XVI.

Toen Frank, na eenige dagen van een niet-leven wachtens, nog geen

antwoord ontvangen had, schreef hij aan Sir Archibald. En het was steeds

het zelfde stilzwijgen. Toen klaagde hij bitter bij Bertie zijne smart

uit, niet deêmoedig meer, maar woedend, als een getergd beest en toch

nog half weemoedig omdat ze zoo waren, zoo kwalijknemend. Eve en haar

vader. Was het dan niet genoeg, dat hij driemalen om vergeving gesmeekt

had? Had Eve dan zoo weinig van hem gehouden, dat ze, nu hij zich

verpletterde aan hare voeten, geen woord voor hem over had, zelfs niet

om hem te zeggen, dat het gedaan was ...

--Ik herinner me niet meer alles wat ik gezegd heb! sprak hij tot

Bertie, terwijl hij op en neêr, op en neêr liep met een grooten,

gelijkmatig zenuwachtigen stap. Maar ik moet wel bar geweest zijn ...

God, dat ik dan ook nooit mijne woorden in bedwang heb! En ik heb haar

ook beetgepakt, zóó, bij haar armen. Ik heb haar toen van me afgegooid,

ik was zoo woedend. Ik had het niet moeten doen, maar ik kàn dan niet

kalm zijn, ik kàn het dan niet ...

--Frank, ik woû, dat je je er over heen kon zetten, sprak Bertie zeer

zacht, uit zijn diepen stoel; als er nu toch niets aan te doen is ...

Het is treurig, dat het zoo geworden is, maar gooi het van je af ...

--Gooi het van je af! Heb jij ooit van eene vrouw gehouden?

--Jawel ...

--Het zal me wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat

is niet iets voor je: je houdt te veel van jezelven.

--Dat is wel mogelijk, maar in alle geval hoû ik veel van jou en ik kan

je zoo niet zien, Frank. Zet er je over heen. Ze schijnen het je nu zoo

kwalijk genomen te hebben, dat er niets meer aan te doen is. Ik woû, dat

je dat inzag en je in het onvermijdelijke schikte. Zoek naar iets anders

om voor te leven. Zoû er dan alleen dàt eene voor je zijn? Misschien is

er iets anders. Een man verliest zich zoo niet in zijne liefde. Je bent

zoo net eene vrouw: die doen dat ...

Zijne oogen zagen Frank zoo magnetisch zacht aan, dat het Frank werd

alsof elk dier woorden eene zuivere waarheid bevatte en Bertie's laatste

verwijt herinnerde Frank weêr zijne flauwheid, zijne weifelachtige

zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijne kracht als een

week fondament. Maar toch klampte hij zich aan zijn hevig verlangen

vast, zijn hevig verlangen naar het vroegere geluk.

--Ach kom, jij kunt daar nu eenmaal niet over oordeelen! antwoordde hij

ongeduldig. Bertie's blik als van zich afschuddend; jij _hebt_ nooit van

eene vrouw gehouden, al beweer je het. Waarom zoû alles niet weêr in

orde kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik heb

me onhebbelijk driftig gemaakt, nu ja ... Is dat dan zoo iets

onvergeeflijks als je van elkaâr houdt? Misschien ... zeg, zouden de

brieven niet terecht zijn?...

Er hing gedurende enkele seconden eene afwachtende stilte in het

vertrek, een atmosfeer van lood. Toen sprak Bertie en zijne stem smolt

van teedere vergoêlijking:

--Als je er nu één hadt gezonden, zoû je het kunnen denken ... Maar drie

brieven aan het zelfde adres. Het is niet waarschijnlijk ...

--Ik zal er zelf eens naar toe gaan, hernam Frank. Ja, ja, ik zal er

zelf maar eens naar toe gaan ...

--Wat zeg je? vroeg Bertie dof.

Nog onder den druk der looden atmosfeer van zooeven, had hij niet goed

verstaan, niet recht begrepen ... Ze waren over hem heen gegaan als eene

suizende dreiging, die woorden ...

--Wat zei je daar? herhaalde hij.

--Ik zal er zelf maar eens naar toe gaan, hernam Frank.

--Waar naar toe?

--Wel, naar de Rhodes', naar Eve ... Suf je?

Maar Bertie rees op en in de vaalte van zijn gelaat schitterden zijne

oogen als zwarte diamanten, met vele facetten.

--Wat wil je daar doen? vroeg hij, in een keelschrap om zijne stem te

verzuiveren.

--Met ze praten en den boêl in orde brengen ... Ik hoû het niet uit, het

duurt me te lang.

--Je bent gek, zei Bertie stroefkort.

--Waarom gek?

--Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent eigenwaarde. Denk je in

ernst naar ze toe te gaan?

--Ja, natuurlijk.

--Ik vind het misselijk, zei Bertie.

--Nu goed, sprak Frank; vind het misselijk. Ik vind het zelf ook flauw

van me. Maar God, ik kàn het niet langer uithouden. Ik hoû zooveel van

haar, het was vroeger zoo goed, zoo mooi ... En nu, nu, door mijn eigen

schuld ...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik

ga toch.

Hij had zich in zijn getwijfel neêrgegooid op een stoel en elke spier

aan zijn gelaat trilde reeds van strijd. Maar toch ging hij voort.

--Je weet het niet, hoe ik me voel: je kùnt het niet begrijpen. Ik ben

zoo ellendig, zoo diep, diep ongelukkig. Ik heb me nooit in mijn leven

zoo heerlijk, zoo harmonisch, zoo geëquilibreerd gevoeld als toen ik met

Eve was, ten minste ... nu lijkt me dat zoo. En nu is dat alles weg en

alles schijnt me doelloos. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en

ademhaal en leef! Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop

toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn ...

Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde

komt, dan maak ik me van kant ... ja, ja, dan maak ik me maar van kant

...

Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met

zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne

nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er

onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan,

opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten,

wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks

schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht.

Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde

minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar

vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond

toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van

eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders.

--Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je

eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een

kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker.

Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom,

waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in

zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder

harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaâr geklutst, schuim,

flut, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jasses, hoe is het

mogelijk. _Ik_ weet niet wat houden van eene vrouw is, hè? Maar _jij_

weet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt, dat je het nu al heel

erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise,

wat gekrenkte pedanterie misschien: het zal wel niet veel anders zijn.

Als _ik_ me van kant had gemaakt, iederen keer, dat _ik_ ellende had

gehad, dan was ik nu wel duizendmaal dood. Neen, dan heb ik heel wat

anders doorgemaakt, hoor! Hoe kan je zoo laf zijn. Eve toont je

duidelijk, dat ze niets meer van je weten wil. En je wilt weêr naar haar

toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je

naar ze toegaat, dan vind ik je zoo klein, zoo flauw, zoo laf, zoo

kinderachtig, zoo misselijk, zoo verdomd misselijk, dat je voor mijn

part naar den duivel mag loopen.

Hij maakte een keelgeluid alsof hij phyziek weê werd en wendde zich af,

wat duizelig en vreemd licht in het hoofd. Frank zweeg, in zich heen en

weêr geslingerd door twee machten. Hij was zich niet meer bewust wat hij

dacht, geheel in de war, vol valsche geluiden in zijn oor en in zijne

verbeelding. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, eene detonatie,

die hij niet kon aanwijzen, maar zich toch bewust was en ook klonk de

stem van zijn eigen verlangen valsch, met vreemde, onoplosbare

accoorden, die onharmonisch in elkaâr bleven voorttjingelen. En hij

verloor zich geheel en al, hij bleef lang zwijgen tot, koppig,

halsstarrig, hij het herhaalde:

--Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch ...

Maar balsemzacht ging Bertie voort, terwijl hij, volgens zijne gewoonte,

als hij zich zeer ongelukkig gevoelde, op den grond ging zitten, op de

vacht voor het vuur, zijn bonzend hoofd gesteund tegen een stoel:

--Kom Frank, zet er je overheen. Je meent het niet, dat je er naar toe

wilt. Daar ben je in je binnenste veel te fier en flink voor, om dàt te

willen. Herinner je je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je

niet gezegd, dat ze je niet vertrouwde, dat je haar bedroog, dat je nog

met die vrouw was en dat ze dat wist? Ik had het trouwens al lang

gemerkt, dat ze zoo wantrouwig was: ik vond zoo iets al niet mooi in een

jong meisje; ik vond er iets ... niet kuisch' in ... Het is waar, dien

avond van het Lyceum ... het scheen toen wel zoo wat. Maar je hadt Eve

toch verzekerd, dat het uit was ... Ik vind het dus allesbehalve mooi in

haar, dat ze je toen nog niet vertrouwd heeft ... Je kan het dus niet

meenen, als je zegt, dat je er naar toe wilt gaan. Het kan mij

natuurlijk niet schelen: ga er naar toe voor mijn part, maar ik zoû het

zoo misselijk van je vinden, zóó misselijk ...

En Frank steeds zwijgende, verloren, en door de kamer steeds dat

getjingel van valsche geluiden ...

--En het kan niet anders of je vindt dat ook als je nadenkt. Denk er

eens over na, Frank ...

--Ach ja, mompelde Frank dof.

Bertie vleide zijne mannelijkheid en het klonk in Franks ooren als met

klokken: fier, flink, fier, flink ... Maar de klokken waren toch

gebarsten ... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog

van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren

twijfel? Fier, flink, fier, flink ... O, het niet meer te weten, niets

meer te weten ...

Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde

zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om

de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige

panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen.

--Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. Ik hoû zooveel van je, al zie je

dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier ... O, ik

weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet;

ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van

mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. Ik zoû

iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg

Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten

we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. Ja,

laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar

San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo

groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een

tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in

zoo iets woeste, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten

we veel beweging maken, veel doorstaan, veel lichamelijke vermoeienis.

Vindt je het niet prachtig dwars door een ondoordringbaar bosch je een

weg te kappen? O ja, laten we ons baden in de natuur, in veel lucht en

ruimte en gezondheid ...

--Ja, ja, mompelde Frank; goed, we zullen weg gaan, we zullen gaan

reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld, ik heb het

vorige jaar zooveel verteerd.

--O, maar we zullen zuinig zijn: wat hebben we luxe noodig! Het kan mij

ten minste niets schelen ...

--Ja, ja goed, mompelde Frank weêr; we zullen het zuinig doen.

Zij zwegen eene pooze. In het halfduister stiet Frank bij eene beweging

even Bertie's hand aan. En hij drukte die eensklaps, tot brekens toe,

vast in de zijne en stamelde:

--Goede jongen, goede beste jongen!

Noodlot · 第 34 / 48 题