodgaan, o Eve, Eve!

--Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me?

--Neen!

--God, waarom niet?

--Ik heb willen komen!

--Waarom heb je het dan niet gedaan?

Weêr dacht hij even na, weêr suf.

--O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik wou naar

je toe gaan en toen zei Bertie ...

--Wàt zei Bertie?

--Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en

misselijk.

--Waarom?

--Omdat je me niet vertrouwd hadt.

--En toen?

--Toen ... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen.

Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds

in haar snikte en snikte.

--Dus omdat Bertie zei ...! kreet zij verwijtend.

--Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem ...

Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit,

als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van

verweerd glas.

--O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het!

--Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt ...

--Ik voel het over me heen komen! kermde zij steenend. Het is net een

ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd.

O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!!

Het dondert boven me!!!

Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets

wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige

electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel.

Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op

in zijne armen.

--Eve, Eve! riep hij.

Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots

hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten

tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst.

--Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je?

--Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Ja, nu, nu is het

weg ... Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het

bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven

mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg ... En daarna ben ik zoo

bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo

bang maakt. Wat zoû het zijn?

--Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.

--O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als

ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo

doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me

niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je

Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns

weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar

Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens

in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr

moesten ontmoeten, het hier zoû zijn ... En nu is het ook zoo uitgekomen

en nu heb ik je weêr ... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je

armen, in beide ... Dan zal ik niet meer bang zijn ...

Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op

zijne schouder, en toen, met de stem van een kind:

--Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols.

--Wat? vroeg hij.

--Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan.

--Heb ik ...!

--Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ...

Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en

hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij

lachte even.

--Het is een armband! schertste zij.

Noodlot · 第 41 / 48 题