Eene maand had Bertie op White-Rose doorgebracht en hij was nu
nauwelijks te herkennen in den jongen man, die, onberispelijk in zijn
fijnen pels, met zijn nieuwmodischen hoogen hoed naast Frank zat in eene
open victoria, beiden bedolven onder een zwaren, bonten plaid. Hij
bewoog zich thans met groot gemak onder Franks kennissen, gekleed als
een dandy, innemend en minzaam, zijn Engelsch lispelend met een gemaakt
accent, dat hij voornaam vond. Hij dineerde met Frank iederen dag in
Franks club, waarin hij geïntroduceerd was, proefde met het
geblazeerdste gezicht ter wereld fazanten en fijnen wijn en rookte
havanna's van twee shilling alsof het strootjes waren. Frank had
inwendig den grootsten schik in hem en zag hem, met een glimlach vol
heimelijk vermaak, kalm zijn gang gaan, pratende met jongelui van de
wereld zonder zich een oogenblik uit het veld te laten slaan; en Frank
vond die comedie zoo amusant, dat hij hem, overal waar hij kwam,
presenteerde.
De winter verzachtte zich tot eene mistige lente, de season kwam en
Bertie scheen het zeer aangenaam te vinden afternoon-tea's en at-home's
bij te wonen; aan een groot diner tusschen twee paar mooie schouders te
flirten, nooit verblind door de tinteling der juweelen en nooit bedwelmd
door de tinteling der champagne; in een fauteuil der dress-circle
kwijnend achteruit te leunen, terwijl zijn fijn gelaat zeer
gedistingeerd rustte op zijn hoogen glanzenden boord, zijn wit boeketje
geurde in zijn knoopsgat en zijn binocle tusschen zijne, nu genezen,
vingers draaide, als was geene dier dames de moeite waard door hèm
betuurd te worden. Frank zelf, uit gebrek aan werkzaamheid, had als
iemand, die zijn vermaak neemt, waar hij het vindt, Bertie in dit leven
vooruit geduwd, niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de pret: een
dol amusement, om al die menschen voor den gek te houden! Bertie had
vele scrupules en noteerde, in een zakboekje, trouw elke penny, die
Frank voor hem uitgaf--in betere tijden zoû hij dat alles teruggeven--en
het lijstje bedroeg in die twee weken een paar honderd pond. Ook thuis
vond Frank hem een eenig amusement: Bertie, die met een paar lieve
woordjes Annie en haar man, Franks oppasser en butler, voor zich had
weten te winnen, gooide alle meubels dwars door elkaâr in eene grillige
wanorde, kocht beelden, groote palmen en Oostersche stoffen en herschiep
de ongezelligheid van vroeger tot een artistiek comfort, dat tot luizijn
uitnoodde: een half donker licht, ruime divans; de, met Egyptische
pastilles en fijne cigaretten doorgeurde, atmosfeer van een alkoof,
waarin alle gedachte wegdommelde en het oog half geloken bleef hangen
aan de naakte vormen der beelden, opbronzend onder het groen der
planten. Des avonds waren het daar festijnen, orgieën met enkele
uitverkoren vrienden en enkele uitverkoren schoonen: twee dames van een
skating-rink en eene figurante van een theâter, die met hare
vermillioenen lipjes genoeglijk rookten en dronken op Bertie's
gezondheid. Frank amuseerde zich als een koning om Bertie, die, in eene
diepe minachting voor het vrouwlijk geslacht, ongevoelig voor haar
drieër bevalligheden, ze voor den gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar
ophitste, tot zij elkaâr bijna de oogen uitkrabden, ze ten slotte
champagne goot in heur gedecolleteerde lijfjes.
Neen, nog nooit had Frank zich zoo geamuseerd gedurende zijn lang
verblijf te Londen, waar hij als ingenieur zich gevestigd had, om
zoogenaamd eene kosmopolitische tint aan zijne kennis te geven.
Hij was in-en ingoed, te doorvoed om veel te denken; hij had van alles
genoten en gaf niets om het leven, dat maar eene comedie was, die
gemiddeld zes en dertig jaren duurde, volgens de statistiek. Hij maakte
enkele pretenties op eene filosofische levensbeschouwing, maar eigenlijk
bestond deze in een uit-den-weg ruimen van alles wat niet amusant was.
Nu, Bertie wàs amusant, niet alleen om zijne grappen met die
vrouwen--wreed spel als van een panter--maar vooral om de klucht, die
hij in Franks wereld speelde, dat zich voordoen als een high-lifer: een
vagebond, die eene maand geleden in lompen op straat had staan bibberen!
Het was een geheim vermaak van elk oogenblik en hij gaf Bertie geheel en
al carte blanche om zijne rol vol te houden: eene carte blanche weldra
ingevuld door groote rekeningen van tailleurs, want Bertie kleedde zich
met geraffineerde ijdelheid, kocht dassen bij dozijnen, nam ieder
boordje dat in de mode kwam, nu recht, dan met een puntje zoo, dan met
een puntje zus, en wiesch zich met al de watertjes van Rimmel. Het was
of hij zich dompelen wilde in al de verfijndheid van een fat, na goor
geweest te zijn als een voddenraper. En noteerde hij eerst in zijn
zakboekje al deze mirobolante uitgaven, weldra vergat hij een post,
daarna nog een en eindelijk, omdat zijn potlood weg was, vergat hij
alles!
Zoo verliepen er weken en Frank dacht er niet aan moeite te doen bij
zijne invloedrijke kennissen om Bertie aan eene betrekking te helpen.
Hun leven van rijk niets doen vulde geheel hunne gedachte, ten minste
die van Frank, en het had nieuwe bekoring voor Frank gekregen om Bertie.
Toen gebeurde er eensklaps iets zonderlings. Bertie was des morgens
alleen uitgegaan en verscheen niet aan het lunch. Wie er des middags in
de club was, Bertie niet. Ook niet aan het diner. Des avonds kwam hij
niet thuis, hij had ook geen woord achtergelaten. Frank, zeer ongerust,
bleef den halven nacht op: niemand. Twee dagen gingen voorbij: niemand.
Frank vroeg hier, onderzocht daar, gaf eindelijk bij de politie aan.
Ten laatste, op een morgen,--Frank was nog niet opgestaan--verscheen
Bertie voor zijn bed, met een glimlach van verontschuldiging: Frank
moest het hem toch niet kwalijk nemen; hij was toch niet ongerust
geweest? Zie je, dat leven van altijd zoo netjes te zijn, had hem op
eens verveeld. Altijd die mooie dames met slepen en diamanten, en
altijd die clubs vol lords en baronets, en dan die skating-rinkjes, die
óok al altijd zoo fatsoenlijk waren!... En dan altijd een hooge hoed, en
's avonds altijd een rok met eene bloem! Het was criant! Hij had het
niet uitgehouden, hij was er eens van door geweest ...
--Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, ontzet van verbazing.
--O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit
Londen geweest ...
--En je kende hier niemand?
--O jawel, zoo geen fashionable menschen, weet je, zooals jij ... Maar
wel zoo ratje-toe ... Je bent toch niet boos op me?
Frank had zich half opgericht om hem op te nemen.
Hij zag er bleek, vermoeid en verwaarloosd uit. Zijne broek was van
onderen met eene dikke laag modder bedekt, zijn hoed gedeukt; zijne
overjas had een winkelhaak. En hij stond daar schijnbaar verlegen als
een jongen, met zijn ondeugenden, inpalmenden glimlach.
--Kom, wees maar niet boos ... Neem je me in genade aan?
Dat was Frank te sterk: hij proestte het uit, uitgelaten dol! Die
Bertie, wat een canaille!
--Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nogmaals.
--O nu eens hier, en dan eens daar ...
Verder kwam hij niet; Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde
zijn. En hij was wat moê, nij ging naar bed. Hij sliep tot drie uur toe.
Frank had er den heelen dag pret van, en ook Bertie had later dolle
pret, toen hij van de politie hoorde. Des middags, in de club aan tafel,
vertelde hij met een treurig gelegenheidsgezicht, dat hij voor een paar
dagen uit de stad was geweest, om een sterfgeval. Frank had zijn briefje
door een nonchalance van den knecht niet gekregen.
--Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem in,
onbedwingbaar vroolijk en nieuwsgierig, ten derden male.
--Ach, ik zeg je: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met
het eenvoudigste gezicht ter wereld en op nieuw netjes, zeer zorgvuldig,
de pink in de lucht, slurpte hij zijn zestal oesters naar binnen, zonder
een woord meer over de zaak.