Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne
eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat
Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje,
zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen
te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene
ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele
lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit
dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om
en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene
schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet
in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij
eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo
gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het
te doen.
Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel.
Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke,
blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers
van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het
vragen. O God, tòch moest hij vragen!
Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed,
maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien
minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij
misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club
geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man
sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht
gerammel van metaal.
Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker
was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een
klop.
--Frank.
--Ja, kom binnen.
Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met
den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen,
Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.
Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude
schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden
gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks
goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ...
--Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we
noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben?
Hij had honderd pond noodig.
--Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan
moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan
ik niet een cheque voor je teekenen?
Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen.
--Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik
zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ...
--Morgen ochtend?
--Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu
naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel
helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk.
Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook
al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond!
Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille
schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr
en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte.
--Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je?
Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een
misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in
geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever
niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor
een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar?
--Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen
zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al:
we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg.
Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken.
--Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ...
En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen,
Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog
eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed
te veel pijn, in de hersens.
O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij.