III.

Eene maand had Bertie op White-Rose doorgebracht en hij was nu

nauwelijks te herkennen in den jongen man, die, onberispelijk in zijn

fijnen pels, met zijn nieuwmodischen hoogen hoed naast Frank zat in eene

open victoria, beiden bedolven onder een zwaren, bonten plaid. Hij

bewoog zich thans met groot gemak onder Franks kennissen, gekleed als

een dandy, innemend en minzaam, zijn Engelsch lispelend met een gemaakt

accent, dat hij voornaam vond. Hij dineerde met Frank iederen dag in

Franks club, waarin hij geïntroduceerd was, proefde met het

geblazeerdste gezicht ter wereld fazanten en fijnen wijn en rookte

havanna's van twee shilling alsof het strootjes waren. Frank had

inwendig den grootsten schik in hem en zag hem, met een glimlach vol

heimelijk vermaak, kalm zijn gang gaan, pratende met jongelui van de

wereld zonder zich een oogenblik uit het veld te laten slaan; en Frank

vond die comedie zoo amusant, dat hij hem, overal waar hij kwam,

presenteerde.

De winter verzachtte zich tot eene mistige lente, de season kwam en

Bertie scheen het zeer aangenaam te vinden afternoon-tea's en at-home's

bij te wonen; aan een groot diner tusschen twee paar mooie schouders te

flirten, nooit verblind door de tinteling der juweelen en nooit bedwelmd

door de tinteling der champagne; in een fauteuil der dress-circle

kwijnend achteruit te leunen, terwijl zijn fijn gelaat zeer

gedistingeerd rustte op zijn hoogen glanzenden boord, zijn wit boeketje

geurde in zijn knoopsgat en zijn binocle tusschen zijne, nu genezen,

vingers draaide, als was geene dier dames de moeite waard door hèm

betuurd te worden. Frank zelf, uit gebrek aan werkzaamheid, had als

iemand, die zijn vermaak neemt, waar hij het vindt, Bertie in dit leven

vooruit geduwd, niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de pret: een

dol amusement, om al die menschen voor den gek te houden! Bertie had

vele scrupules en noteerde, in een zakboekje, trouw elke penny, die

Frank voor hem uitgaf--in betere tijden zoû hij dat alles teruggeven--en

het lijstje bedroeg in die twee weken een paar honderd pond. Ook thuis

vond Frank hem een eenig amusement: Bertie, die met een paar lieve

woordjes Annie en haar man, Franks oppasser en butler, voor zich had

weten te winnen, gooide alle meubels dwars door elkaâr in eene grillige

wanorde, kocht beelden, groote palmen en Oostersche stoffen en herschiep

de ongezelligheid van vroeger tot een artistiek comfort, dat tot luizijn

uitnoodde: een half donker licht, ruime divans; de, met Egyptische

pastilles en fijne cigaretten doorgeurde, atmosfeer van een alkoof,

waarin alle gedachte wegdommelde en het oog half geloken bleef hangen

aan de naakte vormen der beelden, opbronzend onder het groen der

planten. Des avonds waren het daar festijnen, orgieën met enkele

uitverkoren vrienden en enkele uitverkoren schoonen: twee dames van een

skating-rink en eene figurante van een theâter, die met hare

vermillioenen lipjes genoeglijk rookten en dronken op Bertie's

gezondheid. Frank amuseerde zich als een koning om Bertie, die, in eene

diepe minachting voor het vrouwlijk geslacht, ongevoelig voor haar

drieër bevalligheden, ze voor den gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar

ophitste, tot zij elkaâr bijna de oogen uitkrabden, ze ten slotte

champagne goot in heur gedecolleteerde lijfjes.

Neen, nog nooit had Frank zich zoo geamuseerd gedurende zijn lang

verblijf te Londen, waar hij als ingenieur zich gevestigd had, om

zoogenaamd eene kosmopolitische tint aan zijne kennis te geven.

Hij was in-en ingoed, te doorvoed om veel te denken; hij had van alles

genoten en gaf niets om het leven, dat maar eene comedie was, die

gemiddeld zes en dertig jaren duurde, volgens de statistiek. Hij maakte

enkele pretenties op eene filosofische levensbeschouwing, maar eigenlijk

bestond deze in een uit-den-weg ruimen van alles wat niet amusant was.

Nu, Bertie wàs amusant, niet alleen om zijne grappen met die

vrouwen--wreed spel als van een panter--maar vooral om de klucht, die

hij in Franks wereld speelde, dat zich voordoen als een high-lifer: een

vagebond, die eene maand geleden in lompen op straat had staan bibberen!

Het was een geheim vermaak van elk oogenblik en hij gaf Bertie geheel en

al carte blanche om zijne rol vol te houden: eene carte blanche weldra

ingevuld door groote rekeningen van tailleurs, want Bertie kleedde zich

met geraffineerde ijdelheid, kocht dassen bij dozijnen, nam ieder

boordje dat in de mode kwam, nu recht, dan met een puntje zoo, dan met

een puntje zus, en wiesch zich met al de watertjes van Rimmel. Het was

of hij zich dompelen wilde in al de verfijndheid van een fat, na goor

geweest te zijn als een voddenraper. En noteerde hij eerst in zijn

zakboekje al deze mirobolante uitgaven, weldra vergat hij een post,

daarna nog een en eindelijk, omdat zijn potlood weg was, vergat hij

alles!

Zoo verliepen er weken en Frank dacht er niet aan moeite te doen bij

zijne invloedrijke kennissen om Bertie aan eene betrekking te helpen.

Hun leven van rijk niets doen vulde geheel hunne gedachte, ten minste

die van Frank, en het had nieuwe bekoring voor Frank gekregen om Bertie.

Toen gebeurde er eensklaps iets zonderlings. Bertie was des morgens

alleen uitgegaan en verscheen niet aan het lunch. Wie er des middags in

de club was, Bertie niet. Ook niet aan het diner. Des avonds kwam hij

niet thuis, hij had ook geen woord achtergelaten. Frank, zeer ongerust,

bleef den halven nacht op: niemand. Twee dagen gingen voorbij: niemand.

Frank vroeg hier, onderzocht daar, gaf eindelijk bij de politie aan.

Ten laatste, op een morgen,--Frank was nog niet opgestaan--verscheen

Bertie voor zijn bed, met een glimlach van verontschuldiging: Frank

moest het hem toch niet kwalijk nemen; hij was toch niet ongerust

geweest? Zie je, dat leven van altijd zoo netjes te zijn, had hem op

eens verveeld. Altijd die mooie dames met slepen en diamanten, en

altijd die clubs vol lords en baronets, en dan die skating-rinkjes, die

óok al altijd zoo fatsoenlijk waren!... En dan altijd een hooge hoed, en

's avonds altijd een rok met eene bloem! Het was criant! Hij had het

niet uitgehouden, hij was er eens van door geweest ...

--Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, ontzet van verbazing.

--O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit

Londen geweest ...

--En je kende hier niemand?

--O jawel, zoo geen fashionable menschen, weet je, zooals jij ... Maar

wel zoo ratje-toe ... Je bent toch niet boos op me?

Frank had zich half opgericht om hem op te nemen.

Hij zag er bleek, vermoeid en verwaarloosd uit. Zijne broek was van

onderen met eene dikke laag modder bedekt, zijn hoed gedeukt; zijne

overjas had een winkelhaak. En hij stond daar schijnbaar verlegen als

een jongen, met zijn ondeugenden, inpalmenden glimlach.

--Kom, wees maar niet boos ... Neem je me in genade aan?

Dat was Frank te sterk: hij proestte het uit, uitgelaten dol! Die

Bertie, wat een canaille!

--Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nogmaals.

--O nu eens hier, en dan eens daar ...

Verder kwam hij niet; Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde

zijn. En hij was wat moê, nij ging naar bed. Hij sliep tot drie uur toe.

Frank had er den heelen dag pret van, en ook Bertie had later dolle

pret, toen hij van de politie hoorde. Des middags, in de club aan tafel,

vertelde hij met een treurig gelegenheidsgezicht, dat hij voor een paar

dagen uit de stad was geweest, om een sterfgeval. Frank had zijn briefje

door een nonchalance van den knecht niet gekregen.

--Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem in,

onbedwingbaar vroolijk en nieuwsgierig, ten derden male.

--Ach, ik zeg je: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met

het eenvoudigste gezicht ter wereld en op nieuw netjes, zeer zorgvuldig,

de pink in de lucht, slurpte hij zijn zestal oesters naar binnen, zonder

een woord meer over de zaak.

Noodlot · 第 11 / 48 题