Frank was Bertie in den laatsten tijd als een lastpost gaan beschouwen.
Hoewel hijzelf niet begreep waarom, zag hij zijn vriend ongaarne met Eve
samen en door hunne intimiteit kwam dit bijna dagelijks voor. Daarbij
had Eve het goed voorzien, dat zij zeer moeilijk zich tegen Bertie
anders kon gedragen dan zij tot nog toe gewoon was geweest te doen.
Intusschen, Bertie moest het dulden, dat Frank zeer koel tegen hem werd.
Na eene escapade van drie dagen was deze koelheid duidelijk gebleken:
Frank, die gewoonlijk na zulk eene geheimzinnige vlucht nieuwsgierig
uitvroeg, waar Bertie toch gezeten had, vroeg ditmaal ... niets. En
Bertie beloofde zichzelven, dat _deze_ escapade de laatste zoû geweest
zijn.
Daarna was het gesprek gekomen, waarvoor Bertie zoo gevreesd had; op een
vertrouwelijk oogenblik had Frank gesproken over zijn aanstaand huwelijk
en zijn vriend gevraagd wat hij van plan was hierna te doen.
--Je begrijpt, beste jongen! waren Franks zachte woorden geweest; dat ik je
met alle pleizier aan iets helpen zal: eene betrekking hier of in Holland.
Ik heb wel eenige connecties ... En, zoolang je nog niets hebt, zal ik je
natuurlijk niet zonder bijstand laten, daar kan je op rekenen. Maar ik huur
White-Rose niet meer in: Eve vindt het hier wat ver-afwonen en geeft de
voorkeur aan Kensington, zooals je weet ... We hebben intusschen een
gezelligen tijd samen gehad, niet waar?
En hij had Bertie op den schouder geklopt, dankbaar voor het
kameraadschappelijk leven, dat zij tusschen deze muren genoten hadden en
zelfs met een klein beetje medelijden voor dien armen jongen, die zich
de genietingen der weelde zoo aangenaam liet welgevallen en die, helaas!
geen weelde had. Verder drong hij echter niet in Bertie's
gemoedstoestand door: Bertie was immers gewend aan een vie de bohême: na
ellende had hij weelde gekend; nu zou het leven weêr een beetje minder
gemakkelijk voor hem worden: dat was alles.
Bertie zelf, walgend van de harteloosheid zijner eerste overpeinzingen,
liet zich doelloos meêsleepen van dag op dag, zonder meer aan zijne
intriges te denken. Daarbij had hij soms het naïeve geloof, dat het lot
hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te zijn: zijn
fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf.