Toen Frank en Eve later even alleen waren en Eve de modellen toonde, die
Bertie had aangeraden, begon Frank:
--Eve....
Zij zag hem vragend aan, stralend van haar rustig geluk.
Het woelde in zijn hoofd; hij had veel met haar willen spreken, over
Bertie. Maar eensklaps herinnerde hij zich zijne belofte aan zijn
vriend: nooit het ware over hem te zullen openbaren ... Frank was
iemand, die een gegeven woord naïfweg onschendbaar achtte en hij zag
eensklaps in, dat hij niet zeggen mocht, wat hij had willen zeggen ...
En toch: hij herinnerde zich zijne huivering, op Moldehoï, toen Eve zoo
vertrouwelijk hare, ten gunste van Bertie veranderde, meening had geuit
... Had hij niet iets gevoeld alsof de zwarte wolken een symbool schenen
van onheil, dat haar boven het hoofd hing? En had hij, terwijl zij daar
op dien divan gezeten waren, niet die, zelfde huivering, als eene slang,
over zijne huid voelen sluipen? Het was een instinctieve angst geweest,
onverwachts opschietend, zonder inleidende gedachten. Moest hij spreken,
haar zeggen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd ... En het was
eene dwaze bijgeloovigheid zulke ongemotiveerde angsten over zich te
laten heerschen. Bertie was wat anders dan gewone menschen, Bertie was
zeer lui en leefde te gemakkelijk op kosten van anderen--iets, dat
Frank niet begreep en waarover hij in zijne goedigheid slechts
glimlachend het hoofd schudde, als over eene onverklaarbare
curioziteit--maar Bertie was niet slecht ... Eigenlijk verborg hij,
Frank, dus Eve niets dan dat Bertie geen geld had.... Wat had hij dan
willen zeggen en wàt woelde er eigenlijk in zijn hoofd....
Eve zag hem echter aan met groote oogen, en hij moest spreken. Toen
begon hij, gedwongen ondanks zichzelven, gedwongen door eene vreemde
macht, die hem zijne woorden als voorzeide:
--Ik woû je zeggen.... je zal me misschien dwaas vinden ... maar ik vind
het niet aangenaam.. ik vind het niet goed....
Zij zag hem steeds met groote oogen aan, verwonderd glimlachend om zijn
stamelen. Het was dat onbesliste, in haar oog zoo lief afstekend tegen
zijne lichamelijke forschheid ... En zij zette zich op zijne knie,
leunend tegen hem aan en hare stem klonk als een rythme van liefde:
--Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat toch?
Hare oogen lachten in de zijne, ze boog hare armen los om zijn hals,
hare vingers strengelend, en nogmaals vroeg ze:
--Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan?
--Ik hoû er niet van, dat je ... dat je altijd zoo met Bertie zit ...
Zijne woorden wrongen zich uit zijne keel, zonder dat hij ze wilde
uiten, en nu ze gesproken waren scheen het hem toe, dat hij iets anders
had willen zeggen. Eve was zeer verbaasd.
--Zoo met Bertie zit! herhaalde ze. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik
iets gedaan, dat niet goed was? Of ... zeg, Frank, ben je zoo
verschrikkelijk jaloersch?
Hij trok haar vast tegen zich aan, kuste haar en hij mompelde:
--Ja ... ja ... ik ben jaloersch ...
--Maar op Bertie, je besten vriend, waarmeê je samen woont! Op dien ben
je toch niet jaloersch!
--Ja ... jawel ... op hem ...
Zij lachte eensklaps helder en meêgesleept door haar eigen lach,
schaterde zij het uit, steeds op zijne knie, met haar hoofd op zijn
schouder.
--Op Bertie! lachte zij. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik
beschouw hem zoo als een aardig jongetje, bijna als een meisje ... Hij
is zoo klein en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloersch op
Bertie?!
--Lach zoo niet! mompelde hij, zijne wenkbrauwen fronsend; waarlijk, ik
meen het, je bent zoo intiem met hem....
--Maar hij is je beste vriend!
--Ja, dat kan wel zijn, maar toch ... toch ...
Zij begon weer te lachen, ze vond hem allervermakelijkst en tevens had
ze er hem zeer lief voor, dat hij zoo mopperde en zoo jaloersch was.
--Gekke jongen! lachte zij en hare vingers speelden met zijne blonde,
goudschitterende snor. Wat ben je dwaas, o wat ben je toch dwaas!
--Maar beloof je me ... hernam hij.
--O zeker, als ik je daarmeê gerust stel ... Ik zal meer op een afstand
zijn ... Maar het zal me wel een heele moeite kosten, want ik ben zoo
gewend aan Bertie ... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus blijf
ik heel vriendelijk tegen hem ... Neen, neen hoor, vriendelijk blijf ik
tegen hem! Gekke jongen, die je bent! Ik heb nooit geweten, dat je zoo
dwaas kon zijn!
En zij schaterde helderder dan ooit, terwijl zij, in hare verliefde
vroolijkheid, zijn hoofd heen en weêr schudde, hare beide kleine handen
warrend in zijn dik haar.