VIII.

Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar

beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen

pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim?

Was er iets met Frank ...

En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met

gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:

--Wat is er, Frank? en hij antwoordde:

--Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij

samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne

plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart

drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde

met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan

binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene

schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij

zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit

te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een

schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had

staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En

nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk,

hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene

kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs

had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne

stem en zijn blik tegenover Frank.

Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende

twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een

oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij

dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende

stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er

vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te

beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had?

Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene

menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart

geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank

vragen of hij _iets_ had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was

altijd hetzelfde antwoord:

--Niets, lieveling!

Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als

geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en

hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met

energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij

overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op

elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die

zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:

--Wat? Wat is er? Is er iets?

En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en

Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach,

vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat

hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van

zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer

tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne

woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen

zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol

fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had:

een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid

harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne

onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn

schijnbestaan, als van iets ontastbaars,--een droom,--in haren geest.

Noodlot · 第 26 / 48 题