II.

Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand,

tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee

silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden

donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der

zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar

zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden

omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens

doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol

van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en

lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een

glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de

opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene

gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw,

wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch

kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het

water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen,

zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig

uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen

eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van

zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene

scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een

mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit

het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende

nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel

zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee

silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de

zee, tot recht onder den blik van zijn oog.

Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den

man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de

vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder

en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij

ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd,

als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de

zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als

dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het

staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank

zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld

klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos

door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest

voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde

hij wel?

En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde,

dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare

vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû

afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te

ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten,

roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver

vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om

zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en

zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem

heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû

het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ...

Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en

daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze

tijd, nuttelooze eeuwigheid ...

--Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is

zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik

honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een

feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als het _moest_ komen, zoû ik

het juist _niet_ voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan

ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan

het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht

gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder

angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over

het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen

met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?

Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien

man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn

blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als

marionetten.

--Jawel, maar _ik_ weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt

het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo

maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets

schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.

Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun

scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene

woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts.

Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De

angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd

uit in groote druppels.

--O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het

verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat

zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan

iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en

de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat

het dan maar gauw komen ...

Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet

waren geweest. Onmogelijk! Maar toch _wist_ hij, dat ze het wèl waren

geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met

hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen

voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar

beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij

ervan gedacht, van dat scheepje.

Noodlot · 第 39 / 48 题