—Dat zullen wij kunnen ontdekken, als wij de gangen van dien man maar

verder nagaan. Wij zijn hier helaas een paar minuten te laat gekomen

anders hadden wij gehoord, wat het geheim is, waarover Clifford hier

was komen spreken.

—Maar ben je niet moreel verplicht, het verblijf van de vrouw in die

kamer naast ons aan de politie mede te deelen, als je er dan zoo

stellig van overtuigd bent, dat zij en niemand anders den majoor kan

hebben vermoord? Vergeet niet, dat er op het oogenblik een onschuldige

in de gevangenis zucht.

—Ik weet het, Charly, en ik zal dan ook zeker handelend optreden, als

het mocht blijken, dat ik het goed gezien heb. Maar eerst moeten wij

zekerheid hebben, en die kunnen wij pas krijgen, als wij weten, wie die

Clifford eigenlijk is, en welke rol hij in dit drama heeft vervuld.

—Zou hij niet naar het huis in de Ormond Street terugkeeren?

—Zeker zal hij dat! Hij moet toch ergens wonen!

—Maar zal hij niet spoedig een nieuwe betrekking gaan zoeken?

—Daarmee zal hij wel wachten tot over drie dagen! Want als de vrouw

daar aan den anderen kant voor zijn bedreigingen bezwijkt, dan kan hij

wellicht een heerenleven leiden! Zij is misschien rijk!

—Zullen wij niet blijven, tot wij haar gelaat hebben kunnen zien?

—Wij zullen zelfs naar binnen gaan, mijn jongen!

—Wat—wil je haar ondervragen? hernam Charly. Nu? Op dit oogenblik?

—Ja, aanstonds! Misschien legt zij wel een volledige bekentenis af!

HOOFDSTUK V.

HET VERHAAL VAN DE SCHULDIGE.

Reeds terwijl hij deze woorden sprak, had Raffles het vertrek verlaten,

en nu klopte hij op de deur van de aangrenzende kamer.

Deze werd juist op dit oogenblik geopend, en op den drempel verscheen

een jonge vrouw, met een doodelijk bleek gelaat, waarin de donkere

oogen den vreemdeling met een verschrikten blik aanzagen.

Zij was gekleed om uit te gaan.

Zij deinsde een stap achteruit, en vroeg, nauwelijks hoorbaar:

—Wat wenscht gij? Wie zijt gij?

—Dat zult gij aanstonds vernemen, miss! antwoordde Raffles op ernstigen

toon, terwijl hij, door Charly gevolgd, het vertrek binnentrad, en de

deur achter zich sloot.

De jonge vrouw had de kleine hand op het hart gedrukt en even de oogen

gesloten.

Zij liet zich nu op een stoel vallen en wees met een vaag gebaar haren

bezoekers twee andere stoelen aan.

Maar Raffles hernam:

—Wij zullen met uw goedvinden liever blijven staan, miss!

—Zeg mij dan spoedig, wat gij van mij verlangt!

—De waarheid over de misdaad in de Ormond Street, miss! antwoordde

Raffles, zonder zijn blikken van het bleeke gelaat der jonge vrouw af

te wenden.

Deze was opgestaan en staarde Raffles aan, alsof zij een

geestverschijning zag.

Haar lippen prevelden eenige onverstaanbare klanken en daarop viel zij

achterover in haar stoel terug.

Zij was bezwijmd.

Raffles trad haastig op haar toe, en zeide toen tot Charly:

—Ga wat vlugzout, azijn en eau-de-Cologne halen!

Terwijl Charly wegsnelde om het gevraagde te halen, onderzocht Raffles

vluchtig het vertrek.

Hij opende een wandkast, en het eerste wat hij daar zag, was een

volledig heerencostuum, een slappen vilten heerenhoed en een dikke

overjas met breeden kraag.

In een lade van de groote waschcommode vond hij een kleine, ordinaire

revolver, en toen hij het wapen snel onderzocht, zag hij, dat er nog

vijf kogels in het magazijn zaten......

Er stond een kleine damesschrijftafel in het vertrek, waarvan het blad

echter gesloten was.

Raffles opende de tasch, welke de bewustelooze vrouw in de hand hield

en vond daar een sleutelbos in.

Juist had hij er dezen uitgenomen, toen Charly terugkeerde.

—Ik heb dit alles van de pensionhoudster! zeide hij. De oude dame is

zeer verschrikt en zij wilde mij met alle geweld vergezellen, maar toen

ik haar voorhield, dat zij dan waarschijnlijk voor de rechtbank zou

moeten verschijnen, trok zij zich aanstonds in haar kamer terug.

Raffles had het fleschje met vlugzout uit de hand van Charly genomen en

hield het onder den neus van de bezwijmde vrouw, waarop hij haar slapen

en polsen met azijn begon in te wrijven.

Enkele minuten later ontwaakte de jonge vrouw uit haar flauwte en keek

met verwilderden blik om zich heen.

Toen bleven haar donkere, doodelijk verschrikte oogen op het gelaat van

Raffles gevestigd, en nu sloot zij ze weder en leunde met het hoofd

tegen den rug van haar stoel.

Zij leek zoo een doode!

Geruimen tijd was het zóó stil in het vertrek, dat men niets anders

hoorde dan het zwakke tikken van de kleine pendule op een kastje bij

het raam.

Raffles was de eerste, die sprak.

Hij boog zich voorover, en zeide op ernstigen, vermanenden toon:

—Wij zullen u niet te lang martelen, miss—wij kennen de waarheid! Wij

weten, wie hier zooeven bij u is geweest en wij hebben een gedeelte van

het gesprek gehoord.

—Zijt gij politiebeambten? vroeg de vrouw, zonder de oogen te openen.

—In zekeren zin zijn wij dat, miss, antwoordde Raffles, terwijl er een

zonderlinge glimlach om zijn lippen kwam spelen. Wij komen op voor de

gerechtigheid, en wij bestraffen de misdaad!

—Waar beschuldigt ge mij van?

—Dat weet gij heel goed! antwoordde Raffles streng. Gij hebt gisteren

majoor Wigmore neergeschoten met behulp van de revolver, welke ik

zooeven in de lade van uw waschtafel heb gevonden! Gij waart als heer

gekleed, en de manskleederen hangen in gindsche kast! En ten

overvloede—Clifford is getuige geweest van uw onderhoud met den majoor

en hij is zooeven hier gekomen, om u te dreigen, dat hij u aan de

politie zou verraden, wanneer gij hem geen geld zou geven!

De jonge vrouw liet een zacht gekreun hooren, en uit haar gesloten

oogen welden brandende tranen op de bevende hand, die vóór haar op het

tafelkleed lag.

Toen klonk het zwak over haar witte lippen:

—Zoo moest het komen! Ik heb het geweten! Mijn leven heeft toch geen

waarde meer...... Ik beken! Ja, ik deed het, en ik ging er heen,

wetende, dat ik het zou doen!

Plotseling liet zij het hoofd voorover op den arm vallen en barstte in

een wild snikken los, hetgeen haar geheele lichaam deed schokken.

Raffles liet haar tot bedaren komen, strak vóór zich uit starend, en na

eenige minuten richtte de jonge vrouw het hoofd weder op, droogde haar

tranen en zeide met heesche stem:

—Ik zal u alles mededeelen—ik zie wel, dat er geen ontkomen meer is! De

bewijzen tegen mij zijn overstelpend!

—Dat niet alleen—er zit een onschuldig man om uwentwille in de

gevangenis! hernam Raffles.

—Mijn God! Dat wist ik niet! riep de ongelukkige vrouw uit. Wie is het?

—Henry Brix, de oude bediende van den majoor!

—Dat is vreeselijk! zeide de jonge vrouw, terwijl er een rilling over

haar gelaat liep, dat......

—Dat is het zeker, miss—en daarom moet gij de waarheid zeggen, hoe

zwaar ook uw straf moge zijn—gij moogt er u niet aan onttrekken, omdat

gij daardoor een onschuldige voor zijn geheele verdere leven ongelukkig

zoudt maken.

De vrouw knikte zwijgend eenige malen met het hoofd, en zeide toen,

half vóór zich heen:

—Gij hebt gelijk! Dat mag niet! Dat zou mijn daad leelijk afzichtelijk

maken! En luister nu naar mij! Het is een kort verhaal—ik zal u niet

lang ophouden!

De jonge vrouw had de handen samengevouwen en begon nu, terwijl zij

haar blikken strak op een donkeren hoek van het vertrek gevestigd

hield:

—Vier jaar geleden was ik de gelukkige verloofde van een jongen man,

dien ik boven alles ter wereld lief had. Zijn naam was Edmund Fisher.

Wij zouden zoo spoedig mogelijk trouwen—en toen kwam het bevel voor

mijn verloofde, om zich bij zijn regiment aan te melden.

—Het veertiende regiment Lancashires? vroeg Raffles op zachten toon.

De vrouw keek Raffles met wijd opengesperde oogen aan en vroeg:

—Hoe weet gij dat?

—Ik wist het niet—ik vermoedde het slechts! antwoordde Raffles. Ga

door, als ik u verzoeken mag.

—Ons afscheid was hartverscheurend, vervolgde de jonge vrouw. Ik was

waanzinnig van smart! Ik bezat weinig of geen familie, en Edmund was

alles voor mij in de wereld! Gij zult het laf vinden, maar ik heb,

zonder dat hij het wist, nog pogingen in het werk gesteld om hem bij de

administratie of den treindienst geplaatst te krijgen, zonder het

minste resultaat natuurlijk. Hij vertrok, en ik smeekte God, dat Hij

mij mijn eenigen schat op aarde weder in mijn armen zou voeren!

Een droge snik ontwrong zich aan de keel van de jonge vrouw, en haar

gelaat getuigde van een vreeselijke smart.

Toen ging zij voort:

—Het lot scheen mijn Edmund gunstig gezind te zijn—hij streed als een

leeuw, en slechts tweemalen werd hij licht gewond.

Maar tijdens den oorlog had ik kennis gemaakt met zijn luitenant,

Richard Wigmore, die naderhand kapitein en majoor werd. Hij kwam vrij

dikwijls met verlof over—vaker, dan ik voor mogelijk had gehouden, en

dan kwam hij mij telkens opzoeken, ten huize van mijne tante, waar ik

reeds lang woonde, en wier notaris ook mijn klein vermogen beheerde.

Het werd mij al spoedig duidelijk, door welke beweegredenen Richard

Wigmore naar het huis van mijn tante werd gedreven. Hij had mij

lief—zoo zeide hij althans! Ik wees hem met verontwaardiging af, en ik

verweet hem, dat hij misbruik maakte van mijn toestand, en van de

afwezigheid van mijn verloofde!

Een oogenblik zweeg de jonge vrouw, en klaarblijkelijk vlogen haar

gedachten naar die dagen van weleer.

Zij had de kleine vuist nog gebald, en een rimpel liep dwars over het

blanke, gladde voorhoofd.

Toen sprak zij, als in een droom:

—Hij bleef aandringen—ik bleef weigeren! Maar aan Edmund heb ik nimmer

iets durven mededeelen—en misschien is dat wel mijn verderf geworden.

Het mijne en het zijne! Den laatsten keer, dat ik Richard Wigmore

sprak, was hij reeds majoor, en Edmund had het van gewoon soldaat tot

tweede-luitenant gebracht. Het was in de laatste dagen van October, en

ik had mij reeds zeer ongerust gemaakt over het wegblijven van Edmund’s

brieven, die hij mij al die jaren, wanneer hij niet met verlof over

was, geregeld iedere week had gestuurd. En toen kwamen er een paar

brieven—die mij het hart samennepen, want zij waren zeer kort en

onverschillig! En ten slotte—het was in de eerste dagen van

November—kwam er een brief, een anonieme brief, waarin mij werd

medegedeeld, dat Edmund mij ontrouw was geworden!

Weer hield de jonge vrouw even op, want de ontroering had haar

overmand, en een oogenblik scheen het of zij opnieuw in zwijm zou

vallen.

Zij wist zich echter uit alle macht te beheerschen, en vervolgde:

—Door een toeval alleen kwam de gansche ellendige toeleg aan het licht,

mijnheer! Hij had die laatste brieven niet zelf geschreven—hij was

steeds geregeld blijven doorschrijven, maar Richard Wigmore had mijn

brieven zoowel als de zijne onderschept en zelf had hij de laatste paar

brieven geschreven, waarin ik onverschilligheid had meenen te lezen!

Hier werd zij in de rede gevallen door een uitroep van Charly, die zijn

verontwaardiging niet langer meester was en woedend uitriep:

—Die eerlooze ellendeling!

Raffles wierp hem een snellen blik toe, maar de jonge vrouw zeide:

—Gij geeft hem daar den naam, die hem toekomt, mijnheer! Maar hij ging

verder. Hij werd tot laffe moordenaar! Toen hij bemerkte, dat zijn plan

door een toeval mislukt was en dat wij toch weder met elkander

correspondeerden, verzon hij een duivels gemeenen toeleg, om zijn

gehaten medeminnaar uit den weg te ruimen.

Zij had nu het hoofd gebogen, en in haar stem lag een sissende klank,

terwijl haar oogen bliksems schoten, toen zij voortging:

—Het was twee dagen vóór het sluiten van den wapenstilstand, twee

dagen, hoort gij? Nog tweemaal vier-en-twintig uren, en Edmund was

voorgoed bevrijd geweest van dien ellendeling! Zijn regiment lag in de

buurt van Waverghem. Ik heb dat alles later van een wederzijdschen

vriend vernomen. Gevochten werd er toen reeds bijna niet meer! Iedereen

gevoelde, dat het einde met snelle schreden naderde. Toen moest er,

naar het heette, een verkenning worden gedaan en Richard Wigmore wees

daarvoor Edmund met twee mannen aan. Hij zeide, dat het niets te

beteekenen had, daar de vijand zich op vele kilometers afstand buiten

schot van onze artillerie had ingegraven. Maar de schurk had

dienzelfden dag, geen twee uren geleden, van een verkenningsagent de

tijding gekregen, dat de Duitschers in een klein, naburig boschje een

mitrailleurpost hadden gevestigd, en dat zij den weg konden bestrijken,

die van Waverghem naar het naburige dorp leidde—den weg, dien de drie

mannen moesten volgen! En weet gij wat hij deed? Met een handdruk nam

hij afscheid van den man, dien hij in den dood zond!

—Driewerf vervloekte schurk! barstte Charly uit, die trilde van woede,

en den wenk van Raffles reeds vergeten was.

De jonge vrouw scheen er zich in het geheel niet van bewust te zijn,

dat deze uitroep zonderling klonk in den mond van een politiebeambte,

en riep op hartstochtelijken toon:

—Ja,—een schurk! Een verraderlijke, duivelsche schurk! Een judas, die

met een glimlach op het gelaat den man vermoordde, die hem in den weg

stond! De rest is spoedig verhaald—van de drie keerde er geen terug! De

mitrailleur had hen verrast, toen zij opgewekt voortschreden,

vertrouwend op het woord van hun majoor, en men vond later hunne lijken

met kogels als het ware doorzeefd......

Er volgde een geruime tijd van stilzwijgen op deze woorden.

Het verhaal had diepen indruk op de beide mannen gemaakt, en zij

begrepen nu, wat er moest zijn om gegaan in het hart van deze

ongelukkige.

Toen nam Raffles het woord en vroeg:

—Wanneer wist gij dit alles?

—Het is mij omstreeks een half jaar geleden medegedeeld.

—Door wien?

—Door een vriend van Edmund, die toen pas uit een Parijsch ziekenhuis

terugkeerde, waar hij bijna zes maanden verpleegd was. Hij was er bij

tegenwoordig geweest, toen de opdracht aan Edmund gegeven werd, en hij

ontdekte ook later, dat Richard Wigmore op de hoogte was geweest van de

aanwezigheid van den mitrailleurpost.

—Wie is die Clifford?

—Hij is jaren oppasser van Wigmore geweest!

—Gij hebt u dus willen wreken?

—Dat heb ik—en het is mij gelukt!

—Waarom hebt gij zoolang gewacht met het ten uitvoer leggen van uw

plan?

—Omdat Richard Wigmore kort na het sluiten van den wapenstilstand eerst

nog naar Alexandrië werd gezonden, en vandaar pas twee maanden geleden

is teruggekeerd. Het duurde toen nog geruimen tijd eer ik zijn spoor

vond—maar toen ik het eenmaal had, stond mijn besluit ook vast!

—De getuigen zeggen, dat gij wel een half uur bij hem geweest zijt, is

dat zoo?

—Neen, zoo lang kan het niet geweest zijn—hoogstens een kwartier of

twintig minuten.

—Herkende hij u dadelijk?

—Neen, want ik had mannenkleederen aangetrokken. Misschien was ik nog

wel zwak geweest, als de ellendeling mij niet opnieuw van liefde had

gesproken, en mij zelfs wilde kussen—na alles wat ik wist! Toen zag ik

een bloedrooden nevel vóór mijn oogen. Ik haalde mijn revolver uit den

zak van mijn overjas, terwijl hij mij omklemd hield—en ik schoot hem

neder!

Weer bleef het eenigen tijd stil.

Toen hernam Raffles op ernstigen toon:

—Er blijft u nog een zware weg te bewandelen, miss. Gij moet zelf

begrijpen, wat u te doen staat. Wigmore had zich vreeselijk aan u

vergrepen—en menige andere vrouw zou evenals gij hebben gehandeld, maar

gij alleen kunt den ongelukkigen Brix redden—ook al zoudt gij uzelf

daarbij ten offer moeten brengen. Ik weet echter zeker, dat onze

rechters verzachtende omstandigheden zullen doen gelden, als gij hun

het verhaal doet, hetwelk wij zooeven uit uw mond vernomen hebben.

De jonge vrouw slaakte een diepen zucht en zeide op doffen toon:

—Het komt er niet op aan—voor mij is het uit! Ik heb nog slechts

geleefd om den dood van Edmund te kunnen wreken! En als ge mij nu zoudt

vragen, of ik berouw heb van mijn daad, dan zou ik u toeschreeuwen:

Neen! Duizendmaal neen! Hij verdiende het!

Zij had dit laatste op hartstochtelijken toon en met stemverheffing

uitgeroepen.

De twee mannen zwegen, want diep in hun hart konden zij zich dit

wraakgevoel van een vrouw begrijpen, die zich zelf had willen zijn, en

den man gedood had, die de moordenaar van haar minnaar was geweest.

Raffles was opgestaan en had Charly een wenk gegeven.

Hij richtte zich tot de jonge vrouw en zeide op zachten toon:

—Gij weet nu, wat u te doen staat. Het is hard—maar het is uw plicht!

Meld u morgen bij de politie aan en zeg de waarheid!

—Arresteert ge mij dan niet? riep zij verwonderd uit.

Raffles schudde ontkennend het hoofd.

—Dat is niet onze taak. Wij vertrouwen, dat gij u zelf bij de politie

zult aanmelden! En nu nog deze vraag: Heeft die Clifford, die blijkbaar

het gesprek tusschen u en majoor Wigmore heeft afgeluisterd, u zijn

adres niet opgegeven?

—Neen, hij zeide, dat hij het geld wel zou komen halen!

—Nu, wij zullen den schelm wel vinden! zeide Raffles op dreigenden

toon. Misschien is hij ook wel bekend met de inbraak!

Charly was ook opgestaan.

Met een korten hoofdknik verlieten de twee mannen het vertrek, terwijl

zij de ongelukkige vrouw daarbinnen in een beklagenswaardigen toestand

achter moesten laten.

HOOFDSTUK VI.

DE STRIJD OM DEN BUIT.

Den volgenden dag stonden de bladen vol van de jongste opzienbarende

gebeurtenis inzake den moord in de Ormond Street.

Een jonge vrouw, Claire Gray geheeten, had zich bij de politie

aangemeld en verklaarde, dat zij majoor Richard Wigmore gedood had.

Aanvankelijk had men gemeend, met een krankzinnige te doen te hebben,

maar het bleek al spoedig, dat de jonge vrouw de waarheid sprak, en zoo

werden de aanhangers van de stelling, dat er een vrouw in het spel

geweest zijn, in het gelijk gesteld, al hadden ook zij waarschijnlijk

niet verwacht, dat de zaken zulk een onverwachten keer zouden nemen.

Natuurlijk werd Claire Gray onmiddellijk in arrest gesteld, terwijl men

den ouden Brix aanstonds uit zijn gevangenschap ontsloeg. Maar dadelijk

bleek, dat de jonge vrouw de sympathie der groote menigte aan haar

zijde had, ook al had zij zich schuldig gemaakt aan een daad, die onder

alle omstandigheden te verafschuwen is.

Er waren zelfs al eenige bladen, die verzekerden, dat de jonge vrouw

stellig uit zelfverdediging moest hebben gehandeld, en andere hoopten,

dat de advocaat partij zou weten te trekken uit de omstandigheid, dat

het onnoozele pistooltje, waarvan Claire Gray zich bediend had, onder

normale omstandigheden nauwelijks een ernstige wonde kon veroorzaken.

Clifford had zich, waarschijnlijk gewaarschuwd door zijn instinct,

juist bijtijds uit de voeten gemaakt, voor men tot zijn arrestatie kon

overgaan, want Claire Gray had aan de politie ook mededeeling gedaan

van de poging tot afpersing van den schurk, waaruit voortvloeide, dat

hij het gesprek had afgeluisterd, terwijl hij misschien ook wel

zijdelings betrokken was bij de inbraak.

Maar hoe snel Clifford zich ook uit de voeten had gemaakt, hij deed het

toch niet snel genoeg om aan het wakend oog van den Grooten Onbekende

te ontsnappen.

Want Raffles had aanstonds zijn wachtposten uitgezet, en de gangen van

den schurk zorgvuldig laten nagaan, zoodat hij geen stap gedaan had of

Raffles droeg er kennis van.

En zoo wist hij dan, dat Clifford onder een valschen naam een klein

vertrekje had gehuurd in de Church Street, een nauwe, morsige straat in

Houndsditch, een volkswijk van Londen, in het noord-oosten van de stad

gelegen.

Raffles was in een tamelijk naargeestige stemming, toen hij op den

middag van dien dag met de handen op den rug heen en weder liep in de

bibliotheekzaal van het fraaie huis aan de Regent Street.

Hij had eenige uren geleden vernomen van deze aangifte van Claire Gray,

en een kwartier geleden was Charly hem komen berichten waar Clifford

gebleven was. Thans stond de trouwe chauffeur Henderson, als

straatslijper vermomd voor de deur van het huis in de Church Street, op

de loer. En de reus zou er wel zorg voor dragen dat de schelm niet zou

ontsnappen.

De deur werd geopend en Charly trad het vertrek binnen.

Hij wierp een onderzoekenden blik op het gelaat van zijn vriend en

zeide:

—Je schijnt in een sombere stemming te zijn, Edward?

—Ik ontken het niet, Charly, deze treurige zaak heeft mij meer

aangegrepen dan ik wel durf bekennen. Hier is een moord

gepleegd,—zeker, en toch—wie kan sympathie gevoelen voor den vermoorde

en afschuw voor de moordenares? Ik doe er mijn best toe,—en het wil mij

niet gelukken. „Oog om Oog—Tand om Tand” zegt de bijbel, en Claire Gray

heeft zich daar aan gehouden. Wat Wigmore gedaan heeft, is het laagste

waartoe een mensch vervallen kan—sluipmoord! Als hij hem in een eerlijk

tweegevecht overhoop had gestoken, dan zouden wij allen de wraak van

Claire Gray in een geheel ander licht zien,—zij zou ons zeker

afschuwelijker voorkomen! Maar de majoor heeft zijn medeminnaar, laf

als alle gewetenloze menschen zijn, met een huichelachtigen glimlach om

de lippen in den dood gezonden!

—Veronderstel eens, dat hij daarvoor terecht had moeten staan. Zou men

hem dan gevonnist hebben?

—Als de bewijzen voldoende waren geweest—dan had men hem den kogel

gegeven! riep Raffles uit.

—Wat wil je nu eigenlijk met dien Clifford aanvangen?

—Hem gebruiken als lokvink!

—Ik begrijp je niet!

—Door hem wil ik de inbrekers trachten te vangen!

—Maar je weet volstrekt niet, of Clifford wel iets met die kerels

uitstaande heeft!

—Ongetwijfeld! De kans is zelfs groot, dat hij er niets mede uitstaande

heeft! Maar de kleine kans, dat het wel zoo is, mag ik niet

veronachtzamen! Een schavuit, die in staat is, rustig toe te zien, hoe

de moordenares van zijn meester het huis door een venster verlaat,

alleen omdat hij daar later profijt van hoopt te trekken—die is ook in

staat zijn meester te bestelen!

—Hoeveel bedraagt het gestolen bedrag?

—Ruim veertig duizend pond sterling!

—En heeft de politie nog volstrekt geen spoor van de inbrekers kunnen

vinden?

—Neen. Sullivan en Dorrit Evans doen blijkbaar wat zij kunnen, maar zij

zijn er nog niet in geslaagd, de bedrijvers van de inbraak te

ontdekken.

—En de vingerafdruk op de kast en aan de raampost?

—Die van de kast komt in het misdadigersalbum niet voor—en die aan de

raampost bleek van den zelfden man te zijn—zeker een beginneling!

—Wat is nu je meening omtrent het samenvallen van moord en inbraak?

—Louter toeval, mijn jongen!

—Als het raam eens niet had opengestaan, denk je dan, dat Clifford het

wellicht zou geopend hebben—verondersteld natuurlijk, dat hij

medeplichtig is aan de inbraak?

—Dat lijkt mij zeer waarschijnlijk!

—Nog een vraag—waaruit blijkt het eigenlijk, dat Claire Gray het huis

door het raam verlaten heeft?

—Dat blijkt uit niets! antwoordde Raffles lakoniek!

—Maar dan is het zeer wel mogelijk, dat Clifford het voor de bandieten

heeft open gezet! riep Charly uit.

—Je opmerking getuigt van groot inzicht in de zaak! hernam Raffles

opgewonden. Dat moet dadelijk onderzocht worden! Zijn de middagbladen

er al?

—Ze zijn zoo juist gekomen!

—Geef mij er dan eens een als ik je verzoeken mag, mijn jongen!

Wellicht vinden wij er iets naders in omtrent het verhoor van de

ongelukkige vrouw!

Charly snelde weg, en keerde even later terug met een paar bladen,

waarvan hij de kruisband onder het loopen verscheurde.

Raffles greep de „Daily Mail” het blad, hetwelk meestal de meeste

aandacht aan dergelijke sensationeele gevallen besteedde, en sloeg het

open.

Na eenige oogenblikken liet hij een zachten kreet hooren en riep uit:

—Mijn voorgevoel heeft mij niet bedrogen! Die Clifford moet

medeplichtig zijn!

—Waarom?

—Miss Gray heeft bij haar verhoor verzekerd, dat zij het huis door de

voordeur heeft verlaten!

—En wat leidt de politie daaruit af?

—Niets anders, dan dat de inbrekers over den tuinmuur zijn geklommen,

en zich een weg door het raam hebben gebaand!

—En hoe verklaart zij het dan dat het luik in het geheel niet vernield

was?

—Dat verklaart zij niet! kwam Raffles ironisch. Zij accepteert het

feit, zonder er zich langer mede op te houden! Maar wij zijn geen

politie-autoriteiten en zullen maar liever aannemen, dat het raam van

de binnenzijde is geopend!

—Nu wordt het ook duidelijker, waarom die schurk van een Clifford geen

alarm maakte, toen hij het schot hoorde en moest begrijpen dat men zijn

meester doodde! riep Charly uit. Hij begreep dadelijk, dat men het open

raam op rekening van dien moordenaar zou schuiven!

Lord Lister No. 0308: Het geheim van Waverghem · 第 3 / 4 段