III.

De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage

verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder

gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den

schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met

Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend:

--We zullen goede vrienden zijn, nietwaar?

Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in

zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de

hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een

divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de

nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank

zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in

zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar

zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot

elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne

vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in

een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve

toe en sprak:

--Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ...

En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen

vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet

gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald,

dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch

aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid.

Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie

voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het

mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel

voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte:

iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een,

door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische

vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde

voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit

had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit

had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig,

groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene

liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die

fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne

indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk

besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde

zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast

met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar

wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er

nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het

meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring,

die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van

de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner

gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die

mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met

zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens

lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te

raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man

zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was

zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de

tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij

was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze.

En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het

niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan

dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem

in hare armen te omhelzen, haar Frank ...

En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische

tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals

hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en

rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar

ook later niet meer voldaan--zooals het nu voldaan werd door hare

zusterlijke vriendschap voor Bertie--zij er niet om zoû treuren, in hare

volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen

voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige

lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen.

Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank

daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier!

Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in

hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend

zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een

tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte,

zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte

schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een

net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne

manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen!

Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar

opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend

spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat

zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij:

--Waarom lach je zoo?

--Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar

glimlach:

--Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie?

--Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan?

--Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken

smaak....

--Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet,

dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van

smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden

deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch

dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem!

--Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden

en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht,

voegde hij er bij:

--En ik zoû er te lui toe zijn....

Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en

instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had....

Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te

verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur

hoofdje schudde.

Noodlot · 第 21 / 48 题