Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag
zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ...
Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar
buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig
duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij
eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw
vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende
onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol
gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar
in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar
Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het:
--Zoo, dag Frank, dag lieve vent ...
Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat
poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging
haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,--een der skatingrinkjes--,
terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat
zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich
wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te
spreken, die met eene dame liep!
Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die
achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ...
Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en
zelfs naar voren geknikt, zeggende:
--Daar loopt Frank ...
Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien!
Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur
afscheid nemen, maar Frank sprak:
--Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ...
Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ...
Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen.
Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij
ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden.
--Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag
niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ...
En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun
jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer,
het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden:
ze wist dat nietwaar?
--Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een
verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel?
--Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde
zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij
haar troosten zoû.
--Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in
den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne
innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze,
haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû:
--Nu niet meer ...?
Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een
stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de
zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid
blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg
vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat
altijd zoo was ...
--O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat
wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ...
Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen,
beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ...
--Heb je het koud, lieveling?
Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij
wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde
zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus,
waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje
liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde
niet aandringen. Het zoû wel slijten ...
Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in
koorts.
Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig,
dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad,
vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en
vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze
nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van
"Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen
had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het
blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand
een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had
weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars
door een riool was gesleurd.
En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor
Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich
het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar
romantisch gemoed.