Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar
beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen
pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim?
Was er iets met Frank ...
En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met
gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:
--Wat is er, Frank? en hij antwoordde:
--Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij
samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne
plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart
drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde
met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan
binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene
schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij
zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit
te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een
schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had
staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En
nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk,
hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene
kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs
had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne
stem en zijn blik tegenover Frank.
Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende
twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een
oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij
dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende
stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er
vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te
beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had?
Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene
menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart
geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank
vragen of hij _iets_ had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was
altijd hetzelfde antwoord:
--Niets, lieveling!
Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als
geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en
hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met
energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij
overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op
elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die
zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:
--Wat? Wat is er? Is er iets?
En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en
Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach,
vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat
hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van
zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer
tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne
woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen
zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol
fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had:
een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid
harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne
onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn
schijnbestaan, als van iets ontastbaars,--een droom,--in haren geest.