Werpt u dus, wormen, hongerigen, intriganten van alle soort, werpt u

op den begeerlijken buit! De zoon van den pope, [62] die kan lezen,

schrijven en proces-verbaal opmaken, krijgt een plaats bij de

politie. De jonge man van kleinen adel, die sedert zijn schooltijd

verdorven is, hebzuchtig geworden en eergierig, tot alles bereid, zal

wel een kamertje weten te vinden in de monstergebouwen der centrale

administraties te Sint-Petersburg. Als hij laaghartig is, zal hij wel

spoedig bevorderd worden. De promotie gaat zeer snel. Verscheiden

hooge ambtenaren van het keizerrijk zijn niet ouder dan dertig

jaar. Als zij kans zien in de omgeving van den meester te komen,

als zij gelegenheid vinden de eenige zijde te vleien, waar hij vat op

zich geeft, zijn woede, dan is hun fortuin gemaakt. Aan hen de zorg

om, ter eere van zijn naam, onophoudelijk deze woede op te wekken,

bij een op zulk een noodlottige hoogte geplaatst man de duizeling te

onderhouden, het valsch poëtisch gevoel te voeden, dat gelegen is in

de inbeelding, dat men een volk heeft kunnen vernietigen.

Zulke lieden zullen er nooit om verlegen zijn nieuwe ukazen voor te

stellen. De heftigheid van den keizer is voor hen een uitnemende bodem

ter ontginning; dag en nacht bewerken zij dien. Zij vinden er fortuin,

eereambten, hooge posten en plotselinge, onverwachte bevordering,

waardoor zij vele rangen overspringen.

Verplaatsen wij ons naar het oogenblik van de eerste woede-uiting van

den keizer, toen hij het overwonnen Polen in zijn macht had. Een Polen,

dat ingekrompen was tot drie millioen menschen, had het gewaagd het

zwaard op te heffen tegen een Rusland van vijftig. Die onbeschaamde

Polen, een Dembinski bijvoorbeeld, hadden zoo weinig eerbied voor de

keizerlijke macht, dat zij met eenige hoopjes mannen de Russische

legers van achter en van terzij bestookten, zonder dat men ze kon

vatten.

Maar nu hàd hij 't dan in zijn macht, dat Polen; hij bezag 't met het

oog, waarmeê de beer kijkt, die honigvreter uit de bosschen van het

Noorden, wanneer hij een bij in de holte van zijn fluweelen poot te

pakken heeft. Zal hij haar dezen of den anderen vleugel, of een van

haar pooten uittrekken? Hij wil haar niet versmoren, maar langzaam

doen omkomen.

De eerste daad was, de gevangenen die geen Russen wilden worden,

te doen afranselen. Wij hebben al gesproken van de slachting van

Kroonstad: aan ieder man acht-duizend stokslagen! Daar men dood

gaat bij hoogstens vier-duizend, was men zoo welwillend de patiënten

te laten genezen, om de volledige strafoefening mogelijk te maken:

deze werd dus bij gedeelten toegepast.

Zij die zich wel tot Russen lieten omdoopen, werden naar den Kaukasus

gevoerd en daar bij de voorposten geplaatst. De Tscherkessen,

voortreffelijke schutters, hadden weldra gerechtigheid aan hen

geoefend.

De keizer werd in deze genietingen een weinig gestoord door de

zwakke, koude en laffe vertoogen van de regeeringen van Engeland en

Frankrijk. Maar hij was er volkomen van overtuigd dat het eerste rijk,

den kogel zijner nijverheid achter zich aansleepende (een gouden

kogel, maar niettemin een zwaren), niets wilde en niets zou doen;

en Louis-Philippe nog minder, die tegenover Nicolaas de nederige

houding aannam van een koning op zijn knieën. Aan beide zijden

schijnvertooningen. En een schijnvertooning was het antwoord. Hij zou

aan de overwonnelingen een nieuwe grondwet geven. Deze daad beteekende

niets anders dan de vernietiging van Polen. Zij, die haar verlangden,

hielden zich voor voldaan.

Door de verordening van Februari 1832 werd Polen eenvoudig een

onderdeel van het Russische rijk. De Poolsche kroon kon voortaan

alleen te Moscou verkregen worden. Geen persoonlijke vrijheid meer

noch vrijheid van drukpers. Ook geen landdag meer. Rechters, die naar

willekeur konden worden afgezet. Alle posten toegankelijk voor de

Russen. Geen ministeriëele verantwoordelijkheid meer. Geen speciaal

Poolsch leger meer. De verbeurdverklaring wederom ingesteld. Verbanning

buiten Polen, d.w.z. naar Siberië, enz., enz.

Maar welke bepalingen dit vreemde staatsstuk dan ook bevatte, het

schijnt dat de keizer verontwaardigd was een schaduw van grondwet

te moeten behouden. De provinciale staten, die hij in de plaats

stelde van den landdag, hield hij voor een buitensporige, onduldbare

toegefelijkheid. Door ze toe te staan aan Europa, wilde hij Europa

tevens trotseeren. En een maand later, in Maart, liet hij een

aanvang maken met de uitvoering van twee afschuwelijke maatregelen,

de wegvoering van geheele familiën en de oplichtingen van kinderen.

In een enkel gouvernement, dat van Podolië, bevel tot verplaatsing

van vijf-duizend familiën (vijf-en-twintig- tot dertig-duizend

menschen) van opstandelingen, aan wie hun straf was kwijtgescholden,

of van verdachte personen; bevel ze naar de onveilige streken van

den Kaukasus te brengen, op onbebouwden grond, in een atmosfeer van

koorts, op twee pas afstands van den vijand.

Het antwoord van den gouverneur van Podolië is merkwaardig.--Er zijn,

zegt hij, drie klassen van adelijken: de adelijke grondbezitters,--de

adelijke bedienden, landbouwers en werklui,--èn de adelijken uit

de steden, burgers, advokaten, enz. Het is noodzakelijk zich niet te

bepalen tot de eerste klasse, maar vooral uit de beide andere te nemen,

"het land van déze lieden te ontvolken."

Dit beroep van verfoeilijke vleierij op de keizerlijke wreedaardigheid

werd volkomen begrepen. In zijn brief van 6 (18) April 1832

antwoordt de minister van binnenlandsche zaken, dat Zijne Majesteit

de voorschriften heeft bekrachtigd, er eigenhandig aan toevoegende:

"Ze moeten niet alleen dienen voor Podolië, maar voor alle westelijke

gouvernementen. Alleen menschen, die in staat zijn te werken, mogen

gezonden worden; hun gezinnen kunnen later volgen."

Alzoo moeten zij alleen weggaan, van de hunnen gescheiden; de vrouw

en de kinderen blijven achter om van honger in Polen te sterven,

de man vertrekt om in den Kaukasus den dood te vinden.

Ten slotte voegt de keizer erbij, dat de adelijken van de tweede

klasse, de niet-grondbezitters, afzonderlijk zullen gehouden worden,

ingedeeld bij de Kozakken, zonder aanraking met de koloniën van hun

landgenooten.

Dit verschrikkelijk reglement is niet een overgangsmaatregel geweest;

het diende en dient nog tot grondslag voor besluiten en daden, die

de menschheid doen sidderen.

Voor de Fransche conscriptie, die de mannen naar het lot wegnam,

heeft men de verschrikking van de Russische lichtingen in de plaats

gesteld, waar de mannen gekozen, aangewezen worden naar de luimen

des meesters en van publieke agenten. Men oordeele of mannen,

verdacht om hun energie, van Polonisme dus, bij deze doorzichtige,

partijdige handelwijze zullen gespaard worden. Zij verdwijnen alzoo

naar den Kaukasus, en, volgens de verzekering van Paskjewitsch,

[63] keeren zij er nooit van terug. Rusland heeft dáár als 't ware

een afzichtelijke fistel gevonden, door welke het 't beste bloed van

Polen, zijn manlijkheid en zijn kracht, doet wegvloeien. Het houdt

't land zwak, altijd ziek, als na een aderlating.

Al de strengheid van dit stelsel is neêrgekomen op de tweede klasse,

die der adelijke boeren, een in zijn wezen militairen stand, en die

meer dan de burgers der steden, den waren derden stand van Polen

uitmaakte. Men begon met hen te verlagen tot den rang der zoogenaamd

vrije boeren van Rusland (odnod-wortzi); vervolgens vond men een middel

uit om hen viermaal voor één de bloedschatting te doen betalen. Al de

andere onderdanen van het rijk ondergaan de lichting slechts om de twee

jaren, zij echter ieder jaar. De anderen geven vijf man op de duizend,

zij tien. Zoodat de lasten, die op hen rusten vierdubbel zijn. Deze

ongelukkige klasse, uit ongeveer een millioen zielen bestaande,

zal op den duur geen weerstand kunnen bieden aan zulk een herhaalde

ontzettende aderlating. Niettemin verzekert men mij, dat dit jaar

(1851) de keizer vindt, dat de zaken te langzaam vorderen, en dat men

zint op middelen hen in massa naar de woestenijen van Zuid-Rusland

over te brengen.

Wat aan Polen overbleef, de wet van 1832, is door den keizer-zelf

vernietigd. Hij heeft in de volgende jaren, een geheele

gedaanteverandering van het land ondernomen. Voor de verdeeling

van Polen in woiwodschappen heeft hij de Russische indeeling in

gouvernementen in de plaats gesteld, de Russische munt ingevoerd

ter vervanging van de Poolsche, het Russisch stelsel van maten en

gewichten in zwang gebracht voor het decimale en metrische systeem,

dat de Polen bezaten, den ouden Juliaanschen kalender hersteld,

met afschaffing van den wetenschappelijken Gregoriaanschen, dien

alle moderne naties volgen. Hij heeft, om de deur dicht te doen,

getracht de Poolsche taal te doen verdwijnen, door haar gebruik op te

heffen bij de administratiën; de ambtenaren, die het Russisch niet

verstonden, af te zetten, de Russische taal in de Poolsche scholen

verplichtend te stellen, aan de jeugd te verbieden haar eigen taal te

spreken!--Eenige studenten te Wilna vereenigden zich in 't geheim om

onder elkander Poolsch te spreken; betrapt, opgelicht, aan den staart

van Kozakken-paarden gebonden, werden zij voor hun leven soldaat!

Dit is, dunkt mij, het gedrochtelijkst, het monsterachtigst-barbaarsch

en het tegennatuurlijkst ondernemen, dat zich bedenken laat. De taal,

onze dierbare moedertaal, ons allen even lief, waarvan elk woord,

elke klank ons aan het vaderland doet denken, herinnert ons alle

aandoeningen van het leven, onze wieg, al wat wij liefhadden! Haar

uit ons hart te rukken, is ons van ons-zelven los te scheuren. Het

wil mij voorkomen dat, ten opzichte van de personen die ons dierbaar

waren en die wij moesten verliezen, de klank der dagelijksche woorden

niet het minste is, wat ons in de herinnering is gegrift, ja, méér

is dan de trekken van het gelaat, meer dan hun gebaar en hun houding

en gang. Wat mij het sterkst is bijgebleven van mijn vader, met wien

ik acht-en-veertig jaren van mijn leven heb samengeleefd, is zijn

stem... Een trilling vaart door mij heen, als ik me verbeeld, dat

hij in mijn nabijheid is, mij toespreekt en tot me zegt: "Mijn zoon!"

Zeker, heel het hart ligt in de taal: gezin, liefde, het

vaderland. Iedere krachtige natie heeft het beste van zich zelve

in haar spraak gelegd. De heldhaftige Poolsche taal, trillend van

forsche klanken, doet zelfs hem, die de beteekenis der woorden niet

kent, de majesteit van den ouden Vrijstaat voeden, en toovert voor

het ontvankelijk hart heel de glorie van zijn geschiedenis opnieuw

te voorschijn. Men hoort er de kloeke stem der helden in weêrklinken.

Het Russisch heeft een aangenamen klank, het is een zoete, het

gehoor streelende taal; het heeft iets van de zangerige talen van

het Zuiden. Het op te dringen aan Polen, is het nationaal karakter

in een gewichtig punt veranderen, is het verzwakken en ontzenuwen.

Ik ben overigens geneigd te gelooven, dat, wat men door dit barbaarsch

verbod vooral wilde bewerken, was Polen te beleedigen, zijn ziel

doodelijk te bedroeven, zijn hart te doorboren, waar het 't zekerst

te verwonden was en het 't meest door zou lijden.

Het geschiedde in dien tijd dat de keizer Europa deed dreunen door de

beleedigende, verwoede rede, welke hij de overheden van Warschau in het

gelaat slingerde. Hij liet niets achterwege om den naam zich waard te

maken van een meedoogenloos man te zijn. Toen prinses Sanguszko tot hem

kwam om genade te smeeken voor haar jongen man, die naar Siberië moest,

liet de keizer zich het vonnis geven, en voegde er eigenhandig aan toe:

"te voet."

Zulk een theatraal schrikbestuur is een echt Russisch middel. Men

heeft er zich van overtuigd door de wandaad van Kroonstad, ten

aanschouwe van heel Europa op een der drukst bezochte plaatsen

openlijk bedreven. Men heeft het ook maar al te zeer kunnen zien

dit jaar, den 20sten Juli 1851, toen het gerucht zich verbreid had,

dat enkele gevangenen zouden begenadigd worden en het viertal, ten

antwoord hierop, onmiddellijk werd ter-dood-gebracht.

Soms heeft de Russische regeering den schijn aangenomen alsof ze er

genoegen in vond voor deze of gene harer daden zich, met bedekten spot,

te verdedigen. Bij voorbeeld, in 1842, toen ze te Rome en misschien

ook aan andere hoven liet weten, dat, zoo ze zich de bezittingen der

Poolsche kerk had toegeëigend, ze dit gedaan had om ze in het belang

dier kerk-zelve beter te beheeren; en dat, wat betreft den kinderroof,

waarvan zooveel schande werd gesproken, deze alleen uit barmhartigheid

gepleegd was.

Uitsluitend om barmhartigheid te oefenen worden nog altijd de kinderen

der Joden gestolen. Behalve de razzia's op groote schaal, welke de

Staat houdt, rooven de Kozakken ze onophoudelijk, drijven er handel

in en verkoopen ze tegen vastgestelden prijs.

De keizerlijke barmhartigheid houdt de Poolsche moeders steeds in

vreezen en beven. Altijd zijn zij beangst voor nieuwe slagen.

Het was in de maand Maart van 1832, toen de keizer juist in de

hevigste bui van woede verkeerde, toen hij 't bevel gaf tot wegvoering

van zooveel gezinnen, dat hij de kinderen van mannelijk geslacht,

zwervers, weezen, èn arm, van zeven tot zestien jaar, liet vangen (dit

is het woord, waarvan zich de raad van administratie bedient). Het

bevelschrift kwam onmiddellijk van den generaal-adjudant Tolstoï.

Paskjewitsch drukt zich in zijn reglement anders uit; met twee

letters verandert hij alles, een verandering, die hij wel niet zonder

machtiging des keizers zal aangebracht hebben: hij zegt OF en niet

en; hij zegt weezen OF arm; een wreedaardig verschil: immers sedert

was het geoorloofd kinderen, die geen weezen waren te rooven, alleen

maar als ze arme ouders hadden.

Het gouvernement van Warschau voegde, toen het dit onmenschelijk

bevelschrift liet aanplakken, om de gisting onder het publiek te

verminderen en te verzachten, er deze, aan den tekst onbekende,

woorden aan toe: de kinderen, die geen toevluchtsoord hadden.

In werkelijkheid stal men, over 't algemeen, niettemin de kinderen

van arme ouders, en niettegenstaande de heftige en verschrikkelijke

tegenspartelingen van die ouders.

Het was een weerzinwekkend tafereel. Na menigen stoet van des nachts

opgelichte kinderen, liet men den 17den Mei 1832 er een over dag

vertrekken. De moeders liepen achter de karren en reten zich de

borsten stuk; verscheidene wierpen zich onder de wielen; ze werden

door stokslagen weggejaagd. Den 18den werden wederom een menigte jonge

kinderen opgelicht, die werk verrichtten of in de straten ventten. Den

19den werden parochie-scholen leeggehaald. De arme kleinen, op deze

wijs heengevoerd, stierven den heelen weg over als vliegen. Als ze

te zwak waren om den tocht voort te zetten, liet men ze aan hun lot

over. De menschen, die in de streek woonden, vonden de lijken dier

jonge slachtoffers met hun stukje brood naast zich: ze hadden niet

meer de kracht gehad het op te eten.

IX.

OVER DEN CZAAR ALS PAUS EN ALS GOD.

KERKELIJKE VERVOLGINGEN.

Een zeker personnage van het antieke tooneel roept in de eerste

verwarring van zijn liefdesgeluk uit: "Ik ben God geworden!"

De dood is als de liefde: hij windt op. De woeste vreugde, veroorzaakt

door verdelgingen op groote schaal, doet de ziel duizelen. Wie meent

een wereld te vernietigen geeft niets toe aan den Schepper. Hij zegt:

"Ik ben God geworden!"

Meer dan God.--God schept langzaam, in de oneindige goedheid van het

goddelijk moederschap, met de omzichtigheid der natuur.--De vernieler

daarentegen is er trotsch op dat hij onverhoeds vernietigt. Wat hem

bij den dood aangenaam stemt, is de plotselinge verandering. Het zou

zijn hoogste vreugde zijn met één woord te verdelgen wat jaren van

worden gekost heeft; van een menschelijke wereld te kunnen zeggen:

"Ik ben er langs gegaan, ze bestaat niet meer."

Te midden van de groote vernietiging van Polen heeft het hoofd van

Rusland voor het eerst zijn titels van Plaatsvervanger van God en

Emanatie (uitvloeisel) van God, welke in zijn geloofsbelijdenis staan,

in ernst opgevat. Opperhoofd en rechter van zijn priesters (naar de

bewoordingen van hun eed), is hij bij de vervolging der Katholieken en

de uitroeiïng der Joden te werk gegaan als een Russische paus. Zijn

portretten in Byzantijnschen stijl, met kwistige hand uitgedeeld,

hebben hem, met den stralenkrans van den heiligen Nicolaas om 't

hoofd, ter aanbidding voorgesteld aan de volkeren van den Donau en

van de Grieksche stammen, in het Turksche rijk wonende.

Maar wat zou die nieuwe God verrichten?

Hij wist het zelf niet.

Terwijl hij in Polen den adel vogelvrij verklaarde, trad hij in Rusland

voor korten tijd als revolutionnair op, door de edelen op te roepen

tot vrijmaking der lijfeigenen, waaraan zij echter geen gevolg konden

geven zonder de afkondiging van een agrarische wet. Als hij op deze

helling was voortgegaan, zou hij een soort van Messias der lijfeigenen

geworden zijn, een barbaarsche Messias, gevaarlijk voor Europa.

Hij heeft het niet gedurfd. En, zich plotseling naar den anderen

kant wendende, trad hij als paus en veldheer van de tegen-revolutie

op en liet hij, na het beleg van Rome (October 1849), verklaren dat

de Latijnsche kerk, vervallen en dood, niet anders doen kon dan zich

met de algemeene, de katholieke kerk van Moscou te vereenigen.

Deze zonderlinge geestelijke vader, die bekeert door het zwaard, die

zegent met den knoet, heeft, tusschen twee stelregelen geslingerd en

daardoor des te heftiger in zijne uitingen, in het korte tijdsbestek

van twintig jaren, verbazingwekkende, ongehoorde teekenen gegeven

van zijn aanmatiging God te zijn. Noch de keizers-opperpriesters van

het oude Rome, als zij altaren voor zich zelven oprichtten, noch de

opperpriesters-koningen van het nieuwe Rome, wanneer zij den aardbol

verdeelden of aan de aarde verboden te draaien, hebben hun hoogmoed

trotscher ten toon gespreid.

Hij heeft aan den tijd verboden de tijd te zijn, de mathematische

en astronomische wetenschappen verloochend, den ouden kalender

opgedrongen, die door de heele overige wereld was afgeschaft. Hij

heeft aan de munt verboden de waarde te hebben, die ze bezit, door te

bevelen dat drie roebels voortaan voor vijf zouden gelden. Hij heeft

aan de rede verboden de rede te zijn, en als er een wijze in Rusland

werd aangetroffen, werd hij bij de gekken opgesloten.

Wat hem bij zulke ongeloofelijke buitensporigheden heeft aangemoedigd,

was--het mag niet verzwegen worden--dat hij alléén stond op de wereld,

daar iedere zedelijke kracht in dien tijd verslapt of buiten werking

gesteld was.

Het pontificaat van het verleden, Rome, had afstand gedaan van zijn

gezag, sedert de paus niet anders meer durfde optreden dan als een

machteloos Italiaansch vorst.

Het pontificaat van den tegenwoordigen tijd, Frankrijk, had zich zelf

vergeten onder zijn burgerlijk koningschap en bij zijn verafgoding

van de nijverheid, op zijn Engelsch.

Rome is in allen geval--het moet erkend worden--niet uitsluitend ten

onder gegaan door de persoonlijke zwakheid der pausen, maar meer nog

door het logisch uitvloeisel der Katholieke leeringen. Deze hebben

geen ander doel dan gehoorzaamheid te kweeken. Rome heeft haar gestadig

onderwezen. Niet alleen heeft het in 1831, toen het zieltogende Polen

het de hand reikte, de stervende naar den czaar terug-verwezen, maar

het heeft in 1832 de Poolsche omwenteling onteerd, door aan de Polen

te gelasten hun beul te gehoorzamen.

Rome hoopte, in ruil voor zijn lastbrief, van den czaar te verkrijgen,

dat hij een pauselijk gezant te Sint-Petersburg zou ontvangen. Maar hij

dacht er niet aan en begon onverhoeds den oorlog met den paus (1833),

door te bevelen dat de Unie-Grieken, geloovigen van de Latijnsche kerk,

zich onmiddellijk hadden te bekeeren. De wijze waarop men hierbij te

werk ging was eenvoudig. Men omsingelde een dorp, de priester werd met

den knoet behandeld en daarna weggevoerd. De pope hield de zweep in

de hand en bedreigde, sloeg zijn sidderende kudde, terwijl hij haar

onderzoekend langs ging. De weêrspannigen werden opgesloten in vol

rook staande badstoven. De genade had daar dadelijke uitwerking door

middel van bedwelming. Als dan allen het eens waren geworden, werden

ze in de kerk bijeengebracht en duwde men hun het heilig avondmaal

met geweld in den mond,--onder voortdurende bedreiging met den knoet.

De ergste dezer dwang-bekeeringen geschiedden buiten Polen, in de

militaire koloniën, in de woestenijen van Rusland gevestigd. Daarheen

werden de weêrspannigen gebracht en er lam geslagen onder het

voorwendsel van de krijgstucht te handhaven, zonder den troost te

hebben van een godsdienstig martelaarschap, en gedood, niet als

katholieken, maar als oproerige soldaten.

Niettemin werd de bekeering als een groote overwinning overal

rondgebazuind. Zichtbaar wonder. De kettersche geestelijkheid

vraagt, onder het storten van vreugdetranen, om hereeniging met de

kerk van Moscou. De keizer verwaardigt zich die toe te staan. Zijn

officiëel dagblad zingt in een zalvend artikel een vroom loflied:

"Gelukkige hereeniging!" roept het uit, "die zonder tranen is tot

stand gekomen! Alleen overreding, zachtheid is gebruikt!"

Wat antwoordde de paus op dezen leugen? Hij, die zich in de

Keulsche aangelegenheid [64] zoo fier tegenover Pruisen gedroeg,

bleef in ootmoed en vreeze ten overstaan van Rusland. Binnenskamers,

in een geheime vergadering met de kardinalen, deed hij niets dan

zuchten slaken. Maar in 't openbaar ontving hij den jeugdigen zoon

des keizers. Ternauwernood dat hij 't in 1842, toen de czaar de

kerken en de geestelijke goederen zich toeëigende, waagde, altijd in

heimelijke bijeenkomst, een eerbiedige klacht te uiten, maar in die

klacht bezoedelde hij de Poolsche omwenteling opnieuw door haar een

oproer te noemen.

Op de vreesachtige woorden van den paus, die de ronde deden in Europa,

in 't bizonder door de half-officiëele dagbladen van de Fransche

regeering, had de keizer van tevoren geantwoord door daden, die,

naar barbaren-aard, even wreed als handig waren. Om zijn christelijke

gezindheid te bewijzen, te toonen dat hij een onwankelbaar, en tevens

streng Christen was, vaardigde hij zijn ukaze uit ter uitroeiïng van

de Joden.

"Hoe kan men nu nog twijfelen, dat de keizer een geloovig en vroom

Christen is, als men hem ziet kruisigen die den Christus gekruisigd

hebben?"

Op deze wijze vestigde hij den roep zijner vroomheid al heel goedkoop:

in anima vili, [65] in de personen van hen, die door niemand verdedigd

werden en door niemand beklaagd. De Duitschers, die in verscheiden

steden de Joden met steenworpen vervolgden, vatten van dit tijdstip

af-aan veel achting op voor den keizer van Rusland.

Op een goeien morgen werd de ukaze uitgevaardigd. De keizer is tot de

ontdekking gekomen (wat men te allen tijde al wist) dat de Poolsche

Joden, van elke nijverheidsonderneming buitengesloten, leven van den

handel in rariteiten en van smokkelen. Bevel ze onmiddellijk over

te plaatsen naar het hart van Rusland. Sedert den val van Jerusalem

is niemand ooit zoo wanhopig geweest. Geen uitstel. De Kozakken

komen. Daar liggen hun eigendommen op straat... "Allo, vooruit! pakt

je uit de voeten... jullie moet weg, zoo is 't bevel... Geen dag, geen

uur uitstel..." Grijsaards, vrouwen, jonge kinderen vertrekken, slepen

zich voort. De soldaat dringt van achteren aan en maakt, zoo noodig,

van zijn wapens gebruik om tot voortgang te prikkelen. Uitgeput,

verhongerd vallen de slachtoffers neêr. Zonder hulp laat men hen daar,

als honden, omkomen. De vrouw valt in zwijm en sterft; haar man moet

den weg voortzetten.

Is dit nu genoeg? O, neen. De overlevenden bemerken alras, dat voor

hen, in hun nieuwe woonplaatsen, een verschrikkelijke vervolging

begint: de lichting der kinderen! Ze worden, op zesjarigen leeftijd,

weggevoerd, zwak en teeder als ze nog zijn, om ingelijfd te worden bij

het leger of de marine. Maar het joodsche ras is van oudsher volkomen

ongeschikt voor den militairen dienst. Al die kinderen sterven. De

Jood kan als soldaat niet leven.

De keizer heeft goed gerekend. Deze wreede strafoefening is zeer

populair geweest. De Russische en Poolsche boeren verafschuwen de

Joden. Zij bedenken niet, dat wanneer dit ongelukkig ras gehate

ambachten en bedrijven uitoefent, geen andere aan hen worden

overgelaten. Den gelukkigen aanleg, dien in den laatsten tijd zooveel

Joden uit verschillende landen hebben bewezen, de Oostersche schoonheid

van hun ras, hun vrouwen, de mooiste van de heele wereld, àlles moet

de barbaarsche middelen ter uitroeiïng doen betreuren, welke men in

Rusland tegen hen in toepassing brengt.

Martelaren van Rusland · 第 7 / 9 段