XII.

Toen Frank den volgenden middag kwam, zag hij aanstonds aan heur gelaat,

dat er eene groote ontroering in haar woelde.

--Wat is er, kind? vroeg hij ontsteld.

Zij gevoelde zich eerst zoo zwak, zóó zwak ... Het was zoo iets

vreeselijks ... het was weêr die modder, zoo vies ... Maar zij vermande

zich; zij richtte zich op in hare mooie wilskracht, die eene stevigheid

gaf aan het kinderlijke dwepende en kuisch vrouwelijke van haar

karakter, als een forsch gedanen achtergrond, waartegen veel zachts en

teeders uitblinkt. En vooral omdat zij wist, dat zij alleen stond,

verlaten door haar vader, wilde zij krachtig zijn.

--Frank, het kan niet anders! begon zij met de wanhoop van hare energie.

Ik moet er over met je spreken! Ik ben bijna, al vóór dat je iets

geantwoord hebt, overtuigd, dat ik ongelijk heb en zelfs heel slecht

denk, maar toch moet ik je er over spreken, want ik lijd er te veel

onder, onder dat alles ... Altijd te zwijgen en alles te verkroppen, het

doet zoo een pijn ... Ik hoû het niet meer uit, Frank ... Ik vroeg papa

het je te zeggen, maar hij wil niet ... Misschien heeft hij gelijk, maar

het is toch niet lief van hem, want nu moet ik het zelf doen ...

Zij voelde zich in de opschroeving harer geestkracht even sidderen bij

deze bittere gedachte, maar zij deed zich geweld aan en ging voort.

--Frank, Frank ... die vrouw ... o, die vrouw ... ik denk er nog altijd

aan.

--Maar Eve ...

--Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie nog

altijd dat mensch naast me, ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt

... Het gaat me niet uit mijne ooren ...

Zij sidderde meer en meer, en toen kwam het weêr over haar en in haar:

dat van dat oog, van die stem, dat vreemde, dat was als eene hypnoze van

een geestelijken invloed: dat, wat heur vader niet had kunnen begrijpen.

Wat zij nu uitte, scheen haar voorgezegd te worden door de stem, en hare

houding en gelaatsuitdrukking schenen een poze te zijn, waartoe de blik

van het oog haar noodzaakte. En zeer intens voelde zijzelve: dat die

blik donker was, als een nacht.

--O, Frank, Frank! riep zij uit en de tranen ontwelden haar uit

zenuwoverspanning, uit vreeze, dat zij het niet zoû durven zeggen, als

die stem het wilde: ik moet het je vragen, ik mòet het. Als je hier bij

mij komt, waarom ben je dan dikwijls zoo somber, en stil, alsof je niet

gelukkig met me bent, waarom ontwijk je elk stellig antwoord, waarom zeg

je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw ... is het om haar,

is het, omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!...

omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij nog altijd iets in je leven

is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het pijnigt me zoo, het woelt

zoo in me, altijd, altijd ... En ik ben niet kleingeestig jaloersch, ik

ben dat nooit geweest: ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van

vroeger, al vind ik het vreeslijk! Maar je bent altijd zoo vreemd, zoo

stil, zoo treurig, en zoodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder het

te willen, Frank, zónder het te willen, dat zweer ik je! Maar het komt

in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zoo zijn? Frank,

zeg het: ik ben gek, nietwaar, zoo te denken, en ze is niets meer voor

je, nietwaar, niets meer, je ziet haar nooit meer, nietwaar?

De angst, die om hare woorden om haar was, verwrong heur geheele gelaat,

bleek als van de matte bleekheid van verwaaide azalea's; eene kramp van

pijnlijkheid scheen te zenuwtrekken om haren mond, om hare knippende

oogen en meer dan ooit scheen zij eene martelares van heur eigen

verbeelden.

Maar op dit oogenblik zag hij deze marteling niet, omdat bij hare

woorden eene groote drift in hem zich begon te verheffen, eene drift,

zooals hij van kind af enkele malen in zich had voelen opwaaien, als met

de stormvlagen van een orkaan, woedende over alles heen, alle gevoelens

en gedachten door elkander verstuivend als wolken stof ...! Dat woei zoo

bij hem op, als aan zijne oprechtheid, openhartigheid, eerlijkheid,

waarheid getwijfeld werd, woei als een wind van rechtmatigen toorn over

die onrechtvaardigheid op, want in zichzelven liet hij zich veel

voorstaan op zulke deugden en stofte hij dat hij oprecht, openhartig,

eerlijk, waar was. Zijne donkergrijze oogen gloeiden onder het gefrons

van zijne overhangende wenkbrauwen; de drift zijner woorden siste nijdig

tusschen zijne tanden door, die groot en blank onder zijne zware snor

opschitterden als vonken ivoor:

--Hoe is het mogelijk, verdomd, hoe is het mogelijk! Ik heb het je ééns

gezegd, eens vooral, ik heb je ééns gezegd: neen, neen, neen! en je

vraagt het me weêr, je vraagt het me weêr! Denk je, dat ik lieg? Waarom

denk je dat! Heb je ooit aan me kunnen merken, dat ik loog? Ik zeg je

van neen, en het is dus neen! Maar je twijfelt toch, je blijft er toch

over nadenken en tobben als eene oude vrouw ... Waarom neem je de dingen

niet zooals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zoo! Waarom geloof je me niet?

Ik ben niet treurig, ik ben niet somber, ik ben gelukkig met je, ik hoû

van je, _ik_ twijfel niet aan je ...! Maar jij ... jij ... Geloof me:

als je daar meê voortgaat, maak je je eigen ongelukkig, en mij ook, mij

ook!

Maar zij zag hem vast aan, en hare fierheid verhief zich naast zijne

drift, want zijne woorden mishaagden haar.

--Op zoo een toon hoef je niet met me te spreken! antwoordde zij hoog.

Als ik je zeg, dat ik zonder het te willen, zónder het te willen, zeg ik

je, aan je twijfel, en dat ik daarom ongelukkig ben; hoef je niet zoo

met me te spreken! Heb dan medelijden met me, maar spreek zoo niet!

--Maar Eve, als ik je nu verzeker, hernam hij, trillend van zijne woede,

die hij beteugelen wilde, dwingend zichzelven tot zachtheid; als ik je

nu verzeker ...

--Dat heb je al meer gedaan ...

--En je gelooft me niet?...

--In zoo verre niet, dat ...

--Je gelooft me niet?! brulde hij, zich niet meer machtig.

--In zoo verre niet, dat je me iets verbergt! kreet zij terug.

--Je iets verbergt? wat dan?

De naam van hun vriend, van Bertie, rees haar op de lippen, maar ...

zoodra zij aan Bertie dacht, was het eene vaagheid, eene onbeslistheid

in haar, als wist ze niet hoe en wat, en nooit herinnerde zij zich

duidelijk wat Bertie gezegd had. Het was steeds of Bertie om haar heen

een toovercirkel van stilzwijgen had getrokken, waarbinnen het haar

onmogelijk was zijn naam te noemen. En ook nu was hun vriend haar eene

ongrijpbare schim, zijn naam een onzegbare klank, waren zijne woorden

onherhaalbare ijlheden van timbre ...

--Wat? Wat? herhaalde zij zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist

...! Maar je verbergt me iets, je verbergt me iets! En denkelijk verberg

je me iets ... over haar, over die vrouw!

--Maar die vrouw, zeg ik je ...

--Neen, neen, ging zij voort, door haar opstrevenden trots gesterkt in

haar idee fixe. Ik weet het wel: jullie tellen dat niet; "dat is een

verleden, dat is altijd zoo!" zeggen jullie, en daarom noemen jullie

_niets_ wat ik wel _iets_ noem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets,

dat je me verbergt, me verbergt, Frank ...

--Maar Eve, ik zweer je ...

--Zweer het niet, Frank, want dat zoû slecht zijn! krijschte zij, zich,

als ondanks zichzelve, opwindend tot een paroxisme van ziekelijke

overtuigdheid omtrent iets, waarvan zij niets zekers wist. Want ik voel

het, dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me, overal!

Woest greep hij hare polsen, overspannen van woede, omdat zij zijne

verzekering verwierp, gekrenkt in den hoogmoed op zijne deugden van

eerlijkheid en waarheid, en blind voor de diepte van haar gesuggereerd

mystiek wantrouwen.

--Je gelooft me niet, verdomd, je gelooft me niet! siste hij.

Ten tweeden male, mishaagde, kwetste haar zijn toon. En de twee

openbaringen hunner temperamenten, met hunne passies en ziekelijkheden,

bonsden tegen elkander in.

--Wel nu dan! Neen! gilde zij en zij wrong zich zoo ruw rukkend uit zijn

forschen klem, dat hare tengere polsgewrichten kraakten. Nu weet je het

dan: ik vertrouw je niet, daar. Je verbergt me iets en er is iets, er is

iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel is mij niet mogelijk te

loochenen! Dat mensch, dat je heeft durven aanspreken, ze is in mijne

verbeelding vastgegroeid: ik voel haar naast me, ik ruik haar en ik voel

het zoo intens, zóo intens, dat er nog iets is tusschen jou en haar, dat

ik het je durf zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en mij

bedrieg je, daar!

Met een, uit zijne borst opbrieschend, stemgeknars, met gebalde vuisten

liep hij op haar toe en werktuigelijk deinsde zij achteruit. Maar hij

greep haar weêr, nu hare polsen zoo vast omkluisterend in zijne sterke

handen, dat zij zijne kracht in haar vleesch tot op haar gebeente voelde

indringen:

--Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, dat je dat tegen me

zeggen kan. Je bent laag, dat je dát bedenken kan! "Je voelt, je voelt!"

Ja, je voelt uit bekrompenheid, uit armzieligheid ... Je bent niets, je

hebt niets in je dan je vuil en klein getwijfel! Je heele gemoedsleven

bestaat uit vuiligheid, daar! Er is niets meer tusschen ons: ik ken je

niet meer, ik word misselijk van je ...

Hij smeet haar van zich af, op een divan. Daar viel zij in een, met hare

groote verschrikte oogen naar het plafond, wijd open. In dit oogenblik

was zij meer ontsteld, dan rampzalig en begreep zij niet juist. Het

schemerde haar in heur overprikkelde hersenen: ze wist niet wat er

eigenlijk gebeurde.

Een oogenblik zag hij op haar neêr. Om zijn mond krulde eene minachting

en zijn oog dwaalde half gesloten, verachtelijk ook, over haar heen.

Toen zag hij, dat zij zeer mooi was, dat hare, op Turksche kussens

neergesmeten, bekoorlijkheid zich in lenige lijnen van jong maagdelijk

mooi modelleerde, zich afrondend in de trekkende plooien van soupele

Nijlgroene stof, dat heur losse haar als de rossig gouden vacht van een

mooi wild dier tot op het tapijt slierde, dat een golvend geadem hare

borst zenuwachtig snel verhief. Zij lag daar als eene, door een

woesteling geschaakte, bruid, in een woesten hartstocht neergesmakt ...

Hij zag al dat weggeworpen mooi: een groot verdriet bliksemde in hem op,

een dol verlangen naar het geluk van vroeger, maar zijn gekwetste

waarheidstrots drukte verdriet en verlangen neer; hij wendde zich af en

ging ...

Zij bleef liggen, in die zelfde houding. Het was in haar eene

duisterende verwondering, een nacht, die neêrdaalde, als was zij, na

met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te

zijn rondgevoerd, eensklaps,--bevrijd!--met open oogen, losgelaten in

een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde

toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare

ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen.

--Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?

Noodlot · 第 30 / 48 题