Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van
Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene
smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden,
zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te
vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de luchten, die zij
inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten,
bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en
onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende
vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er
geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden
... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf,
klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat
reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de
noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij
hadden op fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij
wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat
hun doelloos en smartelijk was.
Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede,
zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose ... Maar toch hadden
zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig
en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct
vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving,
dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte.
En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend,
eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne
zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had
gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in
zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te
loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten,
niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet
spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust
was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem
was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne
poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar
toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed
hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer
had. En zij hadden samen gewerkt, gezwoeg en verdienste deelende in de
broederlijkheid van hun samenzijn.
Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende,
teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was
in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van
het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden,
nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij
er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het
bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele
zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in
eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te
Scheveningen--eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee--een
optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke
verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig
als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand.
Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel,
de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook
even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed
meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat
herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan,
stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok,
werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had.
Hij zag er goed gezond uit, nog wat zwaarder geworden, eene bloedrijke
kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne
lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud
schitterende snor.
Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee
uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos
uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte
parelkleur,--den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze
wolkenmetamorfozes, in-en uitkrullende massa's dik grauw en wit,
zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim,--dan werd het hem
of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene
onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo
intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd,
roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het
water.