II.

Dien nacht,--hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren

bij de Rhodes'--sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten.

Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding

heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als

schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene

cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten;

havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf

lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke

gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van

kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne

hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste

overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne

oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij

bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig

zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door

het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met

groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als

wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide

handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich

dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door

zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er

hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie

stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij

een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid

een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr

overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij

schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden,

in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf

wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar

de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve,

hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en

breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich

tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend

opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener

opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk

hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid

door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel

geluid van veel koper.

Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het

uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern

tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de

mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en

de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen....

Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij

dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne

wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte,

bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn

voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen

aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed

in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling

zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten,

in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput

neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van

zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open

en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al

zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid

zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw;

de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken,

hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het

was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo

oppermachtig ...

Noodlot · 第 20 / 48 题