Eens echter dacht hij, dat alle hoop hem begeven zoû: het gevaar dreigde
onmiddellijk.
--Bertie! sprak Frank, die thuis kwam, zeer opgewonden. Je zoû morgen
met den dag kunnen geholpen zijn. Een van onze clubvrienden, Tayle, je
weet wel, zocht, naar hij mij zeide, iemand als particulier secretaris
bij zijn vader, Lord Tayle. De oude man woont op zijn kasteel in
Northumberland, is altijd ziek en is wel wat lastig, naar zijn zoon me
verteld heeft, maar toch schijnt het mij toe, dat je niet gauw zoo iets
terug zal vinden ... Je zoû een toelage van tachtig pond krijgen, en
natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er al dadelijk met Tayle over
gesproken, als je me niet vroeger verzocht had ...
--Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, haastig en bijna beleedigd.
--Neen, antwoordde Frank, verwonderd over zijn toon. Ik heb niets willen
voorstellen, voordat ik je gesproken had. Maar beslis nu gauw, want
Tayle had reeds twee anderen op het oog. Als je echter nu nog niet
beslissen kan, zal ik dadelijk naar Tayle toerijden: mijn rijtuig wacht
...
En hij greep reeds zijn hoed.
Tachtig pond, eene betrekking als secretaris met vrij wonen op een
kasteel, wat zoû het Bertie vroeger als met glans verblind hebben,
vroeger in Amerika. En nu ...
--Beste Frank! sprak hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede
bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoo iets niet
accepteeren. Zend je rijtuig maar weg....
--Wat! riep Frank, ontzet van verbazing. Wil je er niet eens over
denken!
--Dank je hartelijk. Als je me niets beters hebt aan te bieden dan eene
dienstbare betrekking bij den vader van iemand, waarmeê je mij als
gelijke hebt laten omgaan, dan bedank ik je er voor! Om een bagatel van
tachtig pond 'sjaars ga ik me niet opsluiten als schrijfknecht bij een
ouden, zieken, brommigen man. Daarbij, wat zoû Tayle van me denken! Hij
heeft me gekend als jouw vriend en heeft als zoodanig met me omgegaan.
En nu zoû hij me terugvinden als loontrekkende van zijn vader. Ik kan
niet zeggen, dat je veel fijn gevoel hebt, Frank.
Het duizelde hem, terwijl hij zoo sprak; nog nooit had hij zulk een toon
van hoogmoed tegen Frank aangeslagen, maar het waren als kreten van
wanhoop, geslaakt in de zwijmeling van zijn valschen trots.
--Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijne
kennissen, en door mijne kennissen moet ik je toch aan iets helpen.
--Ik wil niet geholpen worden door iemand, wie ook, van onze
clubgenooten, ook niet door iemand van de personen bij wie je mij
gepresenteerd hebt.
--Dat maakt het geval moeilijk! sprak Frank, schamper lachend, terwijl
eene groote woede in hem begon op te borrelen. Dus je wilt niet?
--Neen, ik wil niet.
--Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort.
--Op het oogenblik: niets.
--Ja, op het oogenblik, goed. Maar later?
--Dat zal ik wel eens zien. En als jij niet kiescher kan zijn ...
Hij hield op, schrikkende van zijn eigen toon, schijnbaar meesterachtig
hoog, en inderdaad zoo opzwellend door de wanhoop van luiheid en trots.
Zij zagen elkander eene pooze aan, en het werd hun eensklaps alsof zij
beiden vele stille grieven tegen elkaâr koesterden, grieven, die zich
hadden opgestapeld onder de vriendschappelijkheid van hun samenzijn,
grieven, die zij op het punt waren elkaâr in het gezicht te smijten als
lage beleedigingen.
Toen werd Bertie meester van zichzelven. Hij bedacht zich of hij zich
niet vergeten had. En hij glimlachte en stak zijne handen uit:
--Vergeef me, Frank! smeekte hij met zijne stem als gedempt goud, met
zijn lieven glimlach. Ik weet, dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je
nooit, neen nooit kunnen vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Maar
_dit_ kan ik heusch niet aannemen. Liever word ik weêr kellner of
conducteur op een tram. Vergeef me, als ik je ondankbaar schijn.
Zij verzoenden zich. Maar Frank vond dien trots van Bertie belachelijk
en leed er onder, dat dit alles een geheim voor Eve moest blijven; hij
had zoo gaarne Eve hierin geraadpleegd. En meer en meer zag hij met
fronsende wenkbrauwen en knippende oogen naar henbeiden. Eve en Bertie,
als zij des avonds in het zachte, blauw omkapte licht der lampen naast
elkander zaten, pratend als broêr en zuster. Het was als eene geheime
onreinheid. Dan moest hij zich geweld aandoen niet uit te schreeuwen,
dat Bertie een klaplooper, een gemeen sujet was, zich geweld aandoen hen
niet te scheiden van elkander, hen niet te rukken uit de rustig
glimlachende en schuldelooze intimiteit van hun gesprek over meubels en
draperieën.