Het burgerhoofd van den opstand, Rylejew betoonde zich flinker dan

de beide militaire chefs. Hij verscheen op het plein, maar zocht hen

tevergeefs. Het geringe aantal der troepen in opstand gaf weinig

hoop. Sommigen gaven hem den raad een leger te scheppen, aan den

opstand toe te voegen een massa gering volk, dat daar aanwezig

was. Daarvoor zou het voldoende zijn, als hij hun de herbergen

liet plunderen. Dit zou echter nauwelijks gebeurd zijn, of het volk

zou tot een algemeene plundering overgaan, tot een moord op groote

schaal van de politie, aan welke het een doodelijken haat had. Deze

wanordelijkheden zouden een onverwachten tegenaanval ten gevolge

hebben, daar Nicolaas genoodzaakt zou zijn geworden de moordenaars

te doen vermoorden. Maar Rylejew weigerde van dit verschrikkelijk

middel gebruik te maken. Van dit oogenblik af aan was gemakkelijk te

voorzien, wat gebeuren zou. De opstandelingen, teruggedrongen tegen

het paleis van den Senaat, aan den uithoek van een ontzaglijk plein

gelegen, moesten onvermijdelijk worden weggevaagd door het geweervuur,

neêrgesabeld door de cavalerie. Rylejew verliet het plein; hij zocht

geen toevluchtsoord, hij ging naar zijn huis terug en wachtte er den

dood af.

De keizer, bleek en ontdaan, zooals een ooggetuige zegt, toonde

niettemin veel moed. Aan het hoofd van de garde-te-paard reed hij

voorwaarts en ontmoette detachementen, welke zich tot de opstandelingen

begaven. "Dag, mijn kinderen!" riep hij hun volgens keizerlijke

gewoonte toe. "Hoera voor Constantijn!" was hun eenig antwoord. Men

beweert eenstemmig, dat hij zich flink hield en van geen verwarring

blijk gaf. En wat zei hij hierop? Ja, dit weet men niet bepaald

zeker. Twee lezingen worden gegeven: de een door den heer Schnitzler,

die het geval bijwoonde, de ander door den heer de Custine, aan wien de

keizer zelf de zaak heeft verteld. Het waarschijnlijkst van beide is,

dat hij met luidklinkende stem zou gezegd hebben: "Rechts zwenken,

marsch!" De soldaten zouden automatisch gehoorzaamd hebben.

De korte Decemberdag ging op deze wijs voorbij, zonder dat de

opstandelingen hun beide kolonels zagen verschijnen. Hun aantal

verminderde. Het regiment van Moscou kwam tot andere gedachten en

liet zijn makkers in den steek. Zij, die stand hielden, betoonden zich

zeer flink. Zonder zich te verontrusten over de artillerie, welke men

den keizer tot versterking had gezonden en die hen zou neerschieten,

wezen zij elke poging tot verzoening van de hand, uitroepende: "Leve

Constantijn! leve de Constitutie!" Dit laatste woord, verre van de

hunnen aan te vuren, zooals men meende dat moest, wierp den soldaat

veeleer in de onzekerheid: "Wat beteekent dat Constitoutzia?" vroeg

hij. "Is dat de vrouw van den keizer?"

De gouverneur van Petersburg, de dappere Miloradovitsch, die eenige

opstandelingen met mooie woorden van hun vrienden had losgemaakt, om

ze daarna in de citadel op te sluiten, waagde het naderbij te komen,

rekenende op de oude aanhankelijkheid der soldaten. "Verrader," zeiden

de saamgezworenen, "je bent hier niet achter de coulissen van den

schouwburg. (Hij was een aanbidder van actrices en danseressen). Wat

heb-je met onze kameraden uitgehangen?" Obolenski stak met zijn

bajonet naar de borst van zijn paard, en Kakhofski velde het met een

pistoolschot. Deze laatste, die erg opgewonden was en die zich sterk

gemaakt had den keizer te dooden, dacht dat hij nog al vast in zijn

schoenen stond; maar toen hij nòg eens geschoten had en kolonel Sturler

gedood, kwam zijn hart boven. "Weêr een op mijn geweten!" riep hij uit,

en hij wierp zijn pistool verre van zich.

De indruk, dien de zeelui ontvingen, was dezelfde, toen een hunner

aanlegde op grootvorst Michaël. 't Zij uit eerbied, 't zij uit

goedhartigheid, zij sloegen zijn arm neêr en deden het schot missen.

Inmiddels naderden, met groote praal, het kruis ter hand, de

metropolitanen van Petersburg en Kiew, door den keizer gezonden. Toen

kon men gewaar worden hoe weinig de Rus, met al zijn uiterlijke

vroomheid, in groote omstandigheden, onder den invloed geraakt van

wat heilig is bij zijn eeredienst; hoe weinig achting hij heeft voor

zijn priesters, die--het moet erkend worden--ook weinig achtenswaard

zijn. Zij werden door de soldaten ontvangen met gejouw, en hun stem

werd gesmoord door tromgeroffel.

Dit had men verwacht. Na God aan zijn zij geplaatst te hebben,

liet de keizer, die zich in zijn paleis teruggetrokken had, het

gevecht beginnen. Zijn troepen waren van te voren natuurlijk

reeds overwinnaars. Zij hadden niets anders te doen, dan het

artillerievuur maar te laten spelen. Grootvorst Michaël, vreezende

dat zijn artilleristen er een gewetenszaak uit zouden maken op hun

arme landgenooten te vuren, gaf zelf het voorbeeld door het eerste

schot te lossen. Daar op korten afstand geschoten werd, richtten de

kogels een afschuwelijke slachting aan. Er werd ongeveer tien maal

een aanval gedaan, en wie toen nog overbleven, zochten hun heil in

de vlucht, achtervolgd door de cavalerie, waarvan een detachement

hen van achteren aanviel. Men weet niet hoevelen er omgekomen zijn;

de lijken werden onmiddellijk geworpen in openingen, die men in het

dikke ijs maakte, waarmeê de Newa bedekt was.

De saamgezworenen van het Zuiden hadden geen beter lot. Een der

Bestousheff's en de gebroeders Mouravieff, onverschrokken en vol

geestdrift, waren niet verwonderd over de lusteloosheid, waarvan de

meesten hunner medeverbondenen blijk gaven. Zij wendden zich daarom

tot de soldaten en lieten hun in een kerk, door een priester nog al,

een republikeinsche geloofsbelijdenis voorlezen, die Bestousheff

saamgesteld had uit allerlei bijbelteksten. Er werd in verteld,

dat alle menschen gelijk zijn en dat de slavernij een misdaad is

jegens God. Deze waarheden hadden weinig uitwerking op hen; men kon

hen alleen in beweging brengen door den naam van Constantijn. De

aanhangers van Nicolaas, die talrijker waren en bovendien beschikten

over de keizerlijke artillerie, versloegen hen; de dappere aanvoerders

doodden zich zelven of lieten zich dooden; Bestousheff en Mouravieff

werden, zwaar gewond, gevangen genomen.

Pestel, te Moscou gearresteerd, toonde niet de minste ontroering. Door

een vriend gewaarschuwd, had hij hem slechts één woord toegevoegd:

"Breng mijn Russisch wetboek in veiligheid." Dit werk, onder den grond

verborgen, werd opgegraven en aan de Commissie in handen geleverd,

welke het in haar onderzoek belachelijk trachtte te maken. Men

verzekert niettemin, dat de ontwerpers van het wetboek, 't welk

Nicolaas liet vervaardigen, verplicht zijn geweest, verschillende

inzichten van Pestel over te nemen. Wat in allen gevalle vaststaat,

is, dat zijn boek in het politieke gedeelte, verstandige en humane

denkbeelden bevatte. Zoo bijvoorbeeld een billijke ontspanning van de

knellende banden, die Rusland verstikken; een milden regeeringsvorm,

gelijkende op dien van de Vereenigde Staten; een herstelling van

het groote onrecht, dat zoo noodlottig is voor het Russische rijk:

de volkomen bevrijding van Polen; uitgebreide vrijheden aan de Joden

toe te staan, die, met ontlasting van dit land, de middelen zouden

ontvangen om in het Oosten een Staat te stichten.

Zoo zaten dus Pestel, Rylejew, de beminnelijke en dappere Alexander

Bestousheff, de onverschrokken Mouravieffs, m.a.w. het genie, de deugd,

de moed, het ware hart van Rusland, in de onderaardsche cellen van

Petersburg. Alleen Puschkin, de groote nationale dichter, ontbrak

eraan. Hij behoorde tot de saamgezworenen. Ver van de hoofdstad

wonende, wilde hij met hen komen medestrijden, sterven. Onderweg

loopt een haas over zijn pad: zijn koetsier houdt stil; zulk een

ontmoeting is voor iederen Rus een slecht voorteeken. Puschkin laat

hem doorrijden. Hij komt een oude vrouw tegen; nieuwe vertraging:

de koetsier wilde niet verder.

Als de koetsier eindelijk nog een priester ziet voorbijgaan (het

allerongunstigst voorteeken), verlaat hij zijn bok, werpt zich op

de knieën en deelt aan zijn meester zijn bijgeloovige vrees meê. De

dichter keerde terug, werd gered, maar bleef alleen behouden voor

grooter rampen, voor een tragischer levenseind.

Het dreigend en verschrikkelijk manifest, dat de czaar den volgenden

dag uitvaardigde, was opgesteld, zegt men, door het werktuig der

keizerin-weduwe, den levensbeschrijver der Iwan's, den vader van de

school van 't Schrikbewind, den ouden Karamsin.

Zijn leerling en de voortzetter van zijn werk was Bloudow, de

secretaris der Enquête-Commissie. Zij werd saamgesteld uit een aantal

mannen, wier voorzitter de keizer-zelf was in den persoon van zijn

alter ego, [50] zijn broer grootvorst Michaël. Deze, een hardvochtig

en ruw soldaat, doet zich door één enkelen trek kennen. Toen een der

saâmgezworenen zijn politiek geloof onverschrokken beleed, merkte

de grootvorst kalm op: "Men moest zijn mond door bajonetsteken tot

zwijgen brengen."

De uitkomsten door deze geheime rechtspleging, gedurende vijf maanden

van verhoor, verkregen, waarbij ongetwijfeld van alle middelen van

vreesaanjaging en omkooping gebruik werd gemaakt, zijn door het

gouvernement in druk verspreid, tot over geheel Europa.

Het spreekt van zelf, dat de eedgenooten worden voorgesteld, of zij

allen lafaards en botteriken waren. De openbare aanklager geeft hun

ieder oogenblik rijkelijk de beleedigenste benamingen. Zeker van

niet tot leugenaar te worden gemaakt, beschuldigt hij het meerendeel

van hen van hun bekentenissen telkens te hebben ingetrokken. O,

vele onder hen, vooral de saamgezworenen die soldaat waren, Russen

van den ouden stempel, van hun jeugd af-aan gewoon den keizer te

vergoden, zullen uit overtuiging tot hun vroegeren eeredienst zijn

teruggekeerd, en in de gebeurtenis van 14 December het oordeel Gods

hebben opgemerkt; maar heeft men voor het meerendeel der overigen

niet het recht te onderstellen, dat zulke partijdige beoordeelaars

het erop hadden aangelegd hen te brandmerken? Wat het ten minste doet

gelooven, is dat dit zoo ijverig doorwrochte onderzoek feiten bevat,

welke door alle partijen als onwaar zijn erkend, bij voorbeeld

valsche dagteekeningen. Het gaat o.a. uit van de onderstelling,

dat de saamgezworenen in 1817,--toen Alexander nog zóó bemind was,

dat zij hem hebben geraadpleegd en hun plan aan zijn goedkeuring

onderwierpen,--! het voornemen hadden den czaar en de keizerlijke

familie te dooden.

Als men nagaat dat, gedurende zooveel jaren, onder zooveel personen,

er niet één verrader was; wanneer men overweegt hoe onverschrokken

de aanvoerders waren en hoe hun dood van verheven eenvoud getuigde,

hoe kan men dan gelooven, dat zij er behagen in schiepen hun vrienden

te verraden, aan de wraak over te leveren?

De geschiedenis zal haar zwartste bladzijde openhouden om er de

namen der rechters op te schrijven, die, niet tevreden met deze

verheven zoenoffers ter slachtbank te voeren, getracht hebben hen in

een schotschrift, met den naam van gerechtelijk onderzoek versierd,

te onteeren en hun nagedachtenis te vermoorden! Wat zeg ik, hen aan

te tasten op een punt, dat dikwijls grootmoedigen méér treft dan de

eer-zelve; aan te tasten in wat het leven van het leven dier helden

en waarlijk goede menschen was, ik bedoel: in hun vriendschap!

Men leze de geestdriftige lofspraak, welke Rylejew, in zijn gedicht,

houdt op hem, dien hij aan zijn vaderland voorstelt als held, op zijn

jongen vriend Alexander Bestousheff,--en men zal de innige teederheid

beseffen die deze groote ziel kenmerkte.

Wat zou, in 's Hemels-naam, Rylejew erbij gewonnen hebben, als hij

zijn vrienden had overgeleverd, hij die, van den beginne af-aan,

den dood slechts voor zich-alleen eischte, verklarende, dat de 14de

December zìjn werk, en hìj er de schepper van was!?

Het krachtige en rustige bewustzijn, waarvan Rylejew bij zijn vonnis

blijk gaf, is reeds in zijn dichtwerk verkondigd. Door een soort

van vóórgevoel had de held zijn lot vermoed, en had hij vooràf

zijn doodszang gezongen. "Wat ons in onze droomen een besluit des

Hemels scheen te zijn, was nog niet besloten. Geduld! Dat de kolos

zijn eene fout nog op de andere stapele, dat hij te kort schiete

bij zijn wil de helft van 't heelal te versmoren! Dat hij zijn

gang ga, opgeblazen van trots, een praalvertooning te maken in de

stralen der zon... Geduld! De toorn des hemels zal hem niettemin

verpletteren... God is de vergelding-zelve! Hij staat niet toe,

dat de zonde, eenmaal gezaaid, haar oogst niet zou opleveren."

Inmiddels openbaarde het proces, vijf maanden lang voortgezet, aan de

verschrikte gemoederen het eindeloos aantal schuldigen. De keizer had

niet het minste besef gehad van het gevaar, dat hem bedreigde. Hij

dacht, op den 14 December, dat hij alleen te doen had met enkele

aanhangers van Constantijn, en daar onthulde men hem den omvang van

een vreeselijke samenzwering, die overal haar vertakkingen had. Geen

familie van eenige beteekenis, waarvan ten minste niet een der leden

aan het komplot had deelgenomen. Om de waarheid te zeggen: Rusland

zelf, althans het denkend Rusland, had het czarendom afgezworen en

wilde anders worden. Op welken grondslag verhief zich nu de troon, dien

Nicolaas bestegen had? Zweefde hij eigenlijk niet in de lucht? Alleen

maar steunende op den onvasten eerbied der lijfeigenen, op hun hoop

vroeg of laat bescherming te vinden bij dien onbekenden god, ver weg

zetelend en die nooit bescherming verleent!

Onder de regeering van Paul, die toch een levendig

rechtvaardigheidsgevoel bezat, waren de lijfeigenen, die zich bij hem

kwamen beklagen, er slecht aan toe; hij vond de zaak zóó gevaarlijk,

dat hij hun meesters liet waarschuwen en de ongelukkigen zelven aan

een tuchtiging overleverde. Gedurende de vijf maanden, welke het

gerechtelijk onderzoek duurde, zei men in heel Rusland, dat keizer

Nicolaas de bevrijding der lijfeigenen zou uitspreken. Zij geloofden

het zoo vast, dat zij hun pacht niet meer opbrachten. Zoodra zijn

troon bevestigd was, herstelde hij den vroegeren stand van zaken en

dwong hen met den sterken arm tot betalen.

Wat was er geworden van de regimenten, die deel genomen hadden aan

den opstand? Hun lot is een geheim gebleven. Het eene bataillon werd

naar den Kaukasus gezonden, een ander naar Siberië. Velen in Rusland

zijn er van overtuigd, dat het meerendeel der Finsche regimenten

bedolven is in de onderaardsche kerkers van Kroonstad, in vochtige

cellen zonder licht en beneden zeepeil. Wat zulke verblijfplaatsen

moeten zijn, bij het verschrikkelijk Russisch klimaat, kan men zich

voorstellen. Die ongelukkigen--als er ten minste nog van in leven

zijn gebleven--hooren al dertig jaar lang de Oostzee boven hun hoofden

bruisen, de in vrijheid aanrollende golven en zelfs de rondzwalkende

schipbreukelingen benijdend. Denkvermogen en smartgevoel moeten--laat

ons het hopen--onder zulke omstandigheden uitgedoofd worden.

Van de bekende families werden maar zeer weinig leden gestraft:

in 't geheel honderd twintig. Men wilde de wijde vertakking van

't kwaad verhelen.

Men beefde bij de gedachte, dat die tallooze benden van schuldigen

zouden weten, dat zij als zoodanig algemeen bekend waren, en dat zij

uit wanhoop zich bij de beweging hadden aangesloten. De keizer liet

een groot aantal van hen vóór zich komen, hoorde hen welwillend aan,

wilde hen voor onschuldig houden, en liet ze in die voorop gezette

meening gaan. IJdele pogingen, er was geen veiligheid of vertrouwen

meer! De vrees, eenmaal van den troon weggeslingerd, keerde tot den

troon weêr. En zij is er gebleven, en de keizer, van nature reeds

gestreng, is, uit wantrouwen, steeds hardvochtiger en onverzoenlijker

geworden. De onmogelijkheid zijn werkelijke vijanden te kennen

heeft zijn hart verbitterd, gewond, verwilderd. Daar Rusland zonder

ondergrond is, heeft het, zooveel het kon, de Russen moeten afbrengen

van hun strafmanie, welke hun tweede natuur is geworden. Alles is

schuldig: Polen, de Joden, de Katholieken, de Revolutie, Europa... Zoo

schrijdt van den 14den December tot aan ònze dagen, gestadig, steeds

heftiger, verschrikkelijker, het Russische 1793 [51] verder, dat nu

al dertig jaren lang voortduurt.

Wat op den keizer den diepsten indruk maakte, was zijn samenkomst

met Nicolaas Bestousheff. Wij halen dit onderhoud aan uit een

zeer Russisch-gezind boek, bizonder partijdig voor den czaar. Hij

werd getroffen door de onverschrokkenheid van dezen saâmgezworene,

zijn vrijmoedigheid, de juistheid waarmeê hij alle gebreken van het

keizerrijk aantoonde. Hij zag hem recht in de oogen, en zei:

"Als ik er zeker van was in u voortaan een trouw dienaar te

mogen aanschouwen, zou ik u vergiffenis kunnen schenken."--"Wel,

sire!" antwoordde Bestousheff, "dat is het juist waar wij ons over

beklagen, dat de keízer alles zou kunnen doen. Laat het gerecht zijn

loop volgen, en dat het lot uwer onderdanen voortaan alleen van de

wètten afhange."

Vijf der schuldig-bevondenen van den 14den December werden veroordeeld

om te worden geradbraakt: Pestel, Rylejew, Mouravieff-Apostol,

Michaël Bestousheff en Kakhofski.

De keizer schonk hun genade, maar droeg er toch zorg voor dat de

mindere straf, in de plaats van de radbraking, onteerender zou

zijn. Zij moesten gehàngen worden, een ongehoorde straf in Rusland.

Alle vijf hielden zich flink.

Hun meerendeel verlangde geen priester, zich zelven voldoende

gereinigd achtende door het martelaarschap, dat zij voor hun vaderland

ondergingen.

Pestel verklaarde, dat hij meer dan ooit vast stond in het geloof,

neêrgelegd in zijn Russisch Recht.

Den 25sten Juli 1826, des nachts te twee uren, werd op den muur

der vesting het strafwerktuig, een hooge groote galg, opgericht,

waaraan vijf lichamen zouden kunnen bengelen. Zooals bekend is,

heerscht er in het Russisch klimaat in Juli geen eigenlijke nacht:

de avondschemering gaat ongemerkt in den dageraad over. Men kon alles

gewaar worden. De soldaten naderden; er waren weinig toeschouwers;

het uur van de terechtstelling was niet bekend gemaakt. Heel Rusland

sliep, toen enkelen hun leven voor 't vaderland opofferden.

Om drie uur werden de veroordeelden voorgebracht, aan wie men het

leven geschonken had: zij werden gedegradeerd, voor hun oogen werd

hun uniform verbrand. In het pak der dwangarbeiders werden zij naar

Siberië gezonden.

Eindelijk verschenen de vijf ter dood veroordeelden, met groote kappen

op, waardoor hun geheele gelaat bedekt werd.

Toen zij de treden van het schavot beklommen hadden en zij het koord

om hun hals hadden gekregen, zonk de vloer, waarop zij stonden,

onder hun voeten weg. Twee werden in hun val gedood. Wat de drie

anderen betreft, deze ongelukkigen vielen, terwijl de strop over

hun kappen gleed, mèt het valluik en den ladder, in het gapend gat

onder de galg. De gehangene, die aan zijn noodlot ontsnapt, moet

kwijtschelding verkrijgen, volgens tal van wetten, die al uit de

Middeleeuwen dateeren. Maar wie zou de voltrekking van het vonnis

hebben durven opschorten? De keizer was niet te Sint-Petersburg,

maar in zijn paleis van Tsarko-Selo. Vol kneuzingen, werden zij weêr

op de been gebracht. Rylejew, met vasten tred het schavot opnieuw

bestijgende, richtte op zachten toon een verwijt tot het noodlot:

"Er was bepaald, dat niets mij zou gelukken, zelfs niet de dood." Een

oogenblik later had hij opgehouden te bestaan.

Deze groote man had, zegt men, zelf gewenscht te sterven, daar

hij voelde dat over zijn edele daad een floers was gespreid. Hij

verklaarde dit met zijn eigen woorden: "Ik heb zonder goedkeuring

van het Russische volk gehandeld."

Dat sproot voort uit den tijd, was geen fout van den man. Dit volk,

in volle duisternis van barbaarschheid, nog minderjarig, een onnoozel

kind, was zich zijn eigen instinct niet helder bewust, en kon aan

wat het voelde of dacht geen woorden geven. Een middel om het te

raadplegen wàs er niet.

Wil dit zeggen, dat deze nacht eeuwig moest duren? dat men dit

onvermogen, door het te eerbiedigen, voor altijd moest bestendigen? dat

men, een volk hebbende, 'twelk zich niet kon uiten, niets moest

doen om zijn tong los te maken, het eindelijk zijn eerste woord te

doen spreken?

Het gewetensbezwaar van Rylejew is begrijpelijk, men voelt het

meê. Staande voor het feit, dat hij alleen de intelligentie, de

gedachte, het brein vertegenwoordigde van die enorme massa van vijftig

millioen menschen, die nog niet konden denken, was hij zelf getroffen

door zijn verantwoordelijkheid, en vroeg hij een oogenblik aan God of

werkelijk hij, eenvoudig man als hij was en op zich zelf staand wezen,

uitverkoren zou zijn het denkbeeld van zijn volk te verwezenlijken.

Altijd opmerkelijk gewetensbezwaar, dat de makers van omwentelingen

zelden zal belasten en dat ons de oprechtheid van ziel van 't Russische

volk moet doen eeren. Maar, voor de praktijk gaat het te ver.

Neen, krachtige geest, twijfel er niet aan: gij zijt op dien dag het

geweten van Rusland geweest, zijn profetisch geweten. Wat het eenmaal

zal denken, naar mate het zich tot denken zal zetten, openbaarde zich

reeds in den geest van Pestel en in het hart van Rylejew. De ziel

van Rusland, niet zooals zij zich in haar diepe vernedering te allen

tijde heeft doen kennen, maar gelijk zij zich eenmaal zal openbaren,

hebt gij verkondigd; gij hadt het rècht te handelen en te spreken in

háár naam! Waarom? Omdat gij-zelf Rusland's ziel waart.

En wat heeft uw dood haar niet een dienst bewezen!

Totdusver dobberde zij in heel een volk en vermocht zij niets uit

te richten. Maar vastgelegd, tot één gebracht in u, hebt gij haar

machtig gemaakt en haar kracht gegeven, onder den eenigen vorm,

welken heur kindsheid haar toelaat te begrijpen,--in de gedaante van

mànnen en martelaren,--vleeschgeworden in uw leven, verheerlijkt

in uw dood. Zoodat zij, in plaats van de twijfelachtige schimmen,

welke zij had in de heiligen van het verleden, in u de heiligen der

heiligen bezit. Zij had uw toespraken niet begrepen, maar zij begrijpt

wat van u overblijft des te beter. Gij hebt haar iets gegeven, dat

zij voor altijd op het altaar kan plaatsen.

VIII.

OVER DE VERNIETIGING VAN POLEN.

Op hetzelfde oogenblik, waarop de keizer, bekomen van de indrukken

van den 14den December, de lijfeigenen weêr vasthechtte aan den grond

en hun verwachtingen den bodem insloeg, gaven zij hem een bewijs van

hun moedige toewijding, daarmeê bevestigend wat de saâmgezworenen hem

hadden meêgedeeld van de bestaande misbruiken, en ze tevens met groot

gevaar voor zich zelven ontdekkend. Bij een wapenschouwing, welke

de keizer hield, treden vier boeren naar voren en verzoeken hem te

spreken. Men stoot hen terug; men beduidt hun, dat zij kunnen te kennen

geven wat zij aan den czaar te zeggen hebben; zij willen tot niemand

anders dan tot hem spreken. Toen zij toegelaten waren, wierpen zij zich

op de knieën, en zei een van hen: "Vadertje, gij wordt bestolen... Ga

maar naar Kroonstad, en ge zult zien, dat op de markt, openlijk, in de

winkels de tuigage van uw schepen, al wat tot uw marine behoort wordt

verkocht." De keizer zendt er driehonderd man heen; de bazaar (markt)

wordt omsingeld, het gestolene wordt gevonden. Een streng onderzoek

wordt ingesteld. Kort daarop gaat de scheepstimmerwerf, de bazaar,

alles in vlammen op, en het onderzoek verdwijnt tegelijk met den rook.

De keizer kon de beteekenis der mannen van den 14den December

schatten, toen die ongekunstelde stemmen uit het volk op deze

wijs hun onthullingen ondersteunden. Zij hadden hem in hun laatste

onderhoud een wezenlijken dienst bewezen, door hem Rusland in zijn

ware gestalte te toonen, als één groote bloedende wond. Zij hadden

dezen jongen krijgsman, van aard hard en spotziek, geleerd eerbied te

hebben voor het Russische volk, een volk, waaronder mannen voorkwamen,

zoo ijverend voor wet en gerechtigheid, dat zij, zelfs in het aanzien

van den dood, van willekeurige genade niets weten wilden, en uitriepen:

"Laat de wetten haar gang gaan!"

Martelaren van Rusland · 第 5 / 9 段