Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte
voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En
daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd
het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ...
Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer
verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en
gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets
kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had
zoo _moeten_ zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr
voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien
hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene
ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel
verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en
troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die
blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie
des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij
het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan?
Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was
het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En
hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel.
Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor
een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der
Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij
uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil
gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn
groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar
licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich
opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht.
Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner
orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid.
En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al
voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel.
Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen
sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende
onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren,
onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in
zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna
sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te
geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar
dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs
Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs,
die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige
treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke
zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt,
éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn
geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd,
nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige
armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot
verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht,
dat _hij_ alles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui
leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde
aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat
eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de
complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte,
aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte,
nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven
zou als een leeuw in een boudoir ...
En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen
op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond
van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon,
verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide
hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man
moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap,
loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit
gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van
samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend
in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich
koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne
vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.
Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu
nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit
dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne
neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er
gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf
zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij
vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw,
haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene
ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit
meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden?
Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het
wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn
geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had
zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid
onloochenbaar gemaakt?
Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde--en hoe kon ze het nog
langer!--God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een
zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste
rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze
anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol
minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die
waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een
snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met
de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het
vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had
gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove
beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op:
een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan
hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie
bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den
trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou
hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden!
En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het
zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg
toeklonken.
Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend,
zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was
het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene
resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen
hen zoû oplossen.
Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan
had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem.
Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich
geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij
beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk
overtuigend trachtte te maken.
--Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde
hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin,
neêrkrullend haar.