XI.

En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest

en dat ze het goed--o God, te goed!--geraden had, terwijl zij

integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk

magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts

woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten.

Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als

haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid

wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm

die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze

hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene

vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie

zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dat _hij_ alles deed: dat

_hij_ het eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dat

_hij_ de scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dat _hij_ Eve

dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de

helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de

crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der

omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben

uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een

leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde;

hijzelf was er onschuldig aan ...

En dit was geen zelfbedrog: hij _meende_ dat alles.

Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op,

die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij

meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar

zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene

somnambule.

--Ik moet u spreken, vader ...

Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische

studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die

zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had

hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij

iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde

zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol

ingehouden smart.

--Ben je niet wel, kind?

--O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen

of u eens met Frank wilt spreken.

--Met Frank?

--Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ...

En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met

dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde

vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in

haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had

ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit

iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar

verhaal en zweeg dus over hem.

Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er

zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar

in hare ziel was!

--En ... wat dan? vroeg hij aarzelend.

--En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij

nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad,

liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo

somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor

liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien

verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ...

Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet

gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me,

dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik

kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik

weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem

niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen

en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me

aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt

het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een

spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o,

ik ben zoo ongelukkig ...

Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën.

Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield

van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene

sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en

onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven,

haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was,

nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men

zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te

veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek.

Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want

het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek

ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder,

droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met

Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw

van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat

gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een

gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande

schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London

... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde

rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag

uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer

onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme.

--Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je

nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ...

--Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen

gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en

in me komt ... buiten mijn wil ...

--Maar kind, je praat nonsens ...

--....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar

dan komt het weêr terug ...

--Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat

je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een

poosje weg, en het komt en het gaat weêr ...

Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan

zijne voeten.

--Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man:

u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen

zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem

alles vragen?

--Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen

vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder

jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En

Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij

geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en

moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je,

hoor, heel dwaas.

Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van

rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje

van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze

pijnen.

--Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor

je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo

ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem,

vadertje! _Ik_ kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een

meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o

vadertje, spreek met hem!

Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij

stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne

vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En

hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke

dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd--onvermoeid en

krachtig--in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt.

--Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog

eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om

niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden.

Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!

Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene

martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.

--Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan

geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe,

spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ik _bid_ er je

om!

--Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als

door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige

verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner

dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet

toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare

smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.

--Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me

over?

--Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.

--Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam

zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien,

zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of

Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders

bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de

vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden

onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander

gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom,

hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene

eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve

opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten

heerschten.

--Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik

ben zijn kind ...

Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een

leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij

leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een

groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen

hebben!

--Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug

als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd

zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen!

In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er

verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart

gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets.

Noodlot · 第 29 / 48 题