III.

Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat

hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen

heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord

gekost. Maar hij sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als

onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het

mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet

ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan

iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht

hij: aan niets is iets te doen!

Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn

somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het

zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken

voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid

van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de

zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte

somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht,

die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die

atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak

onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het

bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de

balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd

hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt

prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne

blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens

over de zee.

Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon,

met regen boven in de lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle

waterzakken.

Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee;

hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen;

weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het

water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van

zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne

ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien

harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had

hij ... o God! haar herkend!

Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met

een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het

ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en

zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen, stond

hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar

nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind:

--Eve, mijn God, Eve!!

Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar

zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij

háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij

daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in

had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door

zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat

hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, er over heen, niet

geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat

was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch

nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op

een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de

donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag

haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij

haren aanblik in zijne ziel.

--Frank! sprak zij zacht, vóór hem.

Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende

zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte

weemoedig.

--Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver.

Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend.

Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid,

dat was als een echo:

--Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne

iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in

Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig ... Er heeft een

misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden

tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met

je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb

...

De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen,

maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan,

dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren zachten glimlach,

waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en

eenvoudig.

--Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je

vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je

voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren.

--Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het, _ik_ was

het, die ...

--O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het was _ik_ ...

Vergeef je het me?

Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een

grooten snik, die klokte in zijne keel.

--Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad,

waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet

eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen?

Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen.

--Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar.

--Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent

misschien in dien tijd ... getrouwd.

Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach:

eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en

hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte

van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was

geweest: eene exotische gedachte, en die zij overplantte in hem, zonder

dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend.

--Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend.

--Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen.

Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken

door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer

in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind,

met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen

heur witte voile doorweekten.

Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende

gedurende dien oogenblik:

--Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik

je heb aangesproken? Ik was het niet met mezelve eens of ik het doen

zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving

vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje

misschien niet gedaan had?

--Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit.

Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige

maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet.

Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden

buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen.

Noodlot · 第 40 / 48 题