Maar een uur later, alleen in zijne kamer, des avonds, liep hij heen en
weêr, ziedende van een hartstocht, die zijn zwak lichaam in alle zenuwen
trillen deed, zooals een storm een tengeren berk schudt. Zijn mooi
gezicht was in eene bittere woede over zijne machteloosheid verwrongen
tot een leelijk masker van slechtheid en met gebalde vuisten liep hij
heen en weêr, heen en weêr, als een dier in zijn hok. Daarvoor had hij
dus al de fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit
zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner
zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op
het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar
bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want,
in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots:
zag hij het, dat hij, wel degelijk _hij_, de omstandigheden had geleid
om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen
twijfelen.
Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mócht het niet zijn! Neen, duizendmaal
neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het
perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene
naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen ... En in
zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het
oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot
springens toe ...
Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door
zijn brein, als de zig-zag van een bliksem ... Ja, ja, zóó moest hij
handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige
schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen ... Geen
geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat
verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc
...
Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend,
zichzelven bespottend, dat hij daartoe gekomen was. Het was half elf.
Hij hield een cab aan, en weêr lachte hij even, omdat de stem, waarmede
hij den koetsier het adres van Sir Archibald noemde, een
melodramatischen klank had: dien van den traitre ... En hij dook terug
in den hoek van het rijtuig, de schouders opgetrokken, de oogen klein en
slim voor zich uitturende in de mistige twijfeling van den nacht. Diep
in zijne ziel lag eene ontzettende treurigheid.
Dicht bij Sir Archibald steeg hij uit, liep toen de enkele passen naar
de deur toe, belde ... En de oogenblikken wachtens, in den nacht, voor
die gesloten deur, waren eeuwigheden van troosteloozen weedom, van
afschuw, walging, misselijkheid over zichzelven. Een vieze trek vertrok
zijn mond scheef.
Een lakei opende, met eene lichte verbazing in zijne oogen om dit late
bezoek, eene verbazing, die in iets van eene impertinente
onbeschaamdheid overging, toen hij zag, dat Bertie alleen was, zonder
Frank. Hij boog met eene ironieke beleefdheid, hield de deur wijd open,
met overdreven hoffelijkheid Bertie binnennoodend ...
--Ik moet je dadelijk spreken, sprak Bertie kalm, met gedempte stem. Nu
dadelijk, onder ons ...
De lakei zag hem strak aan en zweeg.
--Je kan me van dienst zijn: ik heb je zeer, zeer noodig. Kàn ik je even
spreken, zonder dat iemand ons ziet?
--Nu? vroeg de lakei.
--Nu, zonder uitstel ...
--Wil je dan binnenkomen, in de bediendenkamer? klonk het antwoord plomp en
luid.
--Neen, neen ... Loop even met me op. En spreek zachter ...
--Nu kan ik niet: De oude gaat zoowat over een uur naar bed, daarna kan
ik wel even op straat komen ...
--Dan zal ik je wachten, daar bij het park ... Kom je zeker? Ik zal je
goed betalen ...
De knecht lachte spottend, en zijn lach klonk metaalhelder, Bertie
beangstigend, door de vestibule heen.
--Je bent een meneer nu, hè? En je zit er goed in ...
--Ja, antwoordde Bertie klankloos. Kom je dus?
--Ja, ja, over een uur, een groot uur. Wacht maar. Maar als ik wat voor
je doen kan, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor!
--Goed, goed! sprak Bertie. Maar ik vertrouw dat je komt ... Je kómt,
nietwaar?
De deur kwakte brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neêr loopen, in
den vochtigen nacht, terwijl de kilte hem tot in het merg drong en
uitkleumde, terwijl de bleeke gaslichten, als droevige oogen, hier en
daar door den valen mist hem aanstaarden. En hij wachtte, op en neêr
loopend, een uur, anderhalf uur lang, lijdende van koû en vermoeienis,
als een bedelaar zonder dak. Zoo wachtte hij, rillende, de handen in de
zakken, de oogen, troebel van zelfminachting, puilend uit zijn
doodsbleek gelaat en stijf gericht naar de donkere vlak der deur, die
nog dicht bleef ...