Dien nacht,--hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren
bij de Rhodes'--sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten.
Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding
heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als
schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene
cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten;
havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf
lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke
gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van
kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne
hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste
overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne
oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij
bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig
zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door
het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met
groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als
wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide
handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich
dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door
zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er
hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie
stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij
een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid
een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr
overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij
schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden,
in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf
wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar
de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve,
hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en
breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich
tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend
opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener
opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk
hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid
door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel
geluid van veel koper.
Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het
uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern
tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de
mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en
de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen....
Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij
dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne
wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte,
bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn
voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen
aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed
in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling
zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten,
in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput
neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van
zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open
en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al
zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid
zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw;
de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken,
hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het
was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo
oppermachtig ...