II.

Het vroor den volgenden morgen; de sneeuw glinsterde kristalachtig hard.

Zij hadden ontbeten en Bertie vertelde van zijne ongelukken in Amerika.

Hij had zich door Franks barbier laten knippen en scheren en hij droeg

kleêren van Frank, die hem wijd als zakken waren; een paar pantoffels,

waarin zijne voeten dansten. Hij begon zich reeds minder vreemd te

voelen en koesterde zich als eene kat, die een goed plekje gevonden

heeft. Hij lag gemakkelijk in zijn stoel, rookte behagelijk, noemde

Frank, op diens verzoek, jij en jou, en zijne stem klonk zacht smeltend,

met een klankje van prettige vroolijkheid, iets als gedempt goud. Frank

had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig weg,

ronder te blageeren op zijne ellende; alles was geweest zooals het had

moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen

troetelkindje van het lot, dat was alles. En hij was taai; een ander

had het niet uitgehouden, wat hij meegemaakt had....

Frank zag hem met verbazing aan; Bertie was zoo fijn, zoo bleek, zoo

tenger, bijna zonder volle mannelijke ontwikkeling; hij verzonk in de

groteske plooien van Franks jas en broek; hij was een jongen, vergeleken

bij hemzelven, zoo groot en vierkant! En hij had dagen van honger,

nachten zonder dak gekend; eene armoede, die Frank, goed doorvoed,

glanzend van eene bloedrijke gezondheid, onuithoudbaar voorkwam; en hij

sprak er zoo kalm, bijna schertsend over, zonder te klagen, alleen met

leedwezen zijne mooie handen bekijkend, die mager waren, paars van

jeukenden winter, met bloedige kloven op de knokkels. Voor het oogenblik

schenen die handen zijn eenig verdriet te zijn. Eigenlijk toch een

gelukkig karakter, dacht Frank, terwijl hij hem voor den gek hield, met

zijne handen. Maar Bertie zelf schrikte van zijne zorgeloosheid, want

hij riep eenklaps uit:

--Maar wat zal ik nu doen ...wat zal ik doen!

Hij zag voor zich uit, radeloos, wanhopig, zijne handen wringend. Frank

schertste die wanhoop weg, schonk hem nog eens een glas sherry in en

vertelde hem, dat hij vooreerst maar bij hem moest blijven, om te

bekomen. Hij zoû het zelfs ontzettend gezellig vinden als Bertie een

paar weken bleef; hij verveelde zich een beetje met zijn rijke

jongmensch-leven; hij was in een kring van jongelui, die veel uitgingen,

veel pierewaaiden en het verveelde hem, dat alles; diners en bals in de

wereld en soupers en orgies in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een

leven als een montagne russe, der op, der af, der op, der af, zonder dat

je een oogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt

werd in plaats, dat je het je zelven maakte. Voor het oogenblik had hij

nu een doel: Bertie; hij zoû hem helpen, na een paar weken rust eene

betrekking of zoo iets voor hem zoeken, maar vooreerst moest hij zich nu

maar geen zwaar hoofd maken. Hij was blij, dat hij zijn vriend weêr eens

bij zich had. De herinneringen wolkten bij hem op als ijle

tooverbeelden, vaalkleurig en sympathiek: herinneringen uit zijn

schooltijd, kwâjongensstreken, zwerftochten, bakkeleipartijen in de

duinen bij Den Haag: herinnerde Bertie zich? Frank zag den kleinen

mageren jongen nog voor zich, getreiterd door groote lummels, beschermd

door hem, Frank, wiens vuisten er op neêr beukten, ter wille van zijn

vriendje. En later hun studententijd te Delft: Bertie gesjeesd, in eens

verdwenen, zonder een spoor na te laten, zelfs niet voor Frank; daarna

wat correspondentie, te hooi en te gras; eindelijk jaren van niets. O,

hij was blij zijn vriend nu weêr eens bij zich te hebben; véel had hij

altijd van Bertie gehouden, juist, omdat Bertie zoo geheel anders was

dan hij, met iets als een poes; verzot op gemak en koestering en nu en

dan hevig aangedrongen om weg te loopen over daken en goten, zich te

bezoedelen met modder, zich te wentelen in vuiligheid, om daarna terug

te komen om zich te warmen en te lekken. Hij hield van zijn vriend als

van een tweelingbroeder, die geheel verschillend zoû zijn, ingepalmd

door Bertie's nonchalante, zacht-egoïstische innemendheid: eene echte

poesennatuur!

Bertie vond het dien dag eene groote weelde thuis te blijven, zittende

bij den haard, dien hij hoog deed opvlammen met blok op blok. Frank had

heerlijken witten port en ze bleven na het lunch zitten lummelen,

borrelend en pratend, terwijl Bertie honderd-uit vertelde van Amerika,

over zijn broer, zijn hôtel, zijn theâter en de eene anecdote aan de

andere schakelde, boeiend door een tikje van ongewonen romantiek. Frank

gevoelde daarna behoefte aan lucht en wilde naar zijne club gaan, maar

Bertie bleef zitten: alléén kon hij in lompen loopen, maar met Frank

zich zelfs niet in deze kleêren vertoonen, Frank zoû thuis komen

dineeren om acht uur. En eensklaps, als in eene bliksemsnel invallende

gedachte, smeekte Bertie:

--Spreek niet over me met je vrienden ... Het is niet noodig, dat ze

weten, dat je zoo een slecht sujet als ik ben, kent ... Beloof je het

me?

Frank beloofde het lachend, en het slechte sujet sprak, hem zijne handen

reikend:

--Hoe vergoed ik je wat je voor me doet! Wat een geluk, dat ik je

ontmoet heb! Je bent de edelste kerel, dien ik ken ...

Frank onttrok zich aan die dankbetuigingen en Bertie bleef alleen, voor

de kachel gezeten, stokend tot zijn lichaam geheel en al gloeide, zich

roosterend met de voeten op den nikkelen rand. Hij schonk zich nog eens

een glas port in en dwong zich aan niets te denken, zich wentelend in

het genot zijner luiheid en aandachtig bezag hij zijne gebersten

handen, en hij vroeg zich af of ze spoedig genezen zouden zijn.

Noodlot · 第 10 / 48 题