Wereld Bibliotheek
Onder leiding van L. Simons
MARTELAREN VAN RUSLAND
door
JULES MICHELET
vertaald en van korte aanteekeningen
voorzien door
S. J. Bouberg Wilson
Uitgegeven voor de Mij voor
Goede en Goedkoope Lectuur door
G. Schreuders Amsterdam
INLEIDEND WOORD.
Jules Michelet's "Les Martyrs de la Russie" is een halve eeuw oud. Het
verscheen in 1854, toen Russische toestanden de verontwaardiging van
geheel Europa gaande maakten.
Dat we het nu (en voor het eerst) in het Nederlandsch geven,
vindt ten deele zijn verklaring in het feit, dat het, hoewel
zoo oud, niets verouderd blijkt. Michelet, de groote liberale
Fransche geschiedschrijver van het midden der negentiende eeuw,
heeft in dit werkje den geest van het Russische volk, van overheid
en onderdrukten, met groote scherpte geschetst. Zijn boekje was een
revolutionnair pamflet, bestemd om de Russische officieren te winnen
voor de vrijheidszaak, en dat merken we ook aan de bloemrijkheid
en de rethorika van zijn stijl, aan het veelvuldige gebruik van de
"phrase". Voor ons, menschen van 1905, heeft het vooral bizondere
waarde, omdat het ons zoo volkomen doordringt van de voorgeschiedenis
der nu wordende revolutie. In dit pamflet van 50 jaar geleden worden
toch de onderdrukking in Rusland, het ruw geweld en de gemeenheid der
autocratie al als onhoudbaar voorgesteld. Sindsdien is de afschaffing
der lijfeigenschap gebeurd, doch de tyrannie is er weinig door
verzacht of verzwakt. En het onhoudbare heeft zich nog een halve
eeuw staande gehouden. Hoe dit kon, verklaart dit boekje eveneens:
door de lijdzaamheid van het Russische volk.
Nog een enkel woord over den Franschen schrijver zelf. Hij was geboren
in 1798 en stierf in 1874. In dien levenstijd heeft hij ontzaglijk
weten te werken. Als geschiedschrijver gaf hij voornamelijk: Beknopt
Overzicht der Nieuwe Geschiedenis (1827), Romeinsche Geschiedenis
(1839), Geschiedenis van Frankrijk (1833-1844 en 1855-1867: in
zeventien deelen), Geschiedenis der Revolutie (1847-1853: in zeven
deelen) en Geschiedenis van de XIXe eeuw (na zijn dood verschenen).
Zijn stijl, zijn levendige voorstelling hebben hem veel bewonderaars
verzekerd. Zijn kenschets en geschiedenis van Jeanne d'Arc, de Maagd
van Orleans, uit zijn "Geschiedenis van Frankrijk", is een fijngevoeld
begrijpen van een katholieke dweepster door een liberaal denker. Wij
stellen ons voor, fragmenten uit zijn werken in onze Bibliotheek
op te nemen, zooals ook enkele zijner natuur-beschrijvingen op het
lijstje staan, dat we van den heer Thijsse ontvingen.
Redactie Wereld-Bibliotheek.
AAN DE RUSSISCHE OFFICIEREN.
Mijne Heeren,
Alweêr menschenlevens ten offer gevallen. Gisteren, 20 Juli, [2]
zijn te Warschau, tot ieders ontzetting, zonder reden of voorwendsel,
vier gevangenen onverwacht uit hun kerker te voorschijn gehaald, voor
uwe militaire rechtbanken gevoerd, veroordeeld en door stokslagen
doodgeranseld.
Geen enkel te voren gesmeed komplot verklaart deze wreede
strafoefening. Het waren gevangenen, die reeds lang, om staatkundige
reden opgesloten zaten. Hun bloedverwanten meenden, dat de komst van
den keizer, [3] de aanstaande viering van den vijf-en-twintigsten
jaardag zijner troonsbeklimming, hen genade zou doen krijgen.
Nu, begenadigd zijn ze!
Zijt gij het wel, mijne heeren, gij, vervuld van den geest van
Frankrijk, door dezen en zijn denkbeelden gevoed: gij, meer Franschen
dan Russen, die tot zulke barbaarsche, zulke vernederende straffen
bevel kunt geven?
Ons is de geweldige angst niet onbekend gebleven, die u terneder
drukt. Een ijzeren vuist dwingt u tot zulke afschuwelijke vonnissen,
en doet ze u onderteekenen. Meer dan één onder u zou zeker zijn degen
stuk breken, als hij daardoor slechts zijn leven op 't spel zette.
Wij kennen u, wij weten dat, als ge onttrokken zijt aan ieders blikken,
gij het waagt menschelijk te zijn. Ik zou kunnen zeggen wáár en in
welk opzicht; maar ik zal u niet verraden. Het is waarschijnlijk,
dat ge op den 20sten Juli het aantal slachtoffers, dat men u vroeg,
hebt beperkt. Van de vier-en-dertig, die ge moest oordeelen, zullen
dertig in 't leven blijven: zij gaan naar Siberië!
Welke misdaad hebben die Polen bedreven?
Dat zij juist zoo denken als gij.
Wie verafschuwt, vervloekt méér dan gij het barbaarsche bewind van de
bastaard-Duitschers, [4] die Rusland's ondergang bewerken? Wat zou
men bij de meesten uwer vinden, mijne heeren, wanneer uw hart werd
blootgelegd? Immers de revolutie, het geloof aan den 14den December,
het niet-uitteblusschen vuur van Pestel en Rylejew? [5] Droevig
noodlot, door heel Europa heen te moeten trekken, en de deelgenooten
uwer denkbeelden, de martelaren van uw overtuiging te bestrijden of
te veroordeelen--hen, wier dood gij benijdt!
Gij hebt de Hongaren bewonderd, wier opstand slechts door de Russische
tusschenkomst van 1849 gebroken werd. De straffen, die volgden, de
afgrijselijke beleedigingen, welke heldhaftige vrouwen hebben moeten
verduren, gij voelt ze na, evenals wij.
Gij hebt de helden van de Poolsche omwenteling bewonderd, die het
in 1837 waagden, door een daad van ongeloofelijke stoutmoedigheid,
hun Siberisch verbanningsoord te wapen te brengen: gij waart nog méér
lijk dan zij, den dag toen zij onder de stokslagen neêrvielen van uw
soldaten, zelven in tranen en vol wanhoop.
Uw hart moet als door een dolk doorboord zijn geworden, toen
Wisniowski, [6] in 1847, van de galg af, dit verheven woord
verkondigde: "Hebt elkander lief en vergeeft."
Diegenen onder u, die in 1831 dienden, zullen altijd voor oogen en in
't hart houden een droevig beeld, dat hun steeds zuchten en nachtwaken
zal kosten. Zij herinneren zich Kroonstad, het plechtig martelaarschap
van het Poolsche leger in die drukbezochte haven, ten aanzien
van de verontwaardigde zeelieden van de heele wereld. Verscheiden
honderdtallen van dapperen, krijgsgevangenen, en wel bij capitulatie,
weigerden hun vaderland af te zweren en Russen te worden. Geslagen,
genezen, opnieuw geslagen toen hun wonden zich sloten, volhardden
zij als onverwinlijken, totdat de karren hen wegvoerden, aan flarden
geranseld, vormelooze, afzichtelijke massa's vleesch, waaraan niets
meer den mensch deed herkennen.
Welke zijn uw ongeopenbaarde gevoelens bij dergelijke verschrikkelijke
beproevingen? Ze zijn voor ons geen geheim.
Het zij mij vergund een feit te noemen:
In een oorlog van jongen datum werd een uwer jeugdige officieren,
bij zijn komst in een stad van het overweldigd land, ingekwartierd
bij een dame uit de groote wereld, die, vol van wrok tegen de Russen
en Rusland, hem door haar bedienden liet ontvangen en weigerde hem te
zien. Niet dan met groote moeite slaagde hij erin tot haar door te
dringen en sprak hij aanvankelijk op hoogen toon. Zij, onwrikbaar,
heldhaftig, antwoordde zooals het Vaderland-zelf den vijand zou te
woord gestaan hebben... Het hart van den jongen man verdroeg dit niet,
en, van bewondering aangegrepen, zich aan haar voeten werpende,
zei hij onder tranen: "Mevrouw, wij zijn ongelukkiger dan u...;
van mijn geheele familie ben ik alléén over; ze zijn allen in Siberië."
Dus, gij treedt naar voren, zwijgend, bleek, den degen in de hand, om,
tegen uw overtuiging in, het vonnis uit te voeren, dat een vijandig
noodlot heeft geveld. Gij treedt naar voren, met gebogen hoofd,
zonder achter u noch vóór u uit te zien.
Achter u ligt Siberië, bevolkt door den Russischen adel,
en de Kaukasus, of de algemeene slachtplaats, waar men u laat
ombrengen. Niettemin gaat gij voorwaarts.--Achter u is de revolutie,
waarmeê ge sympathiseert, Frankrijk en de Fransche gedachte-wereld,
uw geheele zijn vertegenwoordigend. En niettemin gaat gij voorwaarts.
Hebt medelijden met u-zelf... Welk gevaar loopt gij ten slotte,
tenzij te sterven?
Maar sterft ge dan niet reeds? Is uw leven niet de dood?
Velen, in dezen droevigen toestand, trachten zich zelven te
bedriegen. Zij doen zich geweld aan om volijverig te zijn voor de
grootheid van Rusland.
Laat ons onderscheiden, mijne heeren. Dit woord heeft twee zeer
verschillende beteekenissen: het rijk en het volk. Welnu, het rijk
heeft geen stap gedaan--ik maak mij sterk het te bewijzen--die niet
tevens een schrede was naar de vernietiging van uw nationalen geest,
de uitwissching van het Slavisch karakter, dat u kenmerkt. De eenige
goede omschrijving van de schrikkelijke regeering, waaronder gij
gebukt gaat, is: de ondergang van Rusland.
Anderen, die zich zelven niet wat trachten wijs te maken, sluiten de
oogen, geven zich over aan het noodlot; zij zetten zich neêr, enkel
in twijfel gevangen; nemen plaats boven den afgrond: "Wie weet waar
de oorzaak schuilt?" zeggen zij. "Wij zijn verdorven, dat is zoo. Maar
het Westen is 't niet minder... Laat ons genieten, en dan sterven."
Ja, de Westersche wereld is verdorven, doch in de opperste lagen,
de eenige die ge kent, veel meer dan in de onderste. Frankrijk
bezit bovendien dit vóórdeel, dat het, meer of minder verdorven,
steeds in zich zelf het vermogen behoudt tot zedelijke vernieuwing
door de kracht der denkbeelden. Frankrijk leeft van den geest, en
het vindt daarin een onuitputtelijke opwekking, kracht tot ommekeer
en wedergeboorte. Zijn aanvallen van zwakte zijn niet gering. De
wereld roept dan uit: "Het is dood." Men riep 't bij Rosbach. [7]
En toch hernam het, juist door deze nederlaag en opgewekt door een
flauwen lichtstraal, zijn vorige kracht en gloed, bemoedigde hen,
die vreesden dat zijn levenszon uitgedoofd was, en, door zijn geest
een herschepping ondergaande, werd het 't licht der wereld.
Dit herscheppingsvermogen, het ligt in de gedachte die zich
telkens hernieuwt. Wat zou er van een volk worden, dat, na zijn
oorspronkelijkheid ingeboet te hebben, afgehouden werd van den omgang
met elk ander, aan zich zelf overgelaten, buiten het verkeer met
menschen gesloten, als men de vrije toestrooming van versche lucht
tegenhield?
Dit is het geval met het Russische volk.
Zijn leven lag in de gemeenschap, een kleine patriarchale maatschappij,
die den grond onder haar leden verdeelt en er hun de afwisselende
bebouwing van overlaat. Een machtige onderlinge band. Tegenwoordig
is de bewoner losgerukt van den bodem en van de gemeenschap. Vroeger
bezitter van dien grond; sedert, gedurende twee eeuwen, als lijfeigene
eraan vastgehecht, troostte hij zich met de voorstelling, dat het
juist andersom was.--Het is nu zoover gekomen, dat hij er niets meer
van is dan een verplaatsbaar aanhangsel, een stuk gereedschap, dat
men aan de mijnen, aan de fabrieken verkoopt.
Een aandoenlijke toestand, die tot tranen toe ontroert. Deze tot de
lijfeigenschap gedoemde bevolking had zich met het hart erop toegelegd
haar in overeenstemming te brengen met de natuurlijke menschelijke
gevoelens; de lijfeigene noemde zijn meester vader. Hij was het kind
van zijn heer, en de heer de zoon van den czaar. Heel deze wereld
had zich vereenzelvigd met het denkbeeld van vaderschap. Daarin zat
het geloof en het gansche hart van den Rus... En gij hebt dat hart
gebroken!
Den lijfeigene aan uw agenten overleverende, die hem tot wanhoop
brengen, hebt gij de keizerlijke politie tegen zijn oproerigheden
moeten te hulp roepen, haar verbreiding moeten aanvragen over het
geheele rijk, in ieder dorp den bleeken, kwaadwilligen man doen komen,
die den boer bedreigt en den meester verraadt. Vroeger ongetwijfeld
zeer afhankelijk in uw verhouding tot den czaar, hadt ge ten minste
dit geluk, dat de punten van aanraking zeldzaam waren; oppermachtig
thuis, van het oogenblik af dat de winter alle gemeenschapsmiddelen
verbrak, hield de dwangheerschappij voor u op. Acht maanden per jaar
waart gij koningen. Met den herfst sloot gij uw deur, en niemand
kwam u verontrusten. Tegenwoordig ontmoet ge op uw goederen overal
den onheilspellenden man, met het gluipend, ter-zij-uitziend oog,
door wien de czaar van Sint-Petersburg uit u aanziet.
Een mijner vrienden bevond zich eens in een Russisch paleis, in het
hart van 't rijk, ver van alle wegen verwijderd, en nam deel aan een
grooten maaltijd, welken de vrouw des huizes gaf aan den talrijken
adel uit de buurt. De eetzaal zag op een uitgestrekt park uit,
waarvan de voornaamste laan vlak naar het midden venster voerde
en de plaats, welke de dame aan tafel innam. Plotseling houdt
zij op te spreken, blijft roerloos zitten, de oogen naar buiten
gericht... daarop verbleekt zij; ziet als een doode, siddert... zij
klappertandt... Zij is op het punt in onmacht te vallen. Een
militair-uitziend persoon treedt de zaal binnen; het was de generaal
der keizerlijke gendarmerie, dien ze had zien aankomen. Ze dacht niet
anders of ze was verloren. Gelukkig stelt hij haar gerust. Een ongeval,
hem met zijn rijtuig overkomen, had hem opgehouden, en hij had daarom
een anderen weg ingeslagen, om haar een bezoek te brengen.
Zoo leeft gij nu. Gedwongen te kiezen tusschen twee verschrikkingen,
van onderen de muiters vreezende, van boven den verpletterenden
afgod, die iederen dag zwaarder drukt, zoekt gij uw toevlucht onder de
bescherming van den laatste. Gij vlucht, waarheen? Ongelukkigen! Naar
het bloedig altaar van Moloch. [8]
Wat déze verschrikkelijke god verslindt, zijn echter niet
alleen menschen; het is ook het talent, de innerlijke kracht, de
levensvatbaarheid van Rusland.
Van 1812 tot 1825 hebt gij een proef genomen op de nationale
veerkracht. Het zachtzinnige vaderschap van Alexander [9] werd de
vertrouwde van uwe menschlievendheid. De gebeurtenis van den 14en
December verschrikte, beklemde de harten, drong ze weêr terug naar
de eigenbaat.
De letterkundige werkzaamheid duurde nog voort, bij gebreke van die
van den staat; zelfs in dezen onschuldigen kring werd het Russische
zieleleven vervolgd, de poëzie gedood mèt de dichters... Lermontow
gedood. Gribojedew gedood. Puschkin gedood. En welk een tragische
dood! [10]
Kort na 1840 eindigt uw letterkunde. Diep stilzwijgen, gij laat u
niet meer hooren. Gelooft gij, dat men u kwijtschelding geeft? Neen,
een nieuw jachtveld voor vervolgingen wordt geopend, uitgestrekter,
verschrikkelijker. Het despotisme, tot dusver uitwendig, materiëel, wil
nu tot de zielen doordringen, en maakt zich ongerust over het geloof.
"Gij gehoorzaamt; goed. Als Polen en als Rusland zijt gij gebroken;
best... Toch ontbreekt er iets, zonder 'twelk de rest mij niets waard
is: gij moet mij erkennen als richtsnoer van uw denken, als beslisser
in uw geloofszaken; in mij moet gij vereeren de vereeniging der
twee machten, zonder welke niets bestaat. Als beide mij toebehooren,
ben ik een gehéél, ben ik God."
Zoo spreekt Nebukadnezar; [11] hij heeft het doen verkondigen door
een van zijn slaven (Januari 1850); hij heeft verklaard, dat Rome
uitgediend had, dat de Latijnsche kerk vereenigd moest worden met de
Grieksche, de eenig katholieke, d.i. de algemeene, en dat de Czaar
de Opperpriester van de geheele wereld was.
Grootvorst Michaël had het reeds gezegd, twintig jaar vroeger, bij
gelegenheid van een bezoek aan de Sint-Pieter te Rome, toen de paus
juist den kerkdienst waarnam: "Dit is alles wel mooi, wel verheven;
maar wat zal het schoon zijn als wij hier eens den dienst verrichten!"
De keizer heeft meer gedaan, dan een woord te spreken. Sedert
1833 heeft hij gehandeld als paus, door de wreede vervolging
der Uniaten (Grieken, vereenigd met Latijnen). Polen, staatkundig
reeds verpletterd, heeft ook nog de slachtoffers geleverd voor deze
verschrikkelijke godsdienstige strafoefening.
Wat wil de nieuwe God anders doen, dan Rusland mishandelen en de
aanhangers der tallooze secten, die er zich, totdusver onder de
bescherming der heeren, verborgen? Reeds deze ongelukkigen alleen
verschaffen, gemiddeld per jaar, vijfhonderd ballingen aan Siberië.
Zóó slaat deze macht met den dood, verbrijzelt, verslindt. Als
zij niets had om tusschen haar moordende kaken te nemen, zou zij
zich-zelve verscheuren.--Staatkundig leven? Verslonden. Letterkundig
leven? Verslonden. Nu heeft zij 't gemunt op het godsdienstig leven,
in Rusland en in Europa. Zij nadert, met open muil. Waarom is de
revolutie haar onuitstaanbaar? Het orgaan van den czaar heeft het
met buitengewone openhartigheid gezegd: omdat de Fransche revolutie
een godsdienst is.
Frankrijk en de revolutie zijn volstrekt niet ongerust en vreezen
niets.--Wie moet vreezen? Gij vooral, mijne heeren. Het werktuig,
waardoor deze macht de wereld aangrijpt, kiest zijn steunpunt op u,
het drukt u neêr en verplettert u. Het verricht niets naar buiten,
zonder het eerst naar binnen te hebben gedaan.
Het is niet maar een mensch, merk dit wel op, het is een werktuig. De
dood van een menschelijk wezen (ofschoon de kracht van zijn
persoonlijkheid de drukking vermeerdert), zijn dood, zeg ik, kan niet
volstaan om het zoo verbazend gespannen mechaniek te verminderen.
Wie kan het losser maken, meneeren? Gij, meer dan iemand anders. Zelfs
de czaar vermag niets zonder u.
Indien hij de machine door bovenmatige krachtsoefening, zoo natuurlijk
bij de oppermacht, met behulp van vreemdelingen, die den Russischen
aard niet kennen, haar hoogste spankracht heeft doen bereiken,--dan
hebt gij die er niet minder aan gegeven, door het lot van den
lijfeigene te verzwaren, door overal, om de oproerigen in toom te
houden, de tusschenkomst van de keizerlijke macht noodzakelijk
te maken. Gij hebt aan den troon van den czaar dit nieuwe,
verschrikkelijke overwicht geschonken, waaronder Rusland kraakt.
De stelling, die gij inneemt, is nog sterk; uw macht, ten goede
en ten kwade, ontzaglijk. Het volk, tusschen u en den czaar
geplaatst, zou aan u de voorkeur geven. Vrijgemaakt, is het aan
erger dienstbaarheid overgeleverd: die der omgekochte bureaucraten,
zonder hart of eergevoel. Wat het vraagt is, dat gij het, door u aan te
sluiten bij het echt-Russisch element, de gemeenschap, zoowel tegen de
regeering als tegen uw eigen zaakwaarnemers beschermt. De gemeenschap
zou, onder uw bescherming, zich oefenen in de vrijheid. Luistert
naar de mannen van den ouden stempel, en naar de ouden van dagen,
eerbiedigt zeden en gewoonten; legt uwen intendant het zwijgen op
tegenover den starost [12] en de plaatselijke patriarchen. Verwijdert
de zakenmenschen. Zorgt, dat de grondpachten matig, billijk worden;
dat de obrok (de vaste belasting), ongelukkigerwijs tegenwoordig in
Groot-Rusland minder verbreid, algemeen worde, de aan verandering
onderhevige heerendiensten vervange en uit vrijen wil worde toegestaan.
Wanneer de plaatselijke regeering aldus van haar banden wordt bevrijd,
zal het centraal bewind voor u een minder noodzakelijke beschermer
zijn. Het zal voelen, dat gij sterk zijt door de liefde der uwen,
en het zal u ontzien. Alles zal trapsgewijze milder worden, juist
zooals het in de natuur gaat.
Rusland heeft voor zijn grootheid niet noodig een tegennatuurlijke
wereld te blijven.
"Keert tot de natuur terug."
Als men haar eenmaal verlaat, maakt de eene gedrochtelijkheid iedere
andere, niet minder monsterachtig, noodzakelijk, onvermijdelijk.
Om maar één voorbeeld te geven, uw kankerende wond, Polen, vraagt
den Kaukasus ter zuivering. En de etterende plek, de Kaukasus, eischt
onophoudelijk het Russisch bloed, het Poolsch bloed.
"Keert tot de natuur terug."
Maakt de gestrengheid van uwe politie minder wreed, door haar overbodig
te doen zijn. Dat zal zij zijn, als de lijfeigene u zegent.
Viert de teugels aan de barbaarsche gestrengheid van uw militaire
inrichting. Het uitwendige heeft er toch het wezen van vernietigd. Zij
zou veel krijgshaftiger zijn, als zij niet vervallen was tot de
aanmatigende geweldenarij van de Duitsche krijgstucht.
Rusland is een veroverende staat en moet het zijn, volgens de
natuurwet. Zijn veroveringen liggen in het Zuiden.
Raadpleegt den eersten den besten Rus; er is er niet een, die zich om
het Westen bekommert. Zijn ras en zijn geest zijn van een Zuidelijke
natie, die zich ongelukkigerwijs naar het Noorden ziet verbannen.
Laat dit bibberende volk zich komen warmen in het Zuiden, afdalen
naar de vruchtbare steppen, die, eenmaal goed bebouwd, meer waard
zullen zijn dan Polen, en een Italië zullen worden. Rusland glooit
in werkelijkheid naar de Zwarte Zee af. De menschen gaan er van zelf
heen, evenals de rivieren er naartoe stroomen; en telkens als ze in
de nabijheid komen van dat paradijs, de Krim, meenen zij hun vaderland
terug te vinden.
Wanneer gij uw wettige en natuurlijke zending gaat vervullen, de
verovering van de woestenij in het Zuiden, zult gij zonder spijt een
ontaarden strijd beëindigen. Dan zult gij voldoening schenken aan uw
zuster, aan Polen; het helpen om zich los te maken van Duitschland, en
het eigenhandig herstellen. Het zal u verzoenen met God en met Europa,
en als een gezegende zult gij tot de broederschap der menschheid weêr
toegelaten worden.
II.
Een vrijdenker uit Friesland, een officier die den dienst der Russische
garde verlaten had en die een boeiend werk geschreven heeft over
de militaire dwingelandij, welke hij had aanschouwd en ondervonden,
de heer Harro Harring, [13] plaatste als motto boven zijn boek: Ausi
(ik heb het gewaagd), 1832.
Weinige jaren vroeger had een Duitscher, luitenant Mörtens, evenzeer
uit Russischen dienst getreden, schrijver van een klein boek over de
buitenlandsche aangelegenheden van Rusland, zich te Dresden metterwoon
gevestigd. Wie zou niet gedacht hebben, dat hij in deze stad, onder
't oog van Duitschland, zich in veiligheid bevond? Niettemin is hij,
zonder eenig spoor van zich na te laten, verdwenen, en niemand heeft
kunnen zeggen, wat er van hem geworden is (1829). Men gaf de schuld
aan het Russisch gouvernement, en dit is er niet boos om geworden:
het zoekt immers zijn voordeel in vreesaanjaging!
Toen men kennis kreeg van de Juli-revolutie, [14] bevonden zich twee
zeer bekende en zeer geachte Fransche ingenieurs, de heeren L... en
Cl... in een gezelschap te Moscou. De eerste hield zijn mond; de tweede
besprak en prees de omwenteling. Denzelfden avond gevangen genomen,
zou hij naar Siberië overgebracht zijn, als onze gezant niet in tijds
gewaarschuwd was en hem met aandrang had opgeëischt.
Geen enkel paspoort gaf den vreemdeling zekerheid. Kotzebue [15] was
in 't bezit van een Pruisischen pas, volkomen in orde, toen hij te
Petersburg werd opgelicht en in eens door, regelrecht naar Tobolsk
[16] werd gevoerd. Men had hem bang willen maken, en het vervolg
bewees, dat men daarin volkomen geslaagd was. Hij bekeerde zich zonder
voorbehoud, en werd oprechtelijk goed-Rus; zóó goed, dat de keizer,
verheugd over zijn ommekeer, hem tot directeur der schouwburgen
van de hoofdstad aanstelde. Men weet, dat hij, sedert dit tijdstip,
met zijn aan Rusland verkochte pen Duitschland verried en belasterde.
Onze vriend, de heer Pernet, directeur van de Revue indépendante, was
ook in 't bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis
genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het
gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap,
nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien
hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in
een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der
omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën
heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de
barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem
daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke
politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten,
de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken,
de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles
vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem 't harte brak, en op
verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook
zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder
er zich van te kunnen verwijderen, voelde hij zich reeds in twee
dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar
erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar,
half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig
liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die,
niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer
gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door
karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op
het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen,
dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op,
dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van
sterven... Pernet bestierf het zelf.
Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te
gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en
duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad
aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den
vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar
den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes
waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren 't Fransche meisjes:
alle modistes zijn dat.
Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een
Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. "Goddank,
mijn vriend!"--roept de een uit--"eindelijk kunnen we dan weêr eens
vrij ademhalen!"
Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen
gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van
zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben,
spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, 't zij
omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat,
't zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als
't ware gerussificeerd zijn. Zij ontkennen niet, wat er in Rusland
voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het
te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet
meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden
om een flink en ernstig oordeel te vormen.
Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht
die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken
van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen,
de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk
gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij
gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben
de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt
weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.
Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft
de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag
waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende
stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke
klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes,
waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het
meisje: "Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar
me!"--De getrouwde vrouw: "Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht
toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!" In één woord, alles wat
pijn en vrees voor roerends weten te uiten.--Hij smolt in tranen. De
prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staat verraste en die
dit niet kon begrijpen, zei tot hem: "Wat u zoo van streek brengt,
daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van
aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze
hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan
dansen." Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid
voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.
De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger
verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten
weinig werk, zoo op 't veld als in huis. Een niets-doende, vernederende
dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een
Russische dame zei mij eens: "Op een klein landgoed van honderd-vijftig
boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertig kamervrouwen, die letterlijk
niets uitvoeren." Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen
voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op
den koop toe krijgen.
De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter
beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag
stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van
den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de
vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering
het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke
gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester
gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls
zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder
minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant,
den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed,
zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur
de ongelukkige bevolking verkracht.
Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen,
zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de
familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen
mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij
er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de
zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar 't gevoel
voor 't vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij
het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen? Oproeren
blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding;
men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen
bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de
natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch
gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen,
hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen
en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke
sneeuwmassa's. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de
ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart,
en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin,
waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.
Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid
deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste
geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland
aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer
geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van
kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie
waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven
van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen
achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden
verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der
Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor
den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos
behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven
onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het
vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen
der Russische boeren te stelen.
De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms
ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één,
die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan
de schouwburgen van Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht
aan andere heeren, die op hun kasteelen opera's geven.
Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen
een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters;
maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven
lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten
vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge
lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend
violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat
hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed,
om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg
tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van
den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze
vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk
jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar
eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer
(men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de
groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld
en naar Siberië gezonden.
Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar
en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij
kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het
gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen,
die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.
Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis
te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame
lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van
een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten,
te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij met
haar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit,
geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder
de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke
wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre
ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo
zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.
III.
GESCHIEDENIS VAN KATYA, EENE RUSSISCHE LIJFEIGENE.
Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer
eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding
vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet
door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun
namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten
waarborg.
Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de
schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft
haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De
verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar
als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht,
en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.
Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij
leefde bij haar familie, in 't hart van Rusland, ver achter Moscou. Het
was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader,
die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het
kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij
den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een
dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ...,
die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij
merkte de aanvalligheid van Katya op, en daar haar eigen kinderen
zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op
hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder
de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde,
nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg
haar in haar rijtuig en reed verder.
De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame
had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader
gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men
dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe
wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in
zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.
Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die
der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun
zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed
arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig
voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst
op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den
jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel
dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.
Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor
eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot
zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen
van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even
nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al
aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon
door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten
der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe
langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen
om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaam
was in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar,
zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.
Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar,
als men ze 's nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het
ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk
van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer,
haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van
vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen
grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen,
herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en
thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe
ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor
haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige
slechts een benauwde droom.
Ze was nagenoeg twaalf jaar oud, toen haar meesteres een reis naar
Frankrijk maakte en haar meenam, in 1815. De dame, mèt haar man
meêgekomen, liet hem alleen, met het Russische leger, terugkeeren en
bleef zelve in ons land. Weêrhouden door de een of andere gril uit
passie of vroomheid voortgesproten, misschien onder den beheerschenden
invloed van een boetprediker (waarvoor zoo menige Russische dame
uit den tijd van keizer Alexander I zwichtte), zette zij zich in
't hoofd te Parijs te blijven, en wilde van Rusland niet meer hooren
spreken. Haar man, die er ten slotte genoeg van had haar tevergeefs
te schrijven, te verzoeken, te gelasten, eindigde met haar geen geld
meer te sturen, overtuigd haar door den honger tot terugkeer te zullen
dwingen. Maar zij hield vol, nam haar intrek in een klooster, waar
ze voor weinig geld terecht kon, en zond al haar bedienden weg. De
jonge Katya deelde in hun lot. Haar meesteres verjoeg haar even
onmeedoogend, als ze haar had geroofd. Zij stootte haar letterlijk
in haar verderf. Uit de omgeving van het Pantheon werd zij naar het
Marais gevoerd, rue du Chaume, [17] bij vallende duisternis, en daar
op de stoep van een huis achtergelaten.
Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort
een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te
vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe,
maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee
woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame
was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden
neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging
over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd,
door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een
groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij
houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal
en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk
huis nooit meer ondervonden had.
Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van
twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom
zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen
levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb
bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier,
toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons,
en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets
uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit
met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste,
met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest
met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte
aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste
last, dien ze had te tillen, een trap, die ze op moest, bracht haar
buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.
In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer
dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar
familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon
ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan
de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig
had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks
verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon
ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar
hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen
ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar
konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.
Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar
bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar
familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap
bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen,
welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.
Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was
de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den
indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon
waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van
bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort
van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge,
sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje
van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad
met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te
gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs
van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld,
dat zij er zich over verontschuldigde.
Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te
vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar
manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen
dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses,
die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan
den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring
dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.
Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde
de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor 't
arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige
jonge mannen, de zoogenaamde "geluksvogels", bedroefden met hun
onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein,
liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen
hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van
de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd,
toen men aanving haar een opvoeding te geven.
Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging,
zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar
mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar
wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén
te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden
te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en
werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen
slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad
ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was,
keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op
de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de
woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.
Haar beschermsters, die haar nooit uit het oog lieten gaan, hebben haar
dikwijls aangeraden te trouwen. 't Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar
steeds verwierp zij 't huwelijk, 't zij omdat ze, evenals alle
zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, 't
zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde,
doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig
beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst,
ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame
uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets
van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar
verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt,
van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van
Oosterlingen.
De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig
jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een
achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar
handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster,
mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe
zij 't aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid
om haar misdeelde buren bij te staan.
Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef
gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te
herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en
een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere
meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar
toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld
en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden
over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. "O,
mevrouw," roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar
goede hart weêr dienstbode voelend, "u blijft altijd mijn meesteres,
en wat ik bezit is het uwe." Dienzelfden dag verliet zij haar woning,
met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de
oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.
De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in
een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis
van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen,
die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven
van dit meisje.
Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons
beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven,
dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben
bereikt.