Pestel had een dictator gewild, om de administratie te hervormen, te

zuiveren. En de wensch van het Russische volk was daar niet ver van

af. Het verlangde een rechtvaardigen rechter, onverbiddelijk tegenover

de misdadigers. En zulk een rechter had zich te vermenigvuldigen

over 't geheele rijk. Rusland had niet alleen behoefte aan wetten,

maar aan mànnen. Er moesten, tusschen den vader en zijn kinderen,

eerlijke rechters gekozen worden, die behoorlijk bezoldigd werden,

opdat zij zich niet hoefden te laten omkoopen; er moesten strenge

voorbeelden gesteld worden bij de eerste ambtsovertredingen, en zelden,

maar met kracht, daartegen opgetreden worden; de eerlijkheid moest bij

de rechtbanken en de administratie hersteld, het zedelijk peil der

natie verhoogd worden, men moest haar helpen zich te bevrijden van

een ingekankerd bederf, haar trapsgewijze waardig maken het beheer

over zich zelve te voeren. Het eerste noodige hierbij was, dat er

aan de spits, niet een man van genie, stond, maar een met grooten

moed bezield, en groot van hart, die, juist door zijn voorbeeld, het

Russisch karakter ophief, krachtig maakte, inwijdde in het goede,--in

één woord, een heldhaftig opvoeder van het nationale geweten.

De keizer was dit geenszins. Omgeven door menschen tegen wie hij

een gewettigd wantrouwen koesterde, trachtte hij aanvankelijk alles

zelf te doen, maar hij kon de bezwaren niet overwinnen. Hij had niet

zoozeer daden te verrichten als wel mannen te scheppen, uitvoerders

van zijn wil te kiezen en te maken.

Evenals de meeste menschen van dit tijdvak, en verscheiden

saâmgezworenen zelfs, geloofde hij vast aan de levende kracht van

wetten. Een van hen, Tourgenieff, schijnt in zijn lofwaardig boek

de meening te zijn toegedaan, dat Rusland gered zou worden als

het deze of gene Engelsche of Fransche wet aannam. De keizer was er

eveneens van overtuigd, dat orde in het rijk zou heerschen, als men de

groote massa der Russische wetten maar ordende en bijeenbracht. Hij

vertrouwde dit reuzenwerk toe aan den wetskenner Speranski. Hierdoor

heeft hij grooter dienst bewezen aan de rechtsgeleerdheid dan aan de

wetgeving. In den oneindigen chaos van elkaar tegensprekende ukazen,

kiest de rechter welke hij wil, en de willekeur is dezelfde.

Een strenge regeling van de rechterlijke macht diende vóór alles te

gaan. Wat het volk overal vroeg, was een rechtvaardig rechter. Het

had behoefte aan een ernstige opvoeding tot gerechtigheid.

Helaas! het noodlot, de hartstocht hebben dit volk op den

tegengestelden weg gevoerd: een opvoeding tot ònrechtvaardigheid,--door

het tegenover een broedervolk het verderfelijkst bedrijf te doen

uitoefenen, dat van den beul.

De keizer zòcht den juisten weg, maar hij had in zich een heimelijke

drang tot afwijking ervan. Hij hield van rechtvaardigheid, maar met

een wreed hart; hij hield ervan uit persoonlijken hoogmoed, als van

iets dat hèm toebehoorde, hij beschouwde ze als gerechtigheid van

den czaar, niet als gerechtigheid van God.

Een steen bevond zich op zijn weg,--en hij is voor altijd uit het

spoor geraakt.--Waar gaat hij heen? Niemand weet het.

Die steen was Polen.

Een noodlottige steen, niet te verbrijzelen, dien men tevergééfs

zoekt fijn te stooten. Hij blijft altijd onwrikbaar.

Het onderzoek van den 14den December had één ding ontsluierd, dat den

keizer moest verwonderen, treffen, zijn hart voor goed ontwapenen,

namelijk de zielegrootheid, welke de Polen ten toon spreidden in

hun heimelijke betrekkingen tot de Russische saamgezworenen.--Deze

laatsten openbaarden zich als Romeinen, en de Polen als ridders. Pestel

geloofde, evenals Brutus, [52] dat men den tyran moet dooden om de

tyrannie te dooden. De Polen kwamen daartegen op. Zij betoonden zich

barmhartiger voor hun vijand, dan de Russen voor hun meester. Dezen

onrechtvaardigen overweldiger, dezen meineedigen souverein, die den

draak stak met de grondwet, welke hij zelf verleend had: de Polen

drongen erop aan hem te sparen. De goede, grootmoedige kolonel

Krzyzanowski, een man met een eerlijk, menschelijk en teeder hart,

zei tot den Russischen republikein, dat hij niet had hooren zeggen,

dat de Polen ooit hun koningen hadden gedood.

Dienzelfden kolonel heeft mevrouw Felinska later in Siberië zien

sterven. [53]

Om den zieleadel der Polen naar waarde te schatten, moet men weten

dat niet alleen hun wetten waren verkracht, hun vergaderingen een

schijnvertooning; dat men hun de openbaarheid der beraadslagingen had

ontnomen, enz. enz.; maar dat de keizer hen persoonlijk overleverde

aan de luimen, aan de wreedheid van Constantijn. [54] Men moet weten

dat deze boosaardige woestaard, deze tijger-aap, er zijn behagen in

stelde de uitgezochtste kwellingen en straffen uit te denken. Het is

ontzettend om neêr te schrijven, maar hij had, in de onderaardsche

kerkerholen van een karmelieterklooster, tot speelbal een gevangene,

den ongelukkigen Lukasinski, tegen wien hij zich uitputte in het

verzinnen van al wat het menschelijk vernuft aan zijn slachtoffer

kan doen lijden: honger, ketenen, pijnigingen, dorst gedurende weken

achtereen (geen water, en zoute haringen als uitsluitend voedsel),

en geeselingen, telkens opnieuw toegediend, zoodra hij weêr van zijn

wonden genezen was... En dit alles met duivelsch overleg. Constantijn

was vóór alles bevreesd, dat hij hem door den dood zou ontsnappen.

De man van ijzer en staal, die zooveel martelingen te boven kwam, was

een dapper officier van het oude leger. Hij had de laatste woorden,

den laatsten adem van Dombrowski opgevangen. Deze aanvoerder en

formeerder der beroemd geworden Poolsche legioenen, beklaagde zich

erover, toen hij in 1818 stierf, dat zijn heldhaftige kameraden

zooveel bloed vergoten hadden voor vreemde belangen, zoo weinig

ten bate van Polen-zelf. Sedert dit ernstig woord gesproken werd,

groeide een nieuw geslacht op, een nieuwe wereld van helden, van

onverschrokken samenzweerders. De eerste was Lukasinski.

De tyran voelde bij instinct, dat deze man voor hem een schrikbeeld

was, dat in hem de ziel van Polen huisde; in hem zocht hij deze groote,

onzichtbare ziel der natie te treffen. Daar hij zijn stilzwijgen

niet kon overwinnen, wilde hij hem althans onteeren; men gaf voor

dat hij zijn medeplichtigen had verraden. Als dit waar geweest was,

zou zijn cipier in zijn woede geen toenemende barbaarschheden tegen

hem uitgedacht hebben.

Toen in 1830 de Polen de krankzinnige grootmoedigheid aan den dag

legden Constantijn te laten ontvluchten, voerde hij geen andere

schatten meê, dan alleen dezen gevangene; goud en zilver golden

niet zooveel voor zijn onmenschelijkheid als zijn levend speelgoed;

bij zijn overijlden aftocht werd hij gevolgd door de schim van een

man, aan het affuit van een kanon meêdoogenloos vastgebonden: den

rampzaligen Lukasinski...

Maar keeren wij terug tot de gebeurtenissen van December 1825. De

Poolsche aangeklaagden, de goede kolonel en de anderen, zouden in

hun vaderland door het opperste gerechtshof, den senaat, gevonnist

worden. Dit lichaam, waarin bijna alleen toegewijde aanhangers van

Rusland zitting hadden, scheen blindelings te moeten veroordeelen. De

keizer twijfelde er geen oogenblik aan. Maar de macht der openbare

meening was toen zoo krachtig, dat zij den senaat op haar kant

kreeg. Hij verklaarde de aangeklaagde schuldig, omdat zij het Russisch

complot niet hadden ontdekt, doch onschuldig voorzoover Polen betrof;

hij veroordeelde hen slechts tot lichte straffen. De voorzitter had den

moed aan den czaar te berichten: "Zij hebben zich slechts verbonden

voor de handhaving van hun volksbestaan; zij stelden zich op het

standpunt van het traktaat van Weenen, [55] dat dit erkend heeft. Het

opperste gerechtshof heeft hierin niets misdadigs noch strafwaardigs

kunnen zien." Welk een overmoedige daad! Men houde hierbij wel in het

oog, dat zij niet uitging van het aloude Polen met twintig millioen

zielen; maar van het nietige Polen, dat door Alexander om zoo te

zeggen, was ingekrompen tot Warschau en zijn stadsgebied.

De ijsbeer knerste op de tanden.--En als ik spreek van den beer,

bedoel ik Rusland. De vrijspreking verontwaardigde het meerendeel

der Russen, bracht hen tot verzet. Zij vonden Polen ondankbaar;

moest het, beter behandeld dan Rusland, daar het, althans in schijn,

een grondwet had, zich niet gelukkig rekenen? Zij verweten het zijn

materiëelen voorspoed, een natuurlijke vrucht van den vrede, maar

dien zij voor het werk van den czaar hielden; ook de verfraaiïngen

van Warschau (door Poolsch geld tot stand gebracht) en vooral de

instelling der territoriale banken, welke aan de Polen een zoo

aangename gemakkelijkheid verschaffen om zich te ruïneeren.

Toen nu de keizer de opwinding in Rusland aanzag, en dat hij zijn

volk aan zijn zijde had, kon hij zijn woede niet langer in bedwang

houden. Hij dacht niet meer aan de wetten, noch aan zijn rol van

wetgever, van Russischen Justinianus. [56] Hij gedroeg zich openlijk,

volgens zijn natuur, als een Tartaar. Hij wilde zelfs geen verlof

geven het vonnis openbaar te maken. Constantijn verlangde niets minder

dan een militaire commissie om de veroordeelden dood te schieten. Zij

werden naar Siberië gebracht. De Poolsche rechtbank en geheel Polen

werden beleedigd en met minachting behandeld.

Intusschen begon men den keizer aan 't verstand te brengen, dat

dit kleine land op niets méér recht had dan elke andere Russische

provincie. Het bevond zich in een uitzonderingstoestand, die moest

opgeheven worden; het diende te worden gebracht onder het algemeene

centrale gezag van het rijk. De souvereinen, bewonderaars van Napoleon

(vooral van zijn fouten), achten niets hooger in hem dan zijn streven

naar centralisatie, welke hem naar dezelfde wetten volken liet besturen

met tien verschillende talen en uiteenloopende zeden: de prefectuur

van Hamburg en die van Rome. De wetgeleerde en bureaucratische geest,

die te Petersburg heerschte, dreef den keizer in beide richtingen, die

van onrechtmatige centralisatie en van plompe wetboekvervaardiging. Hij

ondernam een onzinnig, een onbegonnen werk, al zou 't hem ook het leven

kosten: de volkomen gelijkmaking van Polen met Rusland, de opslorping,

de vernietiging van het Poolsche volksbestaan.

De verkeerde wegen, die hierbij konden worden ingeslagen, waren reeds

gebaand. Catharina, een godloochenaarster, had tot uitgangspunt

tegen Polen het godsdienstig vraagstuk gekozen. Dit is het beste

aanvalsmiddel, het krachtigste houvast. Ten eerste steunt men daarbij

op de bekrompen vroomheid en dweperij der Russen; vervolgens treft

men er Polen door op een punt, waar het de sympathieën van Europa

niet bezit. Europa is er spoedig bij, in dit geval, te gelooven,

dat het een zaak van priesters geldt, en het hult zich in een mantel

van rustige onverschilligheid.

Wat Polen het meest geschaad heeft, zijn zijn ultra-roomsche

verdedigers, die aantoonden dat het juist gebonden was aan wat afsterft

en moet òndergaan. Italië zal overwinnen en leven, omdat het den

priester eraan gegeven heeft en met Europa meê vooruitgaat. Ierland

zinkt hoe langer zoo dieper weg, omdat het zich aan den priester blijft

vastklampen, d.w.z. zich buiten Europa plaatst: het heeft zijn leven

gezet op wat dood is. Polen is niet dood; het ligt slechts levend in

zijn graf, en zal er niet uit opstijgen zoolang het zijn innerlijke

tegenspraak niet zal begrijpen, die zijn kracht verlamt en het van de

levende wereld vervreemdt. Volk van heldhaftigen en vrijen geest, meent

het katholiek te zijn; het is 't, ja; maar niet van nature, alleen

omdat het 't wil, als verweermiddel tegen Rusland. Het katholicisme

is juist de ontkenning van de heldhaftige persoonlijkheid, welke de

karaktertrek van de Polen uitmaakt.

De paus en de Quotidienne [57] hebben 't hun meer dan tienmaal en met

reden gezegd: "Als gij katholieken zijt, gehoorzaamt dan, onderwerpt u,

draagt het juk van Rusland."

De Montalembert heeft in zijn warmgeschreven verdediging van Polen,

uit zijn jeugd dagteekenend (1833), een onberaden woord gebruikt, dat

keizer Nicolaas met goud zou betaald hebben. Hij vergelijkt den roem

der Polen met dien der Vendéeërs. Het was een even onnauwkeurige als

onvoorzichtige gelijkstelling. De Vendée, dat is de burgeroorlog. De

Vendée is de Franschman Frankrijk in den rug aanvallend, terwijl

heel Europa het vanvoren aantast. [58] Geen overeenkomst alzoo met de

wettige, eerlijke, heldhaftige worsteling van het ongelukkige Polen

tegen den vreemdeling, met Rusland.

Dit rijk had, onder het bestuur van Alexander, den vader van het

Heilig Verbond, [59] die zelf aan den invloed gehoorzaamde van mevrouw

Krüdener en van de Maistre, in de hooge Poolsche geestelijkheid een der

beste werktuigen van den dompersgeest gezien. De bisdommen werden in

aantal vermeerderd, ver boven de behoeften der dungezaaide bevolking,

en buitensporig bezoldigd. Iedere bisschop kreeg een jaarwedde van

zestigduizend Poolsche guldens, één honderdachtduizend, en de primaat

hondertwintig-duizend. Wat de lagere geestelijkheid betreft, deze

werd ontzien, terwijl men de oogen sloot voor haar eisch de gewone

rechtbanken niet te hoeven erkennen.

Hoe meer de geest van staatkundige vrijheid en het nationaliteitsgevoel

hardvochtig werden onderdrukt, zooveel te meer ontzag men den

onafhankelijksheidszin der geestelijkheid. Aan haar werd toegestaan

zelve haar eigen zaken, in overeenstemming met Rome, te regelen. Ja,

wat meer is, men had haar het ministerie der eerediensten en van

het openbaar onderwijs overgelaten, waarin de aartsbisschop-primaat

met twee bisschoppen zitting had. Het paleis van Constantijn was het

middelpunt der bijgeloovige vroomheid. Zijn gemalin was de steunpilaar

van het geestelijk genootschap Het Lam Gods. De zedelijke verstomping

van Polen scheen het gemeenschappelijk doel, waarnaar militaire

dwingelandij en godsdienstige domperij in roerende overeenstemming

streefden.

In de groote zaak van het vonnis van het hooggerechtshof rekende

Rusland op den steun der acht bisschoppen, die er zitting in

hadden. Zij hadden zich kunnen beroepen op hun waardigheid om zich

van een oordeel te onthouden. Zij gaven niettemin hun oordeel en

verklaarden, den stortvloed der openbare meening volgend, evenals de

andere rechters, dat de aangeklaagden niet schuldig waren voorzoover

Polen betrof.

De keizer vatte deze vrijspraak als een persoonlijke beleediging

op. Hij begon den oorlog tegen de kerk in Polen.

De eerste daad, overigens een zeer verstandige, was een algemeene

regeling van het geheele openbaar onderwijs, om aan de katholieke

geestelijkheid allen invloed op de opvoeding te ontnemen. De tweede

daad, weer van dadelijk-aanvallend karakter, bestond hierin, dat een

geestelijk genootschap of gerechtshof werd opgericht, om de belangen

der Vereenigde Grieken (d.w.z. verbonden aan Rome) te regelen:

een genootschap overeenkomstig met dat, 'twelk, onder den keizer,

de Grieksche kerk in Rusland beheert. Het was een volk van drie

millioen zielen, totdusver aan 't gezag van den paus onderworpen,

dat de czaar zoodoende onder 't Moscovitisch kerkgezag bracht.

Hij wilde nog verder gaan, de Poolsche geestelijkheid beletten in

briefwisseling te blijven met den paus, anders dan door bemiddeling

van de regeering. Dit werd de oorzaak, dat de geestelijkheid zich

aansloot bij de omwenteling van 1830.

Zonderlinge samenloop van omstandigheden! Onze Juli-revolutie, [60]

in de eerste plaats begonnen tegen de priesters en de femelarij

van den koning, vond op haar weg, als nabootster, België en Polen:

priesterrevoluties!

Wat meer dan iets anders ertoe bijgedragen heeft om den opstand der

Polen een verloren zaak te doen zijn, was vooral dat een belachelijk

generaal [61] aan 't hoofd werd geplaatst, een man van het Heilig

Hart of het Lam Gods, verdacht, onbekwaam of verraderlijk, die slechts

Rusland ontzag en alleen den Poolschen patriotten den oorlog aandeed.

De Poolsche omwenteling, onder zulk een treurige leiding,

verontschuldigde zich als een revolutie, werd een kruistocht, en keerde

zich natuurlijk naar den kant van Rome. Zij verwachtte van den paus

zedelijken steun; zij onderstelde dat een bul het volk zou wapenen,

de landelijke bevolking in massa zou meêsleuren, den bodem zelf tot

opstand brengen. Men moet het erbarmelijk antwoord van Rome lezen,

en hoe het zich schandelijk verschuilt achter de mogendheden van

den eersten rang, die het lot van Polen zullen bepalen tot algemeene

genoegdoening van partijen!

Genoegdoening! Er is nooit een meer wreedaardig-spottend woord

gesproken!... Het was het oogenblik waarop de keizer, ziende dat Rome

en Frankrijk Polen aan zijn lot overlieten, het besluit nam--het

te onderdrukken? neen,--het te vernietigen, te doen verdwijnen van

den aardbodem.

Dit is de grootste misdaad, die ooit begaan is. Men wachte zich wel

naar eenigen grond voor vergelijking te zoeken.

Men heeft het ondernomen niet alleen Polen te vermoorden,

zijn wetten, zijn godsdienst, zijn taal, zijn letterkunde,

zijn volksbeschaving,--maar ook de Polen te dooden, hen als ras

te vernietigen, de kracht der bevolking te breken, zoodat, wanneer

zij als kudde van menschelijke wezens nog bestaat, zij als Poolsche

bevolking, met levensvatbaarheid en zedelijk vermogen, verdwenen is.

Totdusver had ik 't zelf niet willen gelooven. Ik had mij

altijd hardnekkig voorgenomen de uitdrukking: Polen te dooden,

voor niets anders dan louter grootspraak te houden, rhetorische

overdrijving. Evenwel, ik moet mij voor overwonnen verklaren. Ik heb

onder de oogen de (alsnog onvolledige) reeks van keizerlijke ukazen,

die van jaar tot jaar, op onverstoorbare wijze, het voornemen eener

stelselmatige vernietiging ten uitvoer willen brengen.

Wat is toch de reden, dat de Polen het eenvoudig werk niet hebben

ondernomen den veelbeteekenenden tekst dier afschuwelijke wetten bijeen

te brengen en te doen drukken, om daardoor voor hun vijand het groote

grafmonument op te richten, dat hem beter zou hebben gekarakteriseerd

dan iedere schimprede?

Een Tartaarsch veroveraar heeft er eens behagen in gevonden voor

zijn roem in de vlakte van Bagdad een pyramide op te richten van

honderdduizend doodshoofden. Hoeveel grootscher zou het gedenkteeken

zijn, dat wij voorstellen, saamgesteld uit duizenden moordende

wetten! Welk een heerlijke Doodstropee!

Niets kan hiermeê in vergelijking komen.

Het oude Rome meende den Joodschen naam te hebben uitgeroeid. En het

deed niets anders dan hem over de gansche aarde te verbreiden. De

verdrijving der Joden uit Spanje heeft hun vernietiging toch niet

ten gevolge gehad.

De Conventie heeft, in een oogenblik van gevaar en woede, door heel

Europa in 't nauw gebracht, in den rug door den opstand van de Vendée

aangevallen, den eed gezworen de Vendée te zullen verdelgen. Maar

de Vendée is blijven bestaan, en is een der dichtstbevolkte streken

van Frankrijk.

De onderneming van Lodewijk XIV om de protestanten te bekeeren of uit

te roeien biedt meer overeenkomst met de Poolsche vernietiging. Wij

vinden, als in Rusland, een reusachtig wetboek, saamgesteld uit

wetten ter verbanning en vogelvrijverklaring. Toch is het onderscheid

groot. Bij de protestanten-vervolgingen komen geen Tartaarsche razzia's

voor, als in Polen zijn gehouden, geen moordende overplaatsingen

van rassen en geslachten. Ook hebben de uitgeweken protestanten niet

alleen hun bestaan in Europa gered, maar zij hebben stand gehouden in

Frankrijk en zijn er tot voorspoed geraakt, door den geldhandel vooral:

zij leenen tegenwoordig geld aan de nakomelingen hunner vervolgers.

Neen, niets is te vergelijken met wat in Polen geschied is, niets. Noch

wetten, noch het zwaard zouden de bovenmenschelijke verrichting eener

zoo verschrikkelijke verwoesting hebben kunnen volvoeren. Slechts

twee voorbeelden konden op den weg helpen van krachtdadiger middelen

om het doel te bereiken.

In Ierland heeft men een volk gezien, dat door overmaat van ellende,

zonder mèrkbaar in getalsterkte te verminderen, ontaardde, wegsmolt,

geheel verdween. Er bleven nog wel menschen over, maar het ras bestond

niet meer.

In Frankrijk, heeft men tijdens de laatste jaren van Napoleon, toen de

heele mannelijke bevolking regelmatig door den oorlog was weggevoerd,

de lichaamslengte zien inkrimpen. Nog eenige jaren zulk een systeem

volgehouden, en het ras zou verànderd zijn. Een natie die slechts

vernieuwd wordt door zwakken, zieken, verkromden, moet ten slotte

ondergaan. In getalsterkte kan zij dezelfde blijven; als macht van

eenige beteekenis zal zij weldra verdwijnen.

Ziedaar voorbeelden, ziedaar lessen. Door deze middelen tot een

te brengen, kunnen wij iets uitrichten in de groote kunst van

den dood. Laat ons bij elkander voegen de ellende van Ierland, de

lichtingen van Napoleon, de beruchte verordeningen op de verdachten,

gevangen genomen volgens de wetten van het Schrikbewind of die van

Lodewijk XIV; vermeerderen we al deze westersche middelen met het

groote oostersche: de gewelddadige overplantingen van menschen naar

hun vijandige klimaten, en het moest wel ongelukkig treffen als het

Polonisme aan al deze vereenigde pogingen weêrstand zou bieden.

Het Polonisme, een nieuw woord, dat niet zoozeer een ras als een

geestesrichting aanduidt. Polen is niet meer een volk in de gedachte

der verdelgers, het is een denkbeeld, het is een leelijke ziel,

het is een verbastering van het ware begrip, iets als een ketterij.

Dit kenmerkt den strijd en voorspelt het resultaat ervan. Ja, Polen

is iets geestelijks, en het heeft niets dan een lichaam tegen zich

over. De barbaarsche, wreede kracht die het met zijn grijparmen

vasthoudt, vermag alles, behalve om een geest te worden. Zij blijft

ruwheid, stof, en wordt het hoe langer zoo meer. Om een ziel in zich te

kunnen opnemen, moest zij zelve een ziel zijn, en die is haar ontzegd.

Maar nu moet alle dichterlijkheid aan een kant gezet worden, dient de

platte werkelijkheid, als zóódanig, dus ook platweg, gezegd te worden,

het lage met lage woorden genoemd.

Welke macht is het, die in werkelijkheid de uitroeiïng van Polen zich

ten doel gesteld heeft? De keizer alleen? De hemel gave 't! Een ènkel

mensch put zich uit. Rusland? In geenen deele; tegenwoordig boezemt

het ternauwernood nog medelijden in.

Neen, deze doodbrengende macht is noch een mensch, noch een heel volk;

het is de geörganiseerde verachtelijkheid, welke men bureaucratie

noemt; het is het samenstel van intriganten, vreemde parvenu's,

moeras-insekten van het Noorden, die rondom den keizer krielen

en zwermen.

Polen is een ding, een zaak. Daarin ligt het geheim.

Duizenden menschen, bureaucraten, politiemannen en allerlei ambtenaren,

militairen, halve-militairen (zooals er zooveel in Rusland zijn),

die allen zijn in de zaak betrokken, door winstgevende betrekkingen òf

door verbeurdverklaringen. De keizer is goed, en hij weet zijn dienaren

te beloonen. Een van hen, Adam van Wurtemberg, heeft zich door zijn

meester het huis zijner nog levende moeder doen schenken. Hij heeft

die moeder aan de deur gezet. Hij heeft het huis van zijn grootmoeder,

een ziekelijke tachtigjarige, die niet meer vervoerd kon worden,

door kogels doen doorboren.

De prooi vermeerdert den honger, de eters vermenigvuldigen zich als

de lokspijs overvloedig is. De dood en de vernietiging, die krachten

welke men negatief waande, zijn van scheppend vermogen bevonden; zij

hebben bewezen een afgrijselijke vruchtbaarheid te bezitten, zij hebben

een geslacht gekweekt van kruipend gedierte en knagende wormen. En

Rusland wordt tegenwoordig opgegeten door dit gespuis. Onophoudelijk

krijgt het stukken van Polen te verslinden.

Martelaren van Rusland · 第 6 / 9 段