XIII.

Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte

voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En

daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd

het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ...

Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer

verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en

gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets

kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had

zoo _moeten_ zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr

voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien

hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene

ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel

verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en

troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die

blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie

des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij

het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan?

Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was

het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En

hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel.

Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor

een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der

Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij

uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil

gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn

groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar

licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich

opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht.

Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner

orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid.

En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al

voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel.

Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen

sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende

onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren,

onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in

zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna

sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te

geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar

dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs

Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs,

die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige

treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke

zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt,

éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn

geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd,

nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige

armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot

verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht,

dat _hij_ alles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui

leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde

aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat

eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de

complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte,

aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte,

nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven

zou als een leeuw in een boudoir ...

En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen

op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond

van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon,

verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide

hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man

moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap,

loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit

gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van

samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend

in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich

koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne

vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.

Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu

nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit

dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne

neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er

gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf

zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij

vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw,

haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene

ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit

meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden?

Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het

wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn

geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had

zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid

onloochenbaar gemaakt?

Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde--en hoe kon ze het nog

langer!--God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een

zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste

rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze

anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol

minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die

waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een

snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met

de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het

vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had

gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove

beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op:

een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan

hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie

bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den

trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou

hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden!

En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het

zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg

toeklonken.

Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend,

zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was

het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene

resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen

hen zoû oplossen.

Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan

had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem.

Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich

geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij

beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk

overtuigend trachtte te maken.

--Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde

hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin,

neêrkrullend haar.

Noodlot · 第 31 / 48 题