Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand,
tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee
silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden
donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der
zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar
zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden
omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens
doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol
van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en
lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een
glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de
opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene
gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw,
wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch
kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het
water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen,
zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig
uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen
eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van
zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene
scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een
mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit
het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende
nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel
zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee
silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de
zee, tot recht onder den blik van zijn oog.
Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den
man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de
vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder
en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij
ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd,
als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de
zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als
dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het
staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank
zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld
klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos
door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest
voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde
hij wel?
En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde,
dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare
vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû
afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te
ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten,
roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver
vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om
zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en
zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem
heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû
het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ...
Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en
daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze
tijd, nuttelooze eeuwigheid ...
--Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is
zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik
honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een
feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als het _moest_ komen, zoû ik
het juist _niet_ voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan
ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan
het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht
gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder
angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over
het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen
met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?
Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien
man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn
blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als
marionetten.
--Jawel, maar _ik_ weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt
het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo
maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets
schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.
Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun
scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene
woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts.
Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De
angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd
uit in groote druppels.
--O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het
verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat
zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan
iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en
de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat
het dan maar gauw komen ...
Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet
waren geweest. Onmogelijk! Maar toch _wist_ hij, dat ze het wèl waren
geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met
hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen
voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar
beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij
ervan gedacht, van dat scheepje.