De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage
verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder
gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den
schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met
Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend:
--We zullen goede vrienden zijn, nietwaar?
Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in
zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de
hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een
divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de
nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank
zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in
zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar
zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot
elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne
vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in
een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve
toe en sprak:
--Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ...
En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen
vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet
gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald,
dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch
aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid.
Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie
voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het
mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel
voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte:
iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een,
door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische
vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde
voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit
had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit
had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig,
groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene
liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die
fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne
indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk
besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde
zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast
met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar
wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er
nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het
meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring,
die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van
de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner
gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die
mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met
zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens
lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te
raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man
zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was
zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de
tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij
was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze.
En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het
niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan
dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem
in hare armen te omhelzen, haar Frank ...
En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische
tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals
hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en
rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar
ook later niet meer voldaan--zooals het nu voldaan werd door hare
zusterlijke vriendschap voor Bertie--zij er niet om zoû treuren, in hare
volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen
voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige
lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen.
Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank
daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier!
Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in
hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend
zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een
tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte,
zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte
schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een
net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne
manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen!
Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar
opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend
spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat
zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij:
--Waarom lach je zoo?
--Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar
glimlach:
--Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie?
--Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan?
--Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken
smaak....
--Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet,
dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van
smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden
deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch
dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem!
--Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden
en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht,
voegde hij er bij:
--En ik zoû er te lui toe zijn....
Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en
instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had....
Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te
verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur
hoofdje schudde.