XVII.

Zoû hij er heen gaan? dacht Bertie, toen hij den volgenden avond alleen

thuis bleef en niet wist met welke plannen Frank was uitgegaan. Nu,

Bertie zoû afwachten. Er was niets meer aan te doen. Een paar dagen om

zaken te regelen en daarna weg, weg van Londen. O, wat voelde hij zich

ongelukkig! En al die vuiligheid alleen om een materieel gemak, eene

luie weelde, die hem--hij was het nu langzamerhand gaan

gevoelen--geheel en al onverschillig was geworden. O, de

bohemien-vrijheid van zijn zwervend scharrelaarsleven in Amerika, dat

losse, dat ongegeneerde, nu zijn vestjeszak vol geld, dan niets, totaal

niets! Hij had er heimwee naar: het geleek hem een benijdenswaardig

leven van onbezorgde bandeloosheid, bij zijn tegenwoordig bestaan van

rijk suffen en laagheid. Wat was hij veranderd! Vroeger was hij alleen

maar los van conventie geweest, zonder veel nadenkens, en nu ... zijne

ziel was verfijnd geworden, en ploeterde toch in de grofste vuiligheid.

En waarom? Om iets te behouden, dat geen waarde meer voor hem had. Geen

waarde meer?! Maar waarom dan zich niet los te scheuren uit zijne eigen

netten, weg te gaan, alleen, in armoede; een enkel woord te schrijven

aan Frank en Eve om ze weêr tot elkaâr te brengen? Hij had immers

vrijheid dat te doen?

Hij dacht er over na en glimlachte toen, het iets onmogelijks vindend en

toch niet inziende, waarin het onmogelijke er van lag. Maar het wàs

onmogelijk, het wàs iets wat niet volbracht kon worden. Het was iets

onlogisch', iets vol duistere moeielijkheden, iets dat nooit gebeuren

kon, om geheimzinnige noodlotsredenen, die hij wel niet inzag, maar toch

onloochenbaar voelde ...

Zoo mijmerde hij, alleen, dien avond, toen Annie, de meid-huishoudster,

hem zeggen kwam, dat er iemand was, om hem te spreken.

--Wie is dat dan?

Zij wist het niet en hij ging in het spreekkamertje en vond den lakei

van Sir Archibald, met zijn grooten neus en zijne brutaal bewegelijke,

grijze vogeloogen, vroolijk glinsterend in zijn blauw geschoren,

terracottakleurig gelaat. Hij was niet in liverei, maar gekleed als een

heer met een licht gekleurd overjasje, een ronden hoed, een stok en

handschoenen.

--Wat moet je hier? vroeg Bertie brusk, zijne wenkbrauwen fronsend. Ik

heb je immers gezegd, dat ik niet woû, dat je hier ooit kwam! Je hebt

immers niet over me te klagen, meen ik ...

Neen, neen, hij had niet te klagen, maar hij kwam zijn ouden vriend maar

eens opzoeken, zijn ouden Swell. Bertie wist het immers wel, vroeger, in

New-York. Ze waren toen zoo kameraadschappelijk in het zelfde hôtel

kellner geweest. Toevallig, hè? zoo een wederzien in Londen. Ach ja, de

wereld was klein; je ontmoette elkaâr overal en altijd. Je kon elkaâr

niet ontloopen; als de hemel wilde, dat je elkaâr ontmoeten zoû, dan kòn

je elkaar niet ontloopen; nu, en als je elkaâr ontmoette, dan kòn je

elkaàr ook nog eens van dienst zijn ... Er werden soms lastige brieven

geschreven; hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw,

dat was een koopje! Het leven was duur; in Londen nu en dan eens

vroolijk te zijn, kostte duur. Er was nu een derde brief van de zelfde

hand--wel, wel, van wien zoû die hand toch zijn? Geadresseerd aan den

oude. O, een oud kameraad zoû nooit lastig vallen, maar hij kwam maar

eens vragen: was die brief ook wat waard? Hij had hem bij zich.

--Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek, zijne hand reeds

uitstekend.

Ja maar, dertig was zoo weinig, een bagatel. De brief was nu toch

geadresseerd aan den oude en dus wel meer waard. Een oud-kameraad was

daarbij, eerlijk gebiecht, in een beetje geldverlegenheid. En Bertie was

een meneer en in goeien doen, en hij had een edel hart. Hij zoû een

oud-kameraad niet in den steek laten. Wat drommel, je hielp elkaâr in de

wereld! Honderd pond?

--Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden afgesproken

dertig pond. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk ...

Nou ja, dat wist hij wel, maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch nu

en dan wel eens een sixpence, en meneer Westhòve zat er zoo goed in.

Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken: waarachtig, hij zoû er

een oud kameraad meê helpen; honderd pond was toch ook de wereld niet!

--Ik heb op het oogenblik geen honderd pond, ik verzeker het je,

krijschte Bertie zacht, rillend als van koorts, met eene keel, die droog

geschroeid scheen.

Nu, een oud kameraad zoû dan wel eens terugkomen, later. Den brief zoû

hij zorgvuldig bewaren.

--Geef den brief dan: ik zal je later honderd pond geven!

Maar een oud kameraad lachte vroolijk: nu, geven is geven: je vertrouwt

elkaâr wel, je bent nette lui, onder elkaâr, maar je steekt toch over,

te gelijk, zoo den brief en zoo de honderd pond.

--Maar ik wil niet hebben, dat je hier terugkomt: ik _wil_ het niet, zeg

ik je ...

Nu, dat was goed, dat was niet vermoeiend, Swell kwam dus zelf de

honderd pond brengen. Morgen?

--Ja morgen. Morgen avond vast. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg ...

Hij duwde zijn demon dringend de deur uit, het belovende: morgen, morgen

avond. Toen zocht hij Annie op, in een hevig verlangen te weten of zij

den lakei van Sir Archibald kende.

--Wie was die man? vroeg hij haar brutaal, als een speler, die eene

hooge troef op een gevaarlijk oogenblik uitspeelt.

Zij wist het echter niet en was verbaasd, dat meneer hem niet kende. Had

hij meneer lastig gevallen?

--Ja, een bedelaar, zoo een fatsoenlijke bedelaar.

Hij zag er toch zoo netjes uit, als een heer.

--Wees voortaan wat voorzichtiger, sprak Bertie en laat niet iedereen

binnen ...

Noodlot · 第 35 / 48 题