VII.

Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite

meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn

voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank

voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst

had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een

armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend

jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde,

die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen,

eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der

eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed

vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu

achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten

... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van

hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige

woekerplant had aangekweekt.

De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit

de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie

sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof

leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met

gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd

heen.

--Wat is er, Frank? vroeg ze.

--Niets, lieveling ...

--Ben je nog jaloersch?

--Neen, ik zal me verbeteren ...

--Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet

altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem

met hem geworden zijn ...

Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.

--En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.

Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van

Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl

hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens

ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met

zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met

hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook

eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine

hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden

geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in

een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de

genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds

op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje

medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te

hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet

interesseerden en zei:

--Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.

En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te

troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen

harer lange wimpers:

--Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar?

Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar

toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr

was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie:

--Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve.

Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde,

om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief

gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij:

--Beloof me, dat je het niet meer doen zal....

Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst.

--Het is immers maar gekheid! sprak ze.

--Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug.

Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het

hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin

haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken

aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer

ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij

gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste

zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij

gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne

levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de

gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van

zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en

tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg

omwindt in den draad, dien zij uitweeft.

--Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je

me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik

kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ...

Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn

toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij

doorzag, maar zij sprak toch:

--Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer

doen ...

--Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet

zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist

uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten,

wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.

--Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het

bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende

tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer

zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het

hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach

hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch

zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare

geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk

van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het

zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het

geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in

blankverzen ...

--Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij.

Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend,

dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het

halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging

naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten,

naast haar.

--Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen?

Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij

sprak ten laatste met eene klanklooze stem:

--Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben:

geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw

zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ...

--Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe?

--Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en

dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan

eens aan me denken?

--Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?

Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij

doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik,

dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein

duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu

ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde

zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage

ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die

treurige, klanklooze stem, als van een zieke:

--In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.

--Waarom niet?

--Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet,

onmogelijk.

En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie

zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht,

een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon

blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het

was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille

wanhoop, die van hem uitstraalde.

Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een

vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend

ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.

--En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal

je dan gelukkig zijn, Eve?

--Maar Bertie ...

Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn

van geluk, tegenover zijne smart.

--Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.

Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner

mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met

groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.

--Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.

--Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want

ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...

--Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep

zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.

--Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds

wringend zijn handen ...

Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:

--Arm kind!

--Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.

Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ...

--O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb

zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik

weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!

Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het

tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een

kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en

het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel

verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote,

verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.

--Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ...

Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je,

spreek dan toch!!

Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder

de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich

herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij

stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet

medelijdend meer, maar koel beslist!

--Neen, neen, Eve, er is niets ...

--Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn

God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??

Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij

voelde dat.

--Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik

heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die

vaas is omgevallen ...

--Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?

Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de

rozen weêr in de vaas ...

--Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.

Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend

geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend

geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en

barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van

een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.

--Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen

zou komen ...

Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze

zacht drukkend.

--Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is

niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie,

ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want

het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het

meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel

van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve

... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds,

want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf,

ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan

iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand

dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die

vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt

iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik

maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me

soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van

Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo

gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je:

vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig,

wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de

nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met

zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo

open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom

Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen,

begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al

gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij

bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter

zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht

venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als

woekerkruiden en giftplanten.

--Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.

--Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net

een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg

ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan

gelukkig zijn? Zweer je het me?

Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit

Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had

willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!

Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en,

hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans,

met zijn smartelijksten glimlach:

--Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het

niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb

ik?

--Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen,

heusch niet ...

Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.

--Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol

nachtelijk mysterie.

Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid:

Frank alleen zou blijven dineeren.

--Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner

dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als

een etherisch waas.

--Wat? vroeg zij, zacht weenend.

--Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend

opstaande, doodmoê, huiverend.

--O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer

doen, nietwaar ...

--Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan

zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een

achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.

Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het

vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar

neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het

spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den

mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde

zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld

had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank,

slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar

schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis

wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen

tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en

in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk

en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan

rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen

trillend, rond, als naar een steun ...

Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze

juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje

huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...

En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.

Noodlot · 第 25 / 48 题