En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest
en dat ze het goed--o God, te goed!--geraden had, terwijl zij
integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk
magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts
woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten.
Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als
haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid
wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm
die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze
hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene
vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie
zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dat _hij_ alles deed: dat
_hij_ het eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dat
_hij_ de scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dat _hij_ Eve
dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de
helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de
crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der
omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben
uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een
leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde;
hijzelf was er onschuldig aan ...
En dit was geen zelfbedrog: hij _meende_ dat alles.
Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op,
die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij
meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar
zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene
somnambule.
--Ik moet u spreken, vader ...
Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische
studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die
zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had
hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij
iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde
zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol
ingehouden smart.
--Ben je niet wel, kind?
--O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen
of u eens met Frank wilt spreken.
--Met Frank?
--Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ...
En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met
dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde
vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in
haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had
ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit
iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar
verhaal en zweeg dus over hem.
Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er
zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar
in hare ziel was!
--En ... wat dan? vroeg hij aarzelend.
--En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij
nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad,
liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo
somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor
liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien
verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ...
Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet
gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me,
dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik
kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik
weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem
niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen
en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me
aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt
het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een
spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o,
ik ben zoo ongelukkig ...
Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën.
Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield
van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene
sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en
onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven,
haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was,
nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men
zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te
veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek.
Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want
het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek
ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder,
droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met
Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw
van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat
gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een
gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande
schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London
... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde
rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag
uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer
onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme.
--Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je
nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ...
--Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen
gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en
in me komt ... buiten mijn wil ...
--Maar kind, je praat nonsens ...
--....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar
dan komt het weêr terug ...
--Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat
je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een
poosje weg, en het komt en het gaat weêr ...
Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan
zijne voeten.
--Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man:
u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen
zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem
alles vragen?
--Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen
vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder
jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En
Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij
geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en
moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je,
hoor, heel dwaas.
Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van
rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje
van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze
pijnen.
--Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor
je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo
ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem,
vadertje! _Ik_ kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een
meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o
vadertje, spreek met hem!
Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij
stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne
vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En
hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke
dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd--onvermoeid en
krachtig--in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt.
--Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog
eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om
niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden.
Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!
Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene
martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.
--Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan
geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe,
spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ik _bid_ er je
om!
--Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als
door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige
verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner
dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet
toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare
smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.
--Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me
over?
--Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.
--Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam
zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien,
zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of
Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders
bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de
vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden
onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander
gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom,
hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene
eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve
opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten
heerschten.
--Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik
ben zijn kind ...
Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een
leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij
leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een
groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen
hebben!
--Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug
als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd
zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen!
In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er
verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart
gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets.