Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite
meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn
voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank
voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst
had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een
armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend
jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde,
die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen,
eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der
eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed
vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu
achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten
... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van
hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige
woekerplant had aangekweekt.
De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit
de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie
sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof
leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met
gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd
heen.
--Wat is er, Frank? vroeg ze.
--Niets, lieveling ...
--Ben je nog jaloersch?
--Neen, ik zal me verbeteren ...
--Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet
altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem
met hem geworden zijn ...
Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.
--En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.
Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van
Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl
hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens
ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met
zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met
hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook
eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine
hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden
geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in
een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de
genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds
op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje
medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te
hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet
interesseerden en zei:
--Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.
En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te
troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen
harer lange wimpers:
--Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar?
Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar
toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr
was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie:
--Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve.
Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde,
om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief
gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij:
--Beloof me, dat je het niet meer doen zal....
Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst.
--Het is immers maar gekheid! sprak ze.
--Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug.
Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het
hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin
haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken
aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer
ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij
gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste
zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij
gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne
levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de
gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van
zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en
tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg
omwindt in den draad, dien zij uitweeft.
--Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je
me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik
kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ...
Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn
toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij
doorzag, maar zij sprak toch:
--Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer
doen ...
--Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet
zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist
uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten,
wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.
--Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het
bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende
tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer
zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het
hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach
hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch
zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare
geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk
van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het
zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het
geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in
blankverzen ...
--Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij.
Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend,
dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het
halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging
naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten,
naast haar.
--Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen?
Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij
sprak ten laatste met eene klanklooze stem:
--Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben:
geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw
zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ...
--Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe?
--Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en
dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan
eens aan me denken?
--Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?
Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij
doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik,
dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein
duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu
ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde
zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage
ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die
treurige, klanklooze stem, als van een zieke:
--In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.
--Waarom niet?
--Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet,
onmogelijk.
En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie
zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht,
een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon
blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het
was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille
wanhoop, die van hem uitstraalde.
Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een
vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend
ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.
--En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal
je dan gelukkig zijn, Eve?
--Maar Bertie ...
Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn
van geluk, tegenover zijne smart.
--Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.
Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner
mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met
groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.
--Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.
--Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want
ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...
--Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep
zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.
--Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds
wringend zijn handen ...
Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:
--Arm kind!
--Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.
Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ...
--O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb
zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik
weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!
Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het
tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een
kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en
het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel
verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote,
verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.
--Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ...
Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je,
spreek dan toch!!
Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder
de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich
herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij
stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet
medelijdend meer, maar koel beslist!
--Neen, neen, Eve, er is niets ...
--Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn
God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??
Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij
voelde dat.
--Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik
heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die
vaas is omgevallen ...
--Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?
Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de
rozen weêr in de vaas ...
--Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.
Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend
geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend
geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en
barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van
een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.
--Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen
zou komen ...
Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze
zacht drukkend.
--Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is
niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie,
ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want
het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het
meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel
van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve
... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds,
want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf,
ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan
iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand
dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die
vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt
iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik
maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me
soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van
Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo
gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je:
vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig,
wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de
nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met
zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo
open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom
Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen,
begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!
En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al
gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij
bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter
zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht
venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als
woekerkruiden en giftplanten.
--Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.
--Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net
een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg
ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan
gelukkig zijn? Zweer je het me?
Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit
Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had
willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!
Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en,
hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans,
met zijn smartelijksten glimlach:
--Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het
niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb
ik?
--Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen,
heusch niet ...
Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.
--Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol
nachtelijk mysterie.
Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid:
Frank alleen zou blijven dineeren.
--Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner
dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als
een etherisch waas.
--Wat? vroeg zij, zacht weenend.
--Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend
opstaande, doodmoê, huiverend.
--O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer
doen, nietwaar ...
--Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan
zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een
achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.
Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het
vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar
neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het
spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den
mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde
zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld
had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank,
slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar
schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis
wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen
tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en
in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk
en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan
rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen
trillend, rond, als naar een steun ...
Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze
juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje
huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...
En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.