hij heeft opnieuw hun hart gestolen, toen hij den geheelen adel van
't koninkrijk Polen van vijftig-duizend familiën, met één pennestreek,
terugbracht tot vijfduizend. Kort daarop slingerde hij zijn vermaard
geworden ukaze van 2 April 1842, ter vrijmaking van de Russische
lijfeigenen, de wereld in.
De vrijmaking in naam en de voorgewende onafhankelijkheid der
lijfeigenen van de kroon had niets bizonder aanlokkelijks voor de
lijfeigenen, die den adel toebehoorden. De eersten, het is zoo,
kunnen elk bedrijf uitoefenen, waar zij behagen in scheppen; maar de
keizerlijke zaakwaarnemer zwaait een roede over hen, die veel harder
is dan van eenig ander meester. De omkoopbaarheid van dezen persoon,
dien zij onophoudelijk moeten tevreden stellen, doet hen de slavernij
betreuren.
Wat beoogde inderdaad de keizer, toen hij door de ukaze van 1842
de heeren aandreef om met hun boeren een overeenkomst aan te gaan,
waardoor ze zoogenaamd vrij zouden worden, d.w.z. onderworpen raken
aan de heerschappij van den keizerlijken knoet?
Hij wilde den adel vrees aanjagen.
De werkelijke vrijmaking kan door dezen niet geschieden, tenzij aan
de boeren, mèt de vrijheid, een groot stuk grond wordt gegeven. Wordt
dit goed bebouwd, dan zou 't hun gemaklijk zooveel opbrengen, dat
hun verlies gedekt werd. Velen denken en zeggen het, maar durven
toch niets doen. Zij beweren de eigenlijke meening van den keizer op
dit stuk te kennen. Zij verzekeren, dat hij in toorn zou ontsteken,
wanneer hij hierin gehoorzaamd werd, dat hij hen, die zijn officiëele
uitspraak als gemeend zouden opvatten, en beginnen zouden haar ten
uitvoer te brengen zeer verdacht zou vinden. Een ernstig schrijver,
Tolstoï, [66] zegt dat de boeren in sommige gewesten onderstelden
dat de vorsten en de adel in den hemel andere beschermers hadden dan
zij, een afzonderlijk God, een God van rijkdom, die hun met kwistige
hand hun bezittingen schonk. Tijdens den hongersnood in den winter
van 1845-'46 gingen de boeren van Esthland, Lijfland en Koerland in
grooten getale tot den staatsgodsdienst over, om eenige ondersteuning
te verkrijgen. Alleen verkeerden zij hierbij in de meening, dat zij,
door het geloof van den keizer te omhelzen, dus over te gaan tot den
god van den rijkdom, den eigendom zouden verkrijgen van den grond,
die door hen bebouwd werd. De keizer was wel verplicht deze al te
voorbarige bekeeringen tegen te gaan. Wij vernamen deze bizonderheden
van personen, die ze ter plaatse zelf hebben verzameld, te Riga en
te Dorpat.
De keizer sidderde, toen hij begreep dat hij aan 't hoofd stond van
een uitgebreiden communistischen en godsdienstigen boerenopstand.
Hij deinsde terug voor de noodzakelijke gevolgen, die zijn geestelijke
aanspraken en zijn beroep op vrijmaking schenen te hebben. Eén stap
verder, en hij zou misschien de Messias der lijfeigenen geworden
zijn. Men weet door de tallooze voorbeelden der geschiedenis van
het Oosten, hoe spoedig de vonk van dweepzucht bij de blinde massa
oplaait. Zij zou, wie haar, zelfs door moord, tegelijkertijd het
bezit van den grond en de vrijheid schonk, hebben aangebeden en door
dik en dun gevolgd zijn.
Dus, de keizer deinsde terug. Hij wendde zich naar den adel, dien
hij totnogtoe had bedreigd.
En sedert staan beide partijen, czaar en adel, van aangezicht tot
aangezicht tegenover elkaar, niets doende, niets durvende ondernemen,
elkaâr schrik aanjagende, als twee spinnen, die elkander beloeren
omdat ze niet weten of zij bevriend of vijandig zijn, en of bij de
bespieding de een er niet op zint de ander te verslinden.
X.
OVER DEN CZAAR ALS PAUS EN ALS GOD.
MEN DOET HET VOORSTEL HEM TOT UNIVERSEEL PAUS TE BENOEMEN.
De Russische boer, die in zijn catechismus den naam van den keizer
met groote letters ziet gedrukt, evenals dien van God, terwijl die
van Jezus maar klein gedrukt is, vormt zich natuurlijk een zeer hoog
denkbeeld van de keizerlijke macht. Hij leest erin dat de keizer een
emanatie (uitvloeisel) van God is. Maar wat is een emanatie? Als hij
bij zijn priester daarnaar vraagt, of bij den keizerlijken beambte
(gewoonlijk een priesterszoon), zegt men hem dat Gods geest inderdaad
in den keizer moet zijn gevaren, omdat de geestelijke rechtbank, die
de plaats bekleedt van den patriarch, hem als hoofd en rechter van
de Kerk erkent, en omdat hij de bisschoppen kiest. Rechtstreeks aan
hem leggen de burgerlijke en militaire ambtenaren van het rijk ieder
jaar door getuigschriften de verklaring af, dat zij hun godsdienstige
plichten nauwgezet hebben vervuld.
Groot is dan ook de verwondering van zoo'n boer, wanneer hij, naar
Sint-Petersburg of Moscou gegaan, er den keizer ziet. Wat! is dat een
emanatie? Wat! die hoogste vertegenwoordiger van den godsdienst, van
wien de bisschoppen afhankelijk zijn, is een officier in nauwsluitende
uniform en met de stramme houding, die alle andere Russische militairen
ook hebben?
Volgens een overlevering, misschien wel weinig betrouwbaar, maar
die toch verdient dat er aandacht aan geschonken wordt, als aan elke
volksoverlevering, zou eens een soldaat, die den keizer voor de eerste
maal zag en hem den eed van trouw moest afleggen, geweigerd hebben dit
te doen, zeggende niet te kunnen gelooven, dat die militair werkelijk
de keizer was.
De Rus heeft van nature een verheven, vriendelijken en heiligen dunk
van de macht van zijn souverein. Hij onderstelt, dat degeen die hier
op aarde de plaatsvervanger is van den Vader der wereld zelf ook een
vader is (batouska). En die vadernaam, dien hij den keizer geeft,
omvat voor hem het begrip van priester en rechter.
Het moderne czaarschap, door Peter den Grooten en zijn opvolgers
gemodelleerd naar het Pruisische despotisme, met zijn ganschen
nasleep van soldaten en bureaucraten, beantwoordt in geenen deele
aan de aartsvaderlijke voorstelling, welke de Rus zich in zijn hart
gevormd heeft.
Gelooft de keizer-zelf er aan te beantwoorden? Heeft hij de zekerheid,
welke deze overtuiging hem zou geven? Ik betwijfel het. Naar welk
tijdperk ik opklim tot aan Peter den Grooten toe, zijn alle reizigers
eenstemmig in de voorstelling van den czaar, wèlken zij ook bedoelen,
als van een minder majestueus vorst, dan men van zulk een machthebber
zou verwachten: een gejaagd en vreesachtig man. Deze karaktertrek
vindt men ook bij den tegenwoordigen keizer, [67] wiens hooge en
trotsche gestalte hem van zèlf majestueus zou doen zijn. Hij geeft
er zich te veel moeite voor. Zelfs in de kerk, bij een plechtige
gelegenheid: het huwelijk van zijn zoon, heeft de heer de Custine
deze gejaagdheid opgemerkt.
Als hij voèlde op zijn wettigen grondslag, de Russische opvatting, vàst
gezeteld te zijn; als hij van zich getuigen kon, dat hij beantwoordde
aan de voorstelling van een volk uit zoo veel millioenen menschen
bestaande, dan zou hij zeker niet zoo gejaagd zijn. Wanneer de ziel
van een volk ook in het lichaam huist van één man, vindt hij daarin
een houvast en een hechtheid, die hem een rustig evenwicht schenken.
Het gezag is vredelievend, wanneer het voelt in gemeenschap te staan
met de menschen, te worstelen in de groote samen-leving van het volk
met zijn God. Hier echter is het in beroering, omdat het alleen staat,
volslagen alleen, omdat het, bij de diepe stilzwijgendheid van het
rijk, slechts zijn eigen stem hoort, zonder te worden gewaarschuwd,
gerust gesteld door de stem van het algemeen gezond verstand. Het weet,
dat het een kracht is; maar is het wel zeker ook een recht te zijn?
Er is geen recht in Rusland. De wet is er een onmogelijkheid. De
zestig wetsdeelen, die de keizer heeft laten bijeenbrengen, vormen
één groote bespotting.
Alle recht berust er op dezen grondslag, die het belet een recht te
zijn: Het goede is wat overeenstemt met den wil van den meester. Het
kwaad is wat zich verzet tegen dienzelfden wil.
Het gebouw is gevestigd op het ledig. Daar de moraal niet in de
fundamenten is gelegd, verheft de wetgeving zich, zonder steun,
als 't ware in de lucht. Van onwaarde in de basis, is zij van geen
beteekenis tot aan den top. Welke is de drager van dat onmogelijk
wetboek? De willekeur. En deze alleen wordt, in den naam van de wet,
ten uitvoer gelegd.
Doch het is niet alleen de willekeur van den meester, welke een spel
speelt met de wetten, het is ook de willekeur van alle meesters van
minderen rang (de uitvoerders der bevelen van den souverein), ontrouwe
tusschenpersonen, die tot eigen voordeel de opperste dwingelandij
bedriegen, exploiteeren en deze trotsche macht tot een afhankelijke
maken. Zij bedreigt, zij beveelt, en zonder het te weten of 't wèl
wetend, gehoorzaamt zij meestal aan haar dienaars, menschen van het
laagst allooi. Zoodat wij, het zonderling gebouw van rechtsverkrachting
en list, dat versierd is met den naam van wetten wel beschouwende,
op de spits zelfs van deze pyramide van slavernij, een slaaf ontdekken.
Slaaf van zijn agenten, van zijn ministers, van zijn rechters, slaaf
van hun trouweloosheid en haar ieder oogenblik voelende.
Hierin ligt het martelaarschap van den keizer.
Men moet er zich niet over verwonderen, wanneer hij in zijn wantrouwen
en zijn onrust telkenmale de orde, die hij gesticht heeft, zelf
verstoort, door b.v. zaken aan haar natuurlijke rechters te onttrekken,
en ze dadelijk voor de hoogere rechtbanken te doen brengen. Maar de zoo
hóóggeplaatste rechters zijn niet betrouwbaarder dan de anderen. De
keizer voelt onder zijn voeten de aarde beven van kuiperijen. Hij
is verontwaardigd. Hij roept de zaak voor zich als rechter. Hij zal
alléén oordeel vellen. Maar heeft hij den tijd, de kennis, de noodige
studie? Hij moet toch een beslissing nemen, gelooven aan zijn eigen
wijsheid, of liever aan zijn instinct, aan ingeving van den hemel,
hij moet in zich den Heiligen Geest voelen.
Alzoo blijft deze uitgebreide komedie van wetten en rechtbanken, al die
moeite om een wereld van gerechtigheid in te richten, ijdel doen. Alles
is uitgegaan van de willekeur des keizers, alles keert terug tot de
ingeving van den keizer. Of hij wil of niet, hij moet wel paus zijn.
Vreeselijke straf voor een zoo groote aanmatiging. Terwijl in een
wereld, waar alles natuurlijk en rechtvaardig toegaat, alles hellend
naar beneden gaat, en het recht, afwaarts stremmende als een rivier,
aan de maatschappij leven en kracht inblaast,--gaat hier alles naar
boven, komt alles op onnatuurlijke wijze aan de spits aankloppen,
aan een zwak menschelijk hoofd, waarin, naar men beweert, de wijsheid
en de geest Gods zetelen.
De dienaren van de hoofdmacht gevoelen zich al te wel op hun
monsterachtige plaats, om niet voortdurend te wenschen, dat de keizer
alles tot zich laat opklimmen, dat hij de rechtspraak opschort en in
alles stoutweg zelf uitspraak doet uit kracht van zijn pauselijk gezag.
Het streven van zulk een staat is klaarblijkelijk hoe langer zoo minder
een staat te worden, meer en meer een godsdienst. Alles is godsdienstig
in Rusland. Niets is wettelijk, niets is rechtvaardig. Alles is of
tracht heilig te zijn.
Het binnenlandsch bestuur is heilig. De priesters zijn ambtenaren,
godsdienstige koningen. De kommiezen zelven zijn zonen van priesters.
De actie naar buiten is heilig; zij bestaat voornamelijk in de
kerkelijke propaganda, welke Rusland naar alle onbeschaafde volkeren
heendrijft. Het is een soort van godsdienstige overheersching.
Dit alles geschiedt haast zonder medeweten van Europa. Men spreekt er
bitter weinig over. Rusland heeft niet graag, dat men over hem spreekt,
zelfs niet ten goede. Zijn agenten bewerken de voornaamste organen
van de Europeesche pers en weten haar stilzwijgendheid te verkrijgen.
Laat het heilige Rusland maar onder den grond voortkruipen. God
zal het met zijn licht wel eenmaal beschijnen, tot stichting van de
gansche wereld.
Wat voor de vrome zielen reeds een heele troost is, is dat tegenwoordig
alle rechtschapen menschen, van Moscou tot Rome, Jezuïeten en Kozakken,
in nadere aanraking met elkaâr zijn gekomen.
De slecht ingelichte katholieken, die, in weêrwil van den paus,
Polen zoo lang hebben verdedigd en Rusland aangeblaft, zijn tot beter
inzicht gekomen en houden hun mond.
Toch is er één oogenblik geweest, waarop dit stomme Rusland, dat
zooveel van zwijgen houdt, zelf de stilte heeft verbroken. Zijn hart
bevrijdde zich; een overwinningskreet--weldra gesmoord--is door zijn
mond geüit.
Het was na de Hongaarsche geschiedenis, na het beleg van Rome, toen
de Omwenteling [68] door eigen hand ten doode gewond scheen, dat de
keizer een manifest de wereld inzond, als riep hij ter kruisvaart op:
"Rusland zal zijn heilige roeping vervullen..."
Welke roeping? Dat was nog niet duidelijk uiteengezet. Die om den paus
te doen zegevieren? Tijdens het beleg van Rome [69] bevond zich onder
de priesters-afgevaardigden, aan het hoofd van het corps diplomatique,
inderdaad de afgezant van Rusland.
Maar de vreugde zat te diep, de hartstocht was te hevig, om zich aan
duistere woorden te houden. De keizer heeft zijn minachting voor Rome
laten uitbazuinen; later, verdronk de stad in bloed. Hij heeft, niet
zonder reden, gedacht, dat het zich na zulk een zegepraal niet weêr
zou opheffen. Op 't zelfde tijdstip, waarop hij met zooveel macht
het herstel van het wereldlijk gezag in de hand werkte, heeft hij
den geestelijken ondergang doen verkondigen.
De wijze waarop dit geschiedde was vreemd, niet op den man af, maar
zeer duidelijk en zeer authentiek. In dit land wordt, over zulke
ernstige onderwerpen, geen woord gesproken, dat niet geoorloofd is. En
in deze zaak is het woord overgebracht door een lid van de Russische
diplomatie-zelve, een werktuig van den keizer.
Er zijn altijd in zijn omgeving jonge mannen, vol ambitie,
voortgesproten uit de opbruischende school van de Maistre, die,
in weêrwil van de oude diplomaten, branden van verlangen om hun
stem te doen hooren en opzien te baren. Zij hebben blijkbaar hun
voordeel gedaan met een aanval van hoogmoed van hun meester om zich
een volmacht te doen geven tot een ongehoorden stap, indruischend
tegen de lijn van omzichtigheid, doodzwijgen en list, welke altijd
door Rusland gevolgd wordt.
Een brief van den 13den October 1849, gedateerd van Sint-Petersburg,
en geteekend: Een Russisch diplomaat, verschijnt in een Revue. De
schrijver is de gezant van den keizer in Beieren. De titel: Het pausdom
en de Romeinsche kwestie, bezien van het standpunt van Sint-Petersburg.
De mystieke en godvruchtige toon herinnert niettemin herhaaldelijk,
door hooghartige, half-ironische trekken, den meester, wiens ruwe
wenken de schrijver heeft gevolgd. Zonder het te willen, zonder er
zich misschien van bewust te zijn, slaat hij tusschenbeide een harden,
bitteren en hoogen toon aan, zooals die zou zijn van den machtigen
heer, wiens geheimschrijver hij is.
Het artikel is vol minachting voor Frankrijk en het Westen, en vol
medelijden met Rome, maar een minachtend medelijden. "Rome, dat
de oorsprong was van het Westen, was nog zijn laatste kracht. Het
bezwijkt. Het is bewezen dat de Romeinsche kwestie onoplosbaar is, daar
Rome niet te verzoenen is met Rome en de paus en de Romeinsche staat
elkander niet meer kunnen erkennen. De paus is door God gestraft, omdat
hij is afgeweken van de Katholieke eenheid, omdat hij den christelijken
hoofdzetel heeft doen ondergaan in pauselijke en romeinsche eigenbaat."
Maar zoo dáár dan een eind is, hier is een begin. We zouden ongelijk
hebben bang te zijn. De wereld sterft nog niet. Zij bestaat,
die katholieke eenheid, die de redding moet aanbrengen; zij is in
de Grieksche Kerk. Deze wacht tot de bewaarster der christelijke
lotgevallen in het Westen, het zieke en oud-geworden Rome, haar het
toevertrouwde heilig pand teruggeeft.
Het is niet moeilijk de conclusie te trekken. Rome, om zijn baatzucht
veroordeeld, moet het Latijnsche pausdom met dat van den paus te Moscou
vereenigen, die klaarblijkelijk minder egoïstisch is. En, daar deze
militaire paus de beide zwaarden in zijn hand voert, het wereldlijk en
het geestelijk; daar hij, als apostelen, achtmaal honderdduizend Russen
en Kozakken te zijner beschikking heeft, zal de orde weldra hersteld
zijn zoowel in de maatschappelijke wereld, als in die van het geweten.
Achtmaal-honderdduizend! Dat is zeker veel. Maar, afgezien van
overdrijving, ontslaat dit toch niet van gehoorzaamheid aan de logica.
Tegen wie is die kruistocht gericht? Tegen het democratisch
individualisme, wordt beweerd. Maar wat is de czaar-zelf, en het
Russisch gouvernement? Immers het individualisme.
En er is dit onderscheid, dat, zoo het republikeinsche ik een onrustig,
bewegelijk ik is, vol van gejaagdheid, deze onrust vruchtbaar is,
deze gejaagdheid voortbrengende kracht heeft. Zij wekt zonder ophouden
de levensvonken op. De democratie van Athene, de volksregeering van
Florence, [70] zijn de roem van de menschheid geweest.
Het czarendom is ook een individuëel ik; maar wat voor vrucht
draagt het? Wie ziet niet in, dat Rusland daardoor uitgebluscht is,
onvruchtbaar geworden, als 't ware gestorven? Zijn rust is geen rust:
het is de droom van een levend begraven mensch. O, om alleen maar
van het geluk te spreken, zonder van den roem te gewagen, wat zou
't meer baat hebben bij al de woelingen, welke de vrijheid meêbrengt!
Ongeloofelijk ondernemen! Gij kunt niet eens bij u zelven den toestand
van maatschappelijke orde scheppen, die toch van ondergeschikten
aard is! En gij maakt aanspraak op de hoogere sferen van den
godsdienst! Vijanden der Wet, wilt gij hooger stijgen dan de Wet,
gij vergrijpt u aan de wereld der Genade!... Onmachtig de werken van
den mensch tot stand te brengen, noemt gij u daarom God!
Gij stelt u in de plaats van de Kerk! Maar gij wéét niet eens wat
een Kerk is.
O, een Kerk van de Godheid, wie geeft mij er zoo een te aanschouwen? De
Middeleeuwen hebben er een onjuist beeld van gegeven, en de Nieuwe
tijd gaat er langzaam heen. In allen gevalle zal de groote toekomstige
omwenteling, die in aantocht is, ons zeker vergunnen er den eersten
steen van te leggen, d.i. dien van Gerechtigheid.
Een Kerk, dat wil zeggen een geest,--een geest van broederliefde.
Een Kerk, dat wil zeggen een gemeenschap in dien geest--een wezenlijke,
diepgaande gemeenschap, in volkomen overeenstemming.
Een Kerk, dat wil zeggen een beschaving, die deze overeenstemming en
deze liefde uitstraalt.
Geen enkele dezer drie kenmerken van een ware Kerk kan
bij u gevonden worden. Waar is de geest? Hol en ijdel. En
de geestesovereenstemming? Valsch; gij verbiedt het volk te
onderrichten. En de beschaving?...... Men vindt op den ganschen
aardbodem geen dorheid, die te vergelijken is met die van de Grieksche
Kerk, gedurende haar bestaan van duizend jaren.
Maar wat u een strenger verbod moet zijn den naam van Kerk te voeren,
dat is uw bloedvergieten, de schrikbarende, krankzinnige verkwisting
van menschenlevens, waaraan gij u schuldig maakt. Het zwaard, het vuur,
de knoet waren daartoe niet voldoende; gij hebt ook gebruik gemaakt
van de moordende natuurkrachten van het klimaat en van de elementen.
Hoe kunt gij het altaar beroeren met door bloed bezoedelde handen!
De keizer is in 't jaar 1846 te Rome geweest; hij is door den paus
goed ontvangen; hij heeft de Sint-Pieter bezocht; hij heeft gebeden
op het graf der heiligen.
Wat zou de heilige Ambrosius [71] gedaan hebben? Zou hij niet voor de
deur gestaan hebben, om den keizer den toegang te beletten? Zou hij
niet gezegd hebben: "Vóór dezen tempel binnen te gaan, verwaardige
Uwe Majesteit zich ons zijn handen te toonen."
"Men herinnert zich", zegt de Russische schrijver, dien ik
vroeger aanhaalde, "men herinnert zich de ontroering, welke in de
Sint-Pieter de verschijning verwekte van den orthodoxen keizer, die na
verscheiden eeuwen van afwezigheid te Rome wederkeerde. Begrijpelijke
ontroering! De neêrgeknielde keizer was niet alleen." Enz.
Neen, zeker, hij was niet alleen. Om hem bevond zich een groot
gezelschap. Rechts de martelaren van Rusland, die van Polen ter
linkerzijde. De zielen van eenige honderd-duizenden menschen vulden
op dien dag de Kerk; zooveel duizenden, die van ellende in Siberië
omkwamen, zooveel duizenden, die doodgeranseld waren, een bevolking
van rampzalige schimmen, vooral van kinderen, Poolsche en Joodsche,
op zoo hardvochtige wijze aan hun moeders ontrukt, die den Dood
tot voedster hadden en wier jonge beenderen men langs alle wegen
aantrof...... Ja, deze alle waren dien dag ook in Sint-Pieter, en
hun stemmen stegen op tot God!
De paus heeft deze zielen gezien noch gehoord. Van dat oogenblik
af-aan was hij geoordeeld.
Hij heeft gezwegen. Maar Frankrijk zal niet zwijgen. Het zal in zijn
plaats spreken. Bewaakster van de Nieuwe Kerk, zal het bij den ingang
dien helschen Messias tegenhouden, die komt in den naam van God.
Moordenaar van Gods werk, van zijn levende schepselen, wat zoekt
gij hier?
Een nieuwe wereld is opgestaan, een van menschelijkheid en
rechtvaardigheid. Frankrijk behoedt den drempel, en gij zult
niet verder gaan. Het spreekt zijn priesterwoord: "Gij zult niet
binnentreden!"
INHOUD.
Bladz.
Inleidend woord van de Redactie 5
I. Aan de Russische Officieren 7
II. 18
III. Geschiedenis van Katya, eene Russische Lijfeigene 26
IV. De Minotaurus.--Over het Leger als Strafmiddel 37
V. Siberië 47
VI. Siberië.--De Straffen 54
VII. Van het toenemend Schrikbewind in Rusland.
--Martelaarschap van Pestel en Rylejew 65
VIII. Over de vernietiging van Polen 87
IX. Over den Czaar als Paus en als God.--Kerkelijke
vervolgingen 110
X. Over den Czaar als Paus en als God.--Men doet het
voorstel hem tot universeel Paus te benoemen 118
AANTEEKENINGEN
[1] Een beschrijving van de schrijnende toestanden in Rusland in de
eerste helft van de negentiende eeuw. Vertaling van Les Martyrs de
la Russie uit 1854.
[2] 1851.
[3] Nicolaas I, 1825 (Dec.)-1855, gekroond 22 Aug. 1826.
[4] Het Keizerlijk huis der Romanows, dat zich steeds met Duitsche
hoven vermaagschapte.
[5] In hoofdstuk VII worden deze beide en de opstand van 14 (26)
Dec. 1825 nader besproken.
[6] Hij was natuurlijk een Poolsch veroordeelde, maar wat hij misdreven
(?) heeft, kon de vertaler niet uitvinden.
[Dit was Teofil Wisniowski, prominent lid van de Poolse Democratische
Vereniging (Towarzystwo Demokratyczne Polskie), die na de opstand van
Kraków ter dood veroordeeld werd, en op 31 juli 1847 opgehangen.--J.H.]
[7] Hier werden in 1757 de Franschen door de Pruisen, onder Frederik
den Grooten, gevoelig geslagen.
[8] Een afgod der oude Semietische volken, aan wien menschenoffers
werden gebracht.
[9] Van 1801-1825 was Alexander I keizer der Russen.
[10] Lermontow en Puschkin kwamen 1841 en 1837 in een duel
om. Gribojedew werd 1829 in Perzië door een woedende volksmenigte
vermoord.
[11] Naam van een Oostersch despoot uit de oudheid, koning van
Babylonië, regeerde 604-561 v. Chr.
[12] Beteekent zooveel als »oudste«; het is ook de naam voor
dorpsburgemeester.
[13] Hij was een Oostfries uit Sleeswijk, geb. 1798, gest. 1870.
[14] 1830, in Parijs.
[15] Een vroeger zeer beroemd Duitsch schrijver, vooral als dramatisch
auteur in geheel Europa gevierd. Geb. 1761, gest. 1819.
[16] Stad in Siberië.
[17] In Parijs.
[18] Het alverslindend monster.
[19] Een Russisch generaal, bekend uit de dagen van den Poolschen
opstand van 1830-'31.
[20] Fransch generaal, die onder Napoleon I gediend heeft.
[21] Dit werkje is geschreven vóór de uitbarsting van den Krimoorlog.
[22] Overwon de Polen (1795) en streed tegen Napoleon.
[23] Catharina II regeerde over Rusland van 1762-1796. Zij was een
flinke, maar onzedelijke vrouw.
[24] Poolsch schrijver en patriot (geb. 1757, gest. 1841), die tegen
de Russen streed en krijgsgevangen werd gemaakt.
[25] Het verstverwijderde gedeelte van Siberië.
[26] Stadje in het Noordwesten van Siberië.
[27] Een der grootste Poolsche helden uit den laatsten oorlog tegen
Rusland, welke met den val van het land eindigde (1794).
[28] Deze was in 1767 door de Russen gevangen genomen.