anderen morgen, uit zijn huis opgelicht, overgeleverd wordt aan de
voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar
ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal
slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt
de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?
De officier is een veroordeelde. Tegen wil en dank volgt hij den
harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades
en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige
oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen
van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan
gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd,
van haar rang ontzet worden, en hij-zelf, hij is verloren.
Verloren? Wat beteekent dit woord? Gedood?
Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een
officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als 't moet;
anders, zegt hij, zou hij verloren zijn.
De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: "Ik ben
verloren!" Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan
niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg
iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.
Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn
lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar
wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke
het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke
wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een
ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.
Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets
wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van
practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de
wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke
haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatie is niet altijd
in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou
kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door
vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.
De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche
kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien,
nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid
van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van
ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.
Een oneindigheid van afstand. Wie de reis te voet aflegt, beladen
met zware ketenen, vertrekt jong en komt oud aan. Een man van
vijf en twintig jaar, vol levenslust en levenskracht, is uit Polen
weggevoerd. Drie jaren later valt een schim uitgeput in Kamschatka
[25] neder.
Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een
onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn
voldoende om den dood te veroorzaken.
Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast
zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den
fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in
dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het
staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken,
zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?
Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts
verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig
dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een
bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf
veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren
lang, soms langer, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.
Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan,
die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten
minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks
minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van
lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen
verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en
hun vrienden. Zijn naam verliezen, zich numero tien, numero twintig
hooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden,
kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich
zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van
de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren
mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door
een hardvochtig crescendo, komt het voor, dat de kinderen van een
tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers
zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun
kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.
Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar
ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er
naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen
werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De
vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land
waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.
Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer
in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een
van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië
tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt
ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa
leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te
kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, die haar eigen land aan
de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden
leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend;
zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld
van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar
kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar
voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers,
de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme
vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar
Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?
Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien
een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote
dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in
haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der
geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar
bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende
behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde,
zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de
verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.
Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor
een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden
weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen
zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets
te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of
misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft,
die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al
bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid
der lijfeigenen!...
Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een
vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met
achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad,
alléén, in den nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de
verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan
naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een
leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt
niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve
dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat
zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche
Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen,
hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden,
tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.
Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der
ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich
naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.
In een reisverhaal, in 1850 te Wilna uitgekomen, met goedkeuring van
de Russische censuur, beschrijft een zekere juffrouw Eva Felinska den
betreurenswaardigen toestand, waarin zij te Tobolsk een Poolschen
kolonel aantrof. Betrokken in het verzet van 1825, was hij door
den senaat veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, alleen voor
het achterhouden van onthullingen. De keizer schonk niet de minste
aandacht aan deze veroordeeling; hij deed hem naar het Noorden van
Siberië overbrengen, op drie-en-zeventig graden breedte, vanwaar men
hem, bij wijze van gratie, naar Tobolsk liet komen. Deze ongelukkige,
eens de mooiste man van het leger, was niet meer te herkennen. "Daar
hij zich niet meer staande kon houden, had hij in een armstoel plaats
genomen. Zijn haren, reeds vergrijsd en hoe ook gedund, waren met zorg
gekamd, vielen hem op de schouders en daalden tot zijn elbogen. Zijn
gelaat was heel bleek en gezwollen, zijn blik dof. De aandoening deed
zijn oogen en zijn lippen trillen. Men zag hem aan, dat hij wilde
spreken, maar het niet kon. Hij gaf ons met zijn hand een teeken
naderbij te komen, om ons te kunnen begroeten. Zijn geest genoot
toen een oogenblik van helderheid, doch de ontroering maakte het hem
moeilijk zijn tong te gebruiken, die half verlamd was. Wetende, dat
wij naar Berezow [26] gingen, waar hij had gewoond, bewoog hij ons
onzen intrek te nemen bij zijn gastvrouw. Het geheele onderhoud werd
van zijn kant met groote moeite gevoerd; we moesten veeleer raden,
wat hij wilde zeggen. Maar weldra bemerkten we, dat hij 't gebruik
zijner vermogens had uitgeput, want, terwijl hij in zijn verbeelding
ongetwijfeld vertoefd had aan de oevers van den Taag en van de Seine,
die hij zoo door en door kende, deelde hij ons meê, dat we te Berezow
meloenen zouden vinden, druiven en andere zuidvruchten. Wij maakten
toen een eind aan ons bezoek, met beklemd hart, terwijl hij ons nog met
een gebaar wilde doen blijven, en poogde te zeggen: Blijft nog wat!!!"
VI.
SIBERIË.
DE STRAFFEN.
"Hier is de nacht somber als de winter. Hij is droefgeestig, maar
indrukwekkend. Wanneer hij verhelderd wordt door het noorderlicht,
vertoonen zich aan den donkerblauwen, bijna zwarten hemel duizenden
vallende sterren en schijnt hij in vlam te staan. Dit vuur verwarmt
niet, verlicht niet. Die sterren zijn zwaarmoedig; men zou ze houden
voor de oogen der geesten van veroordeelden, die voor immer dit
ongelukstafereel willen vastleggen...
"Kolommen vuurs, vreemdsoortige, verschrikkelijke, majestueuse
gedaanten stooten op alle punten van den hemel tegen elkander; men
zou zeggen gloeiende houtskolen, bijwijlen stroomen bloeds... Zou de
natuur, evenals de mensch, visioenen hebben? Deze Noordsche natuur,
misdeeld, ingeslapen, schijnt droomen van ballingen te droomen."
Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede
generaal Kopec, metgezel van Kosciusko, [27] voor ons heeft ontworpen
van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij
was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van
dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn
voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski. [28] Deze,
ontembaar, woelziek, vermetel speler en nog vermeteler soldaat,
eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in
het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een
tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, en in
plaats van gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê,
scheept hij zich met haar in.--Kopec wendt zich tot God; hij voelt
zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te
wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd,
legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie
van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke
omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der
tranen ontvangen.
"Ik wandelde langs de kust der zee, en als het weêr stormachtig werd,
zag ik allerlei vreemdsoortige dieren, walvisschen, zeeleeuwen en
zeehonden. Soms werd ik door steenen getroffen; beren slingerden die
naar mij toe, om mij te wonden en vervolgens aan te vallen. Deze zee
heeft in den herfst veel deining; zij breekt met zooveel kracht, dat
Kamschatka er tot op zijn grondslagen van trilt. De dagen zijn grauw
en de nachten zwart. Als de storm in aantocht is en de Oceaan zijn
gerommel doet hooren, huilen de groote troepen honden, die leven van
visschen (er zijn er misschien wel twintig duizend) tegen den Oceaan,
en tallooze beren geven antwoord door onheilspellend gebrom. Gedurende
dien tijd rommelen de vulkanen en braken vlammen en asch. O, wat een
helsch schouwspel! en wat is een eerlijk man in een benarden toestand
te midden van den tweespalt der toornige elementen!"
Kopec beklaagt zich over de natuur, zelden over de menschen. Toch
was hij met groote barbaarschheid behandeld. Gekwetst, ziek, zonder
dat men op zijn wonden acht sloeg, die door de kou weêr opengingen,
was hij dag en nacht in een koets, van binnen dubbel met ijzer
beslagen, voortgesleurd. Geheel uitgeput, vroeg hij den officier,
die hem geleidde, eenige rust. "Ik heb order zonder oponthoud verder
te gaan, zei deze; ik zal in allen geval uw lijk meêvoeren. U heeft
vrijheid onderweg te sterven."
Wat ook nog erg treurig voor hem was, was dat hij onmetelijke
convooien ontmoette van arme Polen, die naar Siberië gevoerd werden,
kaal geschoren, met een brandmerk op 't voorhoofd en een afgehakten
neus. Verder voortgaande werd de weg niet anders aangewezen dan door
doodsbeenderen van beren, paarden of menschen, en enkele graven van
in de woestenij gestorven ballingen, welke afwachtten wie na hen
zouden komen.
Bij eene pleisterplaats zag hij een oogenschijnlijk voorname vrouw,
die dienstbode was. "Wie is u?" vroeg hij.--"Indertijd echtgenoote
van een kolonel, nu van een grofsmid." En zij verwijderde zich,
zonder te zeggen wie ze was.
Kopec scheen een verloren man, voor altijd Siberiër te worden, zonder
eenige gelukkige kans. Andere generaals, die men later zocht om ze
de vrijheid te hergeven, konden nergens gevonden worden.
"Eens op een dag keek ik, in droefgeestige gedachten, terwijl ik mij
op de overblijfselen van een verongelukt schip bevond, naar de zee,
die vol was van allerlei monsters. Plotseling ontdek ik een jongen,
knappen, statigen man, in een vreemde kleederdracht; de verschijning
greep me zeer aan. "Tot welke natie behoort u?" vroeg hij mij.--"Tot
het ongelukkig volk." "O, je bent dus een Pool!... Ik ben koopman... ik
ga naar Rusland terug... Schrijf een brief aan de uwen... Ik weet
wel wat voor gevaar ik loop... maar dat kan me niet schelen! gauw,
ga schrijven." Hij trotseerde het gevaar, belastte zich met den brief
en heeft hem eerlijk bezorgd."
Maanden en jaren verloopen. Eens op een dag komt de man, bij wien Kopec
inwoonde, bleek en ontdaan bij hem in de kamer: "Er is een schip in
zee gezien."--"Nu, des te beter!" gaf de Pool ten antwoord.--"Neen,
des te erger," zei de man. "De kommandant hier zal ons beschuldigen
een komplot te hebben gesmeed, zooals hij wel meer doet; hij zal ons
goed en leven nemen. Hij weet, dat het drie jaar duurt vóór een klacht
te bestemder plaatse komt."
Het schip bracht de gratie van Kopec, zijn bevrijding. Hij wilde
het eerst niet gelooven. Toen hij 't zelf gelezen had, viel
hij in zwijm. Om zich te herstellen, ging hij naar de zee. "Het
was stormachtig weêr; de monsters kwamen bij troepen naar de kust
toezwemmen. Ik verbeeldde mij menschen te zien, gezichten te herkennen,
ik zag tafereelen uit ons volksleven, processies, monniken die mij
het kruis tegemoet droegen. Ik wilde mij naar voren werpen... maar
werd tegen gehouden.
"Teruggekomen, had ik moeite om mijn kamer binnen te treden. Ieder
kwam mij gelukwenschen. De vrouwen brachten mij geschenken, goede
en zonderlinge: rum, suiker, waskaarsen (in het land van eindelooze
nachten, van alle dingen het meeste waard).
"De geestelijke, een gemoedelijke grijsaard van tachtig jaar, balling
als de overigen, kwam in zijn priestergewaad, met zijn koorzangers,
zes kinderen van de naburige eilanden, door hem gevormd, die heel goed
zongen, bepaald aandoenlijk. Ik stak al mijn kaarsen tegelijk aan. Hun
fijne stemmetjes drongen ons tot in het hart. Ik ben altijd spoedig
tot tranen geroerd geweest; maar ditmaal barstte ik in snikken uit,
of, om 't juister uit te drukken, in woeste kreten.
"Vervolgens gingen we rondom mijn steenen tafel zitten, en iedereen
bleef doorweenen. Ik maakte wat Poolsche punch klaar. Elks gedachten
waren bij het vaderland, dat niemand durfde hopen ooit te zullen
weêrzien."
"Gij zijt wel gelukkig," zeiden ze tot Kopec. "Ge vertrekt in drie
jaar." Het schip lichtte inderdaad eerst het anker na zoo lang in
deze kuststreken te hebben vertoefd.
Hoeveel treffende geschiedenissen zou de wildernis niet kunnen
vertellen, als ze spreken kon! Ze is echter even stom als somber. Deze
oceaan van bevroren vlakten is nog geslotener dan de Oceaan der wateren
over de schipbreuken, welke hij overdekt. Aan dit uitgestrekte graf
heeft Rusland, even onvermijdelijk als de dood, de zorg toevertrouwd
om den heldenaard te vernietigen der al te schitterende naties,
die het omringden. Door krijgsgevangenen niet terug te geven, maar
hen te laten verdwijnen, heeft het Zweden uitgeput. De metgezellen
van Karel XII, [29] gedwongen tot deerniswaardig metselaarswerk,
slapen aan den voet der bastions van Tobolsk, door hen-zelven met
inspanning van alle krachten gebouwd. Zweden is dáár leeggevloeid. En
Polen is er op komst. De droevige processie gaat maar steeds voort;
gansch een volk marcheert naar de woestijn, naar het graf.
Terwijl alzoo het onpersoonlijke, onverschillige groote slaafsche
Rusland zich vermenigvuldigt, vruchtbaar als het gras der steppen en
niet minder eentonig dan deze,--verdwijnt de krachtige persoonlijkheid
der heldenvolken, bij welke ieders hart warm klopte, wordt ze
uitgebluscht, begraven. Siberië bedekt, verbergt zijn schat onder
de aarde.
Treffende eigenaardigheid! Wat men niet heeft kunnen geheim houden,
wat aan het helderst daglicht gekomen is, dat is niet de weerstand
der dapperen, het zijn de bewijzen van toewijding als een natuurlijk
uitvloeisel van den band van 't familieleven. De helden zijn
heengegaan; maar de vader, de echtgenoot, de verloofde is gebleven,
en de natuur, de wonderen van het hart, de overwinningen van de liefde
op de menschelijke wreedheid duren voort.
Iedereen heeft bij Custine de aandoenlijke geschiedenis gelezen
van prinses Troubetskoi, [30] die alles verlaten heeft om haar
man te volgen, een rampspoedige maar toch weinig belangwekkende
persoonlijkheid, die het groote ongeluk gehad heeft zijn vrienden te
laten omkomen, zich te verontschuldigen en hen te overleven. Werd hij
bemind toen hij vorst was? Niets toont het aan. Maar als veroordeelde
won hij liefde. In Rusland hadden zij geen kinderen; in Siberië
krijgen zij er vijf. Deze bewonderenswaardige vrouw heeft door haar
onverwachte liefde den balling veel meer geschonken, dan de keizerlijke
wraak hem had ontnomen.
Laat mij hier een gebeurtenis boekstaven, nog verrukkelijker, maar
minder bekend, historisch vaststaande door het getuigenis van een
waarheidlievenden mond, die niet in staat was te liegen.--In 1825 werd
een jonge Rus (noemen we hem Iwan) naar Siberië gezonden. Hij had
lief en werd bemind. Een Fransch meisje, een jeugdige onderwijzeres
bij zijn familie, had trouwbelofte van hem. De familie, die dit
wist, maar op de verbintenis niet gesteld was, had het jonge meisje
verwijderd. Nauwelijks had zij vernomen, dat haar verloofde in 't
ongeluk was gestort en van allen verlaten, dat hij "aan den ketting
moest," of zij liet de haar gedane trouwbelofte gelden. Zij ging zonder
schroom naar Sint-Petersburg, regelrecht naar den keizer. Hij dacht
dat ze krankzinnig was, trachtte haar van haar voornemen af te brengen,
beduidde haar niet te volharden in haar wensch de vrouw te worden van
een tot dwangarbeid veroordeelde. Helaas! 't was zoo gemaklijk hem
zijn vrijheid te hergeven... De gunst, die men haar toestond bestond
alleen in 't verlof hem te volgen, met hem te lijden, te sterven. De
arme Française werd inderdaad het slachtoffer van haar toewijding;
haar zwakke borst kon het verschrikkelijke klimaat niet verdragen;
na verloop van een jaar stierf zij. Haar man overleefde haar niet;
't zij door ellende, 't zij door smart vergezelde hij haar in 't graf.
Zij lieten een kind na, een ongelukkige wees, bij zijn geboorte reeds
een verschoppeling en geruïneerd. De bezittingen van zijn vader moesten
overgaan in de handen van een natuurlijken zoon zijns grootvaders. Doch
deze (niets is eervoller voor het Russisch karakter) weigerde voordeel
te trekken uit de wreedheid der wet en liet den wees alles behouden.
Een gevaar, dat Siberië meêbrengt, en wel het grootste, is dat
men er sterft vóór zijn dood. De oneindige verscheidenheid der
lotsbeschikkingen, die men er aantreft, de absolute willekeur waaraan
allen daar onderworpen zijn, maakt het maar al te makkelijk zelfs
de sterkste zielen te beteugelen, te vernietigen. Rusland heeft niet
noodig, zooals Oostenrijk, met zorg ingerichte gevangenissen te bouwen,
waar de veroordeelde gedwongen wordt onwaardig werk te verrichten,
vrouwenarbeid te doen of met allerlei beuzelingen zich af te geven,
die den geest verstompen. Het verlaat zich op het voor den mensch al
te ruwe klimaat, dat hem breekt. Het verlaat zich op de beestachtigheid
van de militaire geweldenarij, welke iederen veroordeelde van karakter
als 't ware door een molensteen fijnmaalt. De hardvochtige soldaat,
die telkens vervangen wordt, maakt den veroordeelde weerloos door
die wrijving. Deze wordt hoe langer zoo kleiner gemaakt, verslapt,
en verliest ten slotte alle kracht tot verder verzet. Het verstand
komt hem te hulp en betoont zich vindingrijk, door hem zich zelf te
doen wijsmaken dat hij verkeerd zou handelen met langer tegen te
spartelen. Het laat hem zijn beulen rechtvaardigen, vernietigt in
hem het begrip van goed en kwaad, maakt hem volkomen onverschillig
voor alles, verderft zijn zinnen, doet hem gelooven dat het goed is.
Dit is het, wat de vrijheid altijd voor haar aanhangers gevreesd
heeft; niet den dood, een edelen en heiligen dood. Dit is het,
wat Europa vreesde, toen het wist dat de helden van November 1831,
[31] ter dood veroordeeld, begenadigd werden, om naar Siberië
te kunnen worden gezonden. Lazen wij niet aan het slot van ieder
geschiedverhaal in de mooie verzameling, getiteld Poolsche Zaken,
van 1830 (door Straszewicz): "Zij leven, ze zijn in Siberië, ziedaar
alles wat men weet; welke hun toestand is naar lichaam en hart,
dat blijft ongelukkigerwijs onbekend."
Maar, we zijn het, Goddank, te weten gekomen. We zijn
gerustgesteld,--hun ziel is niet dood. Ze hebben haar gaaf behouden,
en hun lichaam aan 't noodlot prijs gegeven.--Sommige dood, de andere
stervende: alle zijn ze onwrikbaar gebleven in hun geloof en hun hoop.
Een balling, uit Siberië weêrgekeerd (Piotrowski), heeft ons omtrent
hun martelaarschap ingelicht.