XVIII.

Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne

eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat

Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje,

zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen

te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene

ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele

lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit

dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om

en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene

schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet

in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij

eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo

gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het

te doen.

Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel.

Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke,

blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers

van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het

vragen. O God, tòch moest hij vragen!

Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed,

maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien

minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij

misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club

geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man

sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht

gerammel van metaal.

Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker

was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een

klop.

--Frank.

--Ja, kom binnen.

Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met

den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen,

Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.

Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude

schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden

gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks

goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ...

--Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we

noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben?

Hij had honderd pond noodig.

--Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan

moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan

ik niet een cheque voor je teekenen?

Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen.

--Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik

zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ...

--Morgen ochtend?

--Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu

naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel

helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk.

Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook

al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond!

Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille

schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr

en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte.

--Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je?

Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een

misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in

geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever

niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor

een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar?

--Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen

zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al:

we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg.

Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken.

--Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ...

En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen,

Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog

eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed

te veel pijn, in de hersens.

O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij.

Noodlot · 第 36 / 48 题