De season ging voorbij en Bertie bleef. Dikwijls sprak hij er over, naar
Holland te gaan: hij had in Amsterdam een oom, die makelaar was:
misschien, dat oom ... Maar Frank wilde er niets van hooren, en als
Bertie gewetenswroegingen had, dat hij zoo klap liep, praatte Frank die
weg. Wat kwam er dat op aan; als Bertie fortuin had gehad en hij niet,
had Bertie immers ook zoo gehandeld: zij waren immers vrienden! De
juiste waardeering der feiten begon voor zijne oogen te schemeren in
den, nu vastgestelden loop van hun leven. Franks zedelijk gevoel
dommelde in sluimering in de weekheid hunner luxueuze gemakkelijkheid.
Wel had Frank nu en dan iets als een vaag vermoeden, dat hij niet rijk
genoeg was voor twee, dat hij de laatste maanden viermaal meer verteerd
had dan andere seasons, maar hij was te zorgeloos om lang bij zulke
bezwaren stil te staan. Daarbij was hij aan Bertie verslaafd geworden
als aan opium of morfine. Bertie was hem noodig geworden om te leven; in
alles vroeg hij den raad van zijn vriend, in alles liet hij zich door
dezen leiden, geheel en al onder de bekoring van het zedelijk overwicht,
waarmede dit fijne, tengere mannetje met zijne fulpen kattenzachtheid
hem dwong als onder een juk. Nu en dan, weldra bijna geregeld om de
veertien dagen, verdween Bertie, bleef vier, vijf dagen weg en kwam op
een goeden morgen terug, inpalmend lachend, moê, bleek en verloopen. Het
waren misschien geheime uitspattingen, wellicht mysterieuze omdolingen
in de vunze krotten der gemeenste buurten van Londen, waarvan Frank
nooit het rechte hoorde of begreep: eene verdorvenheid, waartoe Frank te
netjes en te fatsoenlijk scheen, om over ingelicht te worden; eene
zonde, waarin hij niet mocht deelen en die Bertie, in een verfijnd
egoïsme, voor zichzelven hield, als een lekker beetje. Frank gevoelde
zich die dagen vol van eene walging des levens, als miste hij den
ongezonden prikkel zijns bestaans; zijne eenzaamheid vulde zich met eene
grauwe melancholie en ongelukkig tot wanhoop toe, verkwistte hij zijne
dagen thuis, ongeschikt tot iets, zich ergerend in zijn doodsch
interieur, waar alles,--de val der rijke draperieën, het bronze naakt
der beelden, de slordig neêrgesmeten kussens der divans--als een
eigenaardigen geur van Bertie had behouden, die hem pijnlijk plaagde. In
zulke dagen gevoelde hij de lafheid van zijn leven, de walgelijke
onbeduidendheid van zijn zenuwloos leêg bestaan, nutteloos, doelloos,
niets! Droevig zoete mijmeringen overstelpten hem, heugenissen uit zijn
ouderlijk huis, door het tooverglas der herinnering schemerend als
tafereelen van teedere huislijke harmonie, waarin de gestalten van zijn
vader en zijne moeder, verheerlijkt in kinderliefde, groot en edel
opblonken. Hij verlangde naar iets onzegbaar ideaals, iets reins en
zuivers, een groot doel! Hij zoû zich schudden uit zijn zieleslaap, hij
zoû Bertie wegzenden.... Maar Bertie kwam terug en Bertie omstrikte hem
weêr met zijne fluweelen banden en hij zag het steeds duidelijker in:
hij kon niet meer buiten Bertie. Dan zich in een spiegel ziende, groot
en stevig gebouwd en gezond, het rijke bloed tintelend onder zijn
gelaatskleur, moest hij glimlachen om de dwaze hersenschimmen zijner
eenzaamheid en kwamen zij hem van eene ziekelijkheid voor, die niet te
rijmen was met zijne sanguinische kracht. Het leven was eene comedie en
het beste was zijn leven als eene comedie te spelen, in louter genot der
zinnen; verder was er niets de moeite waard ... En toch, soms, na
nachten als bacchanaliën, vervulde hem, in de matheid van zijn groot
lichaam, eene nijpende mismoedigheid, die met zulke filosofie der
lichtzinnigheid niet te bekampen was en Bertie zelf moest zedepreeken:
waarom zocht Frank niet eene bezigheid, een werkkring; waarom ging Frank
niet een beetje reizen ...
--Waarom ga je niet eens naar Noorwegen?
vroeg Bertie, die maar wat opnoemde.
Londen begon Bertie onuitstaanbaar te worden en daar het denkbeeld van
reizen Frank toelachte, zoowel om de verandering als om de economie--zij
zouden in het buitenland eenvoudiger kunnen leven dan in dit
metropolitaansche high-life-gewoel,--dacht hij er eens over na en kwam
tot het besluit, dat hij goed zoû doen White-Rose voor onbepaalden tijd
aan de zorg van Annie en haren man over te laten en eenige weken in
Noorwegen door te brengen. Bertie zoû hem vergezellen.