Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele
sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van
list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet
verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had:
twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve
zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne
woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid?
Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende,
eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances
zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem
nog wel eens gevraagd naar dat _iets_, maar daarna werden hunne
gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag
niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank
gezegd of gevraagd ...
Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne
eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn
eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap
op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene
helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne
hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel
hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo
zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op
één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene
naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis,
het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij
zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel
besteedde, edeler dan het zijne was ...
--Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen.
Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden
voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn
lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de
eerste stap was genomen, het was het Lot ...
Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn
knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide
het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die
het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine
gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes,
die--het Lot wilde het zoo--men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het
Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid
aan den leugen, dat men door zichzelven--energie--iets kan wijzigen aan
den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een
woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval--toeval, wàt is
toeval?!--dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve--zoo
klein, zoo fijn, zoo verloren--niet zien zoû!
Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het
Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat
smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ...
En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth
van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst
meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht,
verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij
maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank
was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en
onstandvastig: hij zoû nooit zijne vrouw gelukkig maken.
Maar Bertie zag ook aanstonds in, dat dit zelfbedrog was en dan lachte
hij weêr en schudde het hoofd, omdat hij zichzelven zoo comiek, zoo
vreemd vond. Het leven was niets, niet de moeite waard zich er om te
vermoeien, maar zoo in zichzelven door te dringen, zichzelven te
bestudeeren, zoo te blikken in zijn denken, zoo te goochelen met zijne
gedachten, dàt was belangwekkend, dàt was eene interessante bezigheid,
terwijl men lui op een zachten divan lag ...
En toch genoot hij slechts zelden eenige hersenrust, want de spinsels
zijner sluwheid weefden, haar afmattend, zich voort in zijne gedachte.
Ook zijne uitingen tegen Eve--soms lange gesprekken, soms halve
zinnen--matteden hem af door het telkens en telkens nauwkeurig afwegen
der woorden. Maar niets van deze afmatting was aan zijn uiterlijk te
bespeuren en die woorden, ze rolden zoo schijnbaar ondoordacht van zijne
lippen, dat zij schenen te leven van natuurlijkheid. Inderdaad waren zij
de frases van een comediespelend, vooruit ingestudeerd pessimisme; zij
treurden over het leven, zij beklaagden Eve met eene mysterieuze
ontferming, en, tusschen die smart heen, beschuldigden zij
Frank--eventjes, ter loops, met niets, bijna alleen met hun
accent--beschuldigden zij hem van grilligheid, onstandvastigheid,
wuftheid, weifelmoedigheid. Bij den minsten uitroep van Eve echter
spraken zij zichzelven weêr tegen, kunstig schermend nu met zichzelven,
dan met Eve, als met de feintes van fijne floretten, terugtrekkende
schijnsteken, een prikje hier, een prikje daar, een druppeltje bloed
stortend, telken keer ...
En Eve zelve scheen het, dat hare ziel, na eerst door een riool gesleurd
te zijn, uitbloedde onder die prikjes. Het was eene smart, zeer
duidelijk, als zij in wanhoop de werkelijkheid vergeleek met hare
illuzies, vager wordend, zich uitwisschend, als zij wat koel verstand
had om er over te redeneeren en zich af te vragen: waarom voel ik mij
zoo rampzalig? Omdat Frank is zoo als alle jongelui schijnen te zijn?
Omdat Bertie pessimist is en wanhoopt, dat ik gelukkig zal worden?...
Dan haalde zij hare schouders op, hare smart was niet te begrijpen, was
een nevel geworden, was weg ... Zij was immers zeer gelukkig gewèest;
Bertie's wanhoop was ziekelijk; zij wilde wéêr gelukkig worden. Maar
niettegenstaande die logica de smart even verdreef, kwam ze aanstonds
weêr terug, trots redeneering en verstand, zeer halsstarrig, als iets,
dat een golf aanspoelt, dat komt en wijkt, wijkt en komt.
Zij kòn dat niet langer uithouden en eens, toen zij goed in zichzelve
dorst te zien, zag zij, dat zij twijfelde aan Frank, aan de waarheid
zijner verzekeringen omtrent die vrouw ... En zij vroeg, smachtende naar
zekerheid, aan Bertie, hun vriend:
--Bertie, zeg het me: dat _iets_, waarover je verleden sprak, dat
geheimzinnige, wat is het?
--Ach, niets, beste meid, heusch niets ...
Doordringend zag zij hem aan en zij vervolgde met eene vreemde, koude
stem:
--Jawel, ik weet het, ik heb het geraden ...
Bertie schrikte op: wat dacht zij, wat woelde haar door het hoofd ...?
--Ik heb het geraden, herhaalde ze. Frank houdt niet van me: hij houdt
... hij houdt van die vrouw, dat mensch van het Lyceum ... Hij heeft
altijd van haar gehouden ... Is het zoo?
Bertie zweeg en zag strak voor zich uit: dat was het gemakkelijkst en
het verstandigst.
--Bertie, zeg: is het zoo?
--Ach, wel neen! antwoordde hij mat. Wat een dwaasheid haal je je toch
in het hoofd. Hoe kom je daar nu aan ...
Er was geen klank van overtuiging in zijne stem: hij sprak blankweg, als
was hij er niet bij, als overwoog hij iets in zichzelven.
--Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze
zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde.
--Maar wel neen ... Wat denk je toch wel?
Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog
eene pooze, haar van ter zijde bestudeerend. Toen, om zijne te flauwe
tegenwerpingen te temperen:
--Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van
Frank. Dat is niet mooi ... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden
man ...
--Het is dus niet waar?
--Heusch niet: hij ziet haar niet meer ...
--Maar geeft hij niet meer om haar?
Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een
fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden.
--Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend.
--Je antwoordt me niet! bad ze.
Weêr die zelfde blik, vol duisternis.
--O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van
hare ziel.
--Wat wil je, dat ik weet van Franks gevoelens? waagde hij te sissen. Ik
weet het niet, daar!
--Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend.
--Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend,
opstaande.
--Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd
aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij
ziet haar nu wel niet meer, uit eerbied voor mij, maar toch denkt hij
en spreekt hij over haar met je ... en daarom is hij stil en somber als
hij hier is ... Is het zoo?
--Ach, God, ik weet het niet! steunde hij met een zacht ongeduld. Wat
weet ik?
--Maar waarom doet hij dan of hij van mij houdt, waarom heeft hij me
gevraagd? Omdat hij een oogenblik, in Noorwegen, heeft gedacht, dat hij
buiten haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen en nu niet
meer kan?
Hij sloeg zijn handen in elkaâr.
--O, God, Eve, schei uit, schei uit! Ik weet het niet, zeg ik je, ik
weét hèt nièt, daar, daar, daar ...
Hij zonk met een zucht van uitputting in zijn stoel terug. Zij bleef
zwijgen, en de tranen vloeiden haar als een regen uit de oogen,
onophoudelijk.