Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever

is de ziel van 't volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die

ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een

schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En,

kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen,

die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te

leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó

weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook

bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn

er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis

voor 't kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis

weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich

niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo

diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man

doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of

's morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.

Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen

maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde

mij tal van dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.

En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets

anders dan dit woord: Gebroken hart.

Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.

Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal

van malen bestudeerd.

Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan

onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig

jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd

gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.

Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag,

waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanige hartebreking, dat

niets er zich meê kan vergelijken.

Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig--maar 't is niet gebroken;

integendeel, 't heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn

martelaarschap.

De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit

gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet,

Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken,

zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van

de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.

Azië verkeert over 't algemeen in een toestand van ontspanning,

van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland,

tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige

wijs tot lijden afgericht.

Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland

hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende

liefde welke het in zijn hart koestert,--dat dit alles vereenigd

schijnt om het telken ure ten val te brengen.

Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder 'twelk het Russisch

zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud

zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.

Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.

De Staat is niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of,

zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke

droom, die op verren afstand verplaatst.

De godsdienst is louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol

vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar

deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is

onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het

Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.

Het eigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft

en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak

hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische

begrippen weêr.

Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voor zijn gezin; de rest

kan hem niet schelen.

Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde,

voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan,

als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Den meester en den

oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan

van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk

klinkende, weêrgevende van vadertje, grootvadertje, enz.

Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis,

waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn

behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te

timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van

Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt,

zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplante

boomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.

Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn

familiebanden. De "heer" kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit

is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt. Tot zelfs de

ingewanden behooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn

dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind,

hij heeft het maar goed te vinden.

En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen

vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert,

of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom

niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij 't ook vindt,

is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets

anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij

moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk

lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.

IV.

DE MINOTAURUS. [18]

OVER HET LEGER ALS STRAFMIDDEL.

Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan

alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen

zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst

aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht:

men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw

van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.

Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur,

maar van de regeering; het is 't gevolg van de buitensporige

verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan

niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten,

die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische

lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam,

nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche

wereld.

Wat voor een leger is het dan, dat, in vredestijd (de Kaukasus

telt niet meê) op zoo zichtbare wijs een bevolking van zestig

millioen zielen zoo kan dunnen! Tot welk een ongehoord cijfer men

dit leger ook wil opvoeren, men zou 't niet kunnen begrijpen, zonder

te weten op welk een onmenschelijke manier het wordt gerecruteerd,

gedrild en gevoed. Het moet van 't volk driemaal meer mannen nemen

dan het soldaten telt. Wat is het lot van de rest? Weinigen, zeer

weinigen keeren naar den huiselijken haard terug: niet één man op

de honderd; Paskjewitsch [19] zelf zegt het, ik heb zijn woord al

aangehaald. Nergens in Rusland ziet men verminkte oud-soldaten,

zooals in andere landen zoo veelvuldig aanwezig zijn. Alle genezen;

zij hebben tot arts den besten heelmeester: den Dood.

Als de hertog van Ragusa [20] in zijn boek, dat méér Russisch-gezind

is, dan de Russen-zelven, tot onzen schrik berekent, dat de Russische

soldaat den keizer twee of drie maal minder kost dan de onze, dan

ziet hij in zijn becijfering over 't hoofd, dat om één geoefenden

en geharden Russischen soldaat te verkrijgen, er vooraf twee of drie

moesten doodgaan.

Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn

aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk

misbruiken van menschenvleesch.

Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is

de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding)

de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij

zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee;

kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond

en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid

behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij

wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere,

gansch tegenovergestelde.

Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen,

namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig

gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk

is. De gelaatstrekken zijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak,

de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in

grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen,

die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.

Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde,

slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke

levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen

opgegeten.

Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed

hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor

menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger

bloed, inwendig zouden verbranden.

Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt,

bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland

onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik

de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als 't

ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman,

ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer

gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo'n

man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche

boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open

lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven

zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den

blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar,

een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien

heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier

van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus

nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden,

doet zelden iets uit eigen beweging.

Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk

en in Rusland, den dag van het vertrek der rekruten. De Fransche

dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls

zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en

tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn

baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als

kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter

aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een

man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig

jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd

worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.

De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen

het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door

de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen,

geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak

heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij,

de eenige in het rijk, wiens vrijheden eenigszins geëerbiedigd worden,

wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij

geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij

met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein,

leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel

uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet

wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman,

handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij,

maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.

Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden

geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in

het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten,

de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol

naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.

Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van

achteren de afgrijselijke merken van de krijgstucht, en oude krijgers,

eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben

deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.

Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische

discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een

afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de

kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft,

dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.

Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan,

bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet

onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De

door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf

handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na

tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. "Ik ben niet

gesteld op den oorlog," zei Constantijn, "hij bederft den soldaat en

maakt zijn uniform maar vuil." En toen iemand, om een officier bij hem

te ontschuldigen, zei: "'t is ten minste een man, die veel moed bezit,"

riep hij uit: "moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed."

Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het

gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of

energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men

bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te

zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat

achteraf en wacht op bevelen,--dan is 't in orde.

Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste

rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot

nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van 't leger

oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er;

het gouvernement wéét dit, maar doet er niets tegen. Hoe kan het gezag,

dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten,

welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der

menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd,

sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te

scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende

verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?

Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed,

slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den

Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden,

dat hij zich 's winters (en de winter is zoo lang in Rusland)

opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte,

de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon

en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán

dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer

de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel--'t is ongeveer vijf en

twintig jaar geleden--een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld

voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die

evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon

heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk

vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond

aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.

Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige

bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar

van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben,

zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een

tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen

staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden

zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen,

hun klingen, die van geslacht op geslacht overerfden, hun geweren van

platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden,

die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van

hun meester,--zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het

schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden,

zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.

Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling

toegetakeld, en daarbij zaken doende, is een belachelijk wezen,

vergeleken bij deze koningen van 't gebergte.

Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer,

welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze

wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks

minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk,

van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten

in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger,

akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een

wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de

cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel

veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak

was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden;

uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen

te verlagen, goeie dienaars te maken en goeie onderdanen. Men vond

hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee

waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze

gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten

getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen

een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau,

brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.

Welke is de zedelijke toestand van den militair in Rusland? Welke

gedragslijn zal hij kiezen bij een groot conflict met Europa? [21] Men

kan dit in geenen deele voorzien; welke de gevoelens der officieren

of van de soldaten ook mogen zijn, zij dragen een juk van vrees,

dat moeilijk af te schudden is.

Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkst door

vrees in bedwang te houden.

Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het

verschijnsel, dat men vrees noemt. Er is geen sprake van bangheid,

ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf

staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin

iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht

te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig

gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat

tegenover geheimzinnige machten.

Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar,

natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage

voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er

zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste

overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart

aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met

vrome onderwerping.

Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande,

de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerking gemaakt: de Rus en de

Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil:

de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder

te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.

De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag

aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde

krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinke

soldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een

dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken

door nieuwe aanwervingen.

Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig

nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het

dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe

van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft

het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der

diplomatie heeft bewandeld.

Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van

wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen

bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in

de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom

heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van

zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De

innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.

Niemand kent den Russischen soldaat goed. Met al zijn uiterlijk van een

automaat en dat gezicht van hout, heeft hij toch soms een zeer critisch

oordeel. Het komt uiterst zelden voor dat hij dit laat doorzien. Laat

ik een kostelijk staaltje van dit soort aanhalen. Hierbij is sprake

van het dweepzieke tijdperk der soldaten van Suwarow. [22] In het

verhaal, dat zeer natuurlijk schijnt en klaarblijkelijk getrouw en

waar is, merkt men hiervan niets, maar wel een lichte spotzucht,

een treffende neiging tot medelijden, de vage hoop van eindelijk

den dienst te zullen verlaten, en, wat den Rus altijd bijblijft,

de liefde voor zijn land en zijn familie.

Het was bij den dood van Catharina. [23] Ziehier het gesprek der

soldaten, dat Niemcewicz [24] in zijn gevangenis afluisterde:

"Eindelijk zullen we dan een czaar krijgen!" zei de een. Waarop de

ander antwoordde: "Dat is in lang niet gebeurd. Onze oude matuszka

(moedertje) heeft er haar plezier, geloof ik, wèl van genomen."--"Meer

dan welletjes," zei de eerste, "maar ieder zijn beurt. Ik hoop dat nù

onze arme gevangenen zullen vrijgelaten worden."--"Er zullen groote

veranderingen komen," zei een derde. "Men vertelt dat allen, die dertig

jaar dienst hebben naar huis kunnen gaan, als ze willen."--"God geve

't!" beaamden allen met een diepen zucht.

V.

SIBERIË.

Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar

waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel

denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in

Rusland, het begint bij den Weichsel.

Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.

In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig

oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er

is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.

De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad,

het is 't breken van het hart, het is de zedelijke angst van

een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een

oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles

de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets

vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.

Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer

door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker

is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen,

hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw

aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.

Martelaren van Rusland · 第 2 / 9 段