glimlachend. Want Clifford, blijkbaar een sluwe vos, moet hebben
vermoed, dat de politie allereerst zou denken, dat de inbrekers den
moord hadden gepleegd, en dus dat het plegen van den moord en het open
maken van het raam denzelfden oorsprong hadden! Maar hoe dan ook—wij
kunnen het er nu gerust voor houden, dat Clifford in het complot was,
en dat een puur toeval den aanslag op Wigmore deed samenvallen met het
plan, in zijn huis in te breken! En ik ben zeer verheugd, dat onze
trouwe Henderson daarginds op wacht staat, om ons dadelijk per telefoon
te waarschuwen als de vos zijn hol verlaat!
—Wat doen wij dan?
—Hem volgen!
—En dan?
—Zien waar hij blijft. Ik denk, dat hij binnenkort wel een samenkomst
met de andere bandieten zal hebben, om zijn aandeel in den buit op te
eischen!
—Heb je eenig vermoeden omtrent de personen der inbrekers?
—Neen—maar te oordeelen naar de sluwe wijze, waarop zij te werk zijn
gegaan, zou het mij hoegenaamd niet verbazen als bleek, dat wij hier te
doen hebben met leden van de bende der Raven, of van de Wolven—die
beiden behooren tot het Genootschap van den Gouden Sleutel, waarvan
onze vijand Dr. Fox de chef is!
—In dat geval zouden wij een prachtigen slag slaan! riep Charly uit. De
chef zit achter de tralies! Als wij nu zijn luitenants ook nog
onschadelijk kunnen maken, dan mag de politie wel een paar kaarsen voor
ons laten branden!
—Zoover zijn wij nog niet, Charly! zeide Raffles. Maar ik hoop, dat het
zoover komt!
—En het geld?
—Als wij dat in handen krijgen, dan gaat het dadelijk naar het pas
gestichte Tehuis voor Oorlogsweezen! riep Raffles uit. De familie van
Wigmore is schatrijk, en hij laat geen kinderen na. En om het aan den
Staat te laten vervallen—daar denk ik niet aan!
De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over hetzelfde onderwerp
voort, en begaven zich toen naar de kleine eetzaal, waar door de goede
zorgen van Gaston, den ouden kamerbediende van Lord Aberdeen, een
eenvoudige maaltijd hen wachtte.
Zij waren wel genoodzaakt tehuis te blijven, want de afspraak met
Henderson luidde, dat hij naar het heerenhuis in de Regent Street zou
telefoneeren, zoodra hij iets bijzonders had ontdekt, of wanneer
Clifford ’s avonds zijn verblijf zou verlaten.
Het werd bijna elf uur voor de telefoon met schril geluid van de bel
overging.
Raffles sprong op en nam het toestel ter hand!
Hij sprak even en legde het toen weder op den haak.
—Op weg, Charly! riep hij uit, terwijl zijn oogen schitterden. De
schurk heeft zijn woning verlaten!
—Maar hoe weten wij nu, waar hij heen is gegaan? vroeg Charly.
—Dat zal Henderson ons nader melden! De kerel is daar natuurlijk in de
buurt van zijn medeplichtigen gaan wonen, om dicht bij het vuur te
zitten. Ik heb Henderson den naam van een café genoemd, waarheen hij
zijn telefonische boodschappen kan zenden! Ben je gereed?
—Ik ben tot je dienst!
—Op marsch dan!
De beide vrienden hadden reeds van te voren alles voor hun gevaarlijke
onderneming in orde gemaakt, en zij behoefden nu niets anders te doen,
dan hun revolvers in hun zak te laten glijden en het huis door de
kleine tuinpoort te verlaten.
In de Regent Street riepen zij een huurauto aan en Raffles gaf den
chauffeur last, hen naar de Church Street te brengen, waartegen de man
eerst wel wat bezwaar had, omdat het zoover uit de buurt was, maar een
goudstuk bezwoer zijn bedenkingen.
Een drie kwartier later reed de auto de smerige straat in, en zette de
beide mannen af voor een vrij groot café, waar het reeds tamelijk vol
was.
Raffles wenkte aanstonds een der drie kellners, die het etablissement
rijk was en zeide:
—Luister eens, vriend! Hier heb je een vijf shilling stuk! Aanstonds
zal er getelefoneerd worden, en men zal naar mijnheer Blueman vragen.
Waarschuw mij dan dadelijk, want het geldt een gewichtige afspraak!
—Zeker, mijnheer! antwoordde de kellner, verheugd over deze groote
fooi, welke hij hier zeker niet gewend was. Ik zal niet mankeeren!
Raffles en Charly bestelden iets voor de leuze.... en toen wachtten
zij.
Er verliep bijna een half uur en toen kwam de kellner naar hun tafeltje
en zeide op zachten toon:
—Daar is een mijnheer Blackman aan de telefoon, die naar mijnheer
Blueman vraagt!
—Ik kom dadelijk! zeide Raffles.
Hij stond op, en volgde den kellner naar de telefoon, die in een soort
kantoortje van den gérant hing, die op dit oogenblik zijn plichten in
de zaal vervulde.
Raffles bleef hier slechts enkele oogenblikken en keerde daarop weder
naar Charly terug.
—Ga mede! fluisterde hij. Henderson heeft mij gezegd, waarheen hij zich
begeven heeft!
—Waar dan?
—Naar een oud huis in de Windsor Street! Een echt dievenhol! Er zijn
daar reeds drie kerels bij elkaar! Wij moeten ons haasten!
—Waar is Henderson?
—Die wacht ons in een klein kroegje op den hoek van de straat, juist
tegenover het huis!
—Vooruit dan maar! Als wij Henderson bij ons hebben, dan is vier man
geen partij voor ons!
De vertering werd betaald en de twee vrienden begaven zich haastig op
weg.
De Windsor Street lag op nauwelijks een kwartier uur gaans, en zij
behoefden dus geen auto te nemen—die in deze buurt trouwens niet zoo
gemakkelijk te krijgen zou zijn!
Zij liepen snel voort en er werd onderweg weinig gesproken.
Op een naburige kerkklok sloeg het half twee toen Raffles en Charly het
kleine wijnhuis bereikten, waar Henderson hen zou wachten.
Zoodra zij waren binnengetreden zagen zij den reus voor een der ramen
zitten, naar buiten in de duisternis loerend.
Raffles trad aanstonds op hem toe en zeide op zachten toon:
—Daar zijn wij, James! Je hebt goed je best gedaan! Is de schurk er nog
altijd?
—Ja, mijnheer! antwoordde Henderson. Zij moeten daar met zijn vieren
zijn, als er tenminste niemand op hen heeft zitten wachten!
—Nu, dat zullen wij wel zien als wij eenmaal binnen zijn! sprak Raffles
koeltjes.
Er kwam een soort havelooze kellner op hen toe, die vroeg, wat de
heeren zouden gebruiken, maar Raffles zeide lachend:
—Aanstonds, mijn vriend! Wij komen mijnheer hier halen en keeren
dadelijk weer terug!
En nu verlieten de drie mannen het rookerige zaaltje, waar men
ternauwernood drie passen voor zich kon uitzien en staken snel de
straat over.
Er bevonden zich slechts zeer weinig menschen bij den weg, want het
weder was alles behalve aanlokkelijk, en er hing sneeuw in de lucht.
—Heb je soms kunnen zien op welke verdieping zij zich bevinden? vroeg
Raffles zacht.
—Ik heb op de bovenste verdieping licht zien maken, juist toen de
schurk naar binnen was gegaan. Daarna zijn er nog drie bij gekomen.
—Dat klopt ongeveer met het vermoedelijk aantal inbrekers, zeide
Charly. Nu, wij zullen wel niet al te veel moeite met hen hebben! Het
is nu maar te hopen, dat de kerels het geld hier in dit huis hebben
gebracht! Anders zou al onze moeite tevergeefs zijn!
Dit korte gesprek had slechts weinige seconden geduurd, maar het was
voldoende voor Raffles geweest, om behendig het wrakke slot van de
buitendeur te forceeren.
—Vlug naar binnen, mannen, en niet getalmd! zeide Raffles.
—Wat doen wij met de schavuiten als wij het geld hebben? vroeg Charly,
toen allen binnen waren getreden en nu in een tastbare duisternis
stonden.
—Laten loopen! antwoordde Raffles lakoniek. Als er geen geld meer is,
zal het hun niet moeilijk vallen om alles te loochenen!
—Maar Clifford?
—Dat is wat anders! Die ellendeling, die verklikker en verrader zal
zijn gerechte straf niet ontgaan! Heb je voor een auto gezorgd,
Henderson?
—Er staat er een te wachten in de garage, hier een pas of vijftig
vandaan, Mylord! antwoordde Henderson.
—Dan is alles in orde! Naar boven!
De drie mannen klommen de steile, nauwe trap op, zorg dragend, dat zij
de vermolmde treden niet lieten kraken.
Dat was vooral voor den zwaargebouwden Henderson lang niet gemakkelijk,
en hij kon dan ook niet beletten, dat er nu en dan een trede even onder
zijn voeten kraakte, hetgeen hem dan telkens een onderdrukten vloek
ontlokte.
De drie mannen hadden juist het portaal van de derde verdieping
bereikt, toen er boven hun hoofd voorzichtig een deur geopend werd, en
een zwak schijnsel, blijkbaar afkomstig uit een kamer op de vierde
verdieping, de trap schaarsch verlichtte.
Raffles, Charly en Henderson stonden onbewegelijk stil.
Daarboven klonk, nauwelijks hoorbaar, zacht gefluister.
Toen werd het schijnsel sterker en eensklaps verdween het weder,
terwijl tegelijk de deur werd gesloten.
—Zij hebben ons gehoord, vrienden! zeide Raffles. Snel naar boven, voor
zij langs een anderen weg kunnen vluchten!
De drie mannen stormden naar boven, daar zij thans niet meer behoefden
te zorgen, dat men hen niet hoorde—dat was blijkbaar reeds gebeurd!
Er was slechts een enkele deur en Henderson rukte dadelijk aan den
knop.
Maar de deur was stevig gesloten!
Binnen klonk het geluid van een raam, dat geopend werd.
—Snel, mannen! beval Raffles. Zij trachten over het dak te ontkomen!
Wij zijn hier op de bovenste verdieping! Werp je tegen de deur, James!
Henderson had dit bevel niet eens afgewacht!
Hij nam een korten aanloop en wierp zich uit alle macht tegen de deur.
En het had maar weinig gescheeld, of hij was met deur en al naar binnen
gevallen.
Het hout kraakte en splinterde en het volgende oogenblik stonden de
drie mannen in een soort zolderkamer, welke op dit oogenblik slechts
verlicht was door het schemerig schijnsel, dat door het geopende
dakraam naar binnen drong.
Er klonk een rauwe vloek, en een zwaar voorwerp vloog rakelings langs
het hoofd van den reus, die vooraan stond.
Men had hem een stoel naar het hoofd willen slingeren!
Maar nu straalde het vertrek eensklaps van licht.
Raffles had zijn sterke electrische zaklantaarn te voorschijn gehaald
en ook zijn revolver ter hand genomen.
En bij het licht van dit instrument konden de drie mannen zien, hoe
vier kerels in een hoek van het vertrek bijeen stonden gedrongen,
blijkbaar verlamd van schrik.
Op een wrakke tafel in het midden van het vertrek lagen eenige
goudstukken verstrooid.
Blijkbaar hadden de bandieten nog snel willen vluchten langs het raam,
nu de weg langs de trap hun was afgesneden.
Een der kerels had een gonjezak in de hand, die langs zijn beenen
schommelde.
Daarin was zeker het gestolen geld verborgen!
—Steek allen uw handen omhoog! beval Raffles op korten toon. Neen, gij
met uw zak moet dat voorwerp op tafel leggen! Pas op, Charly!!
Deze waarschuwing gold den jongen man, die nu naar voren was getreden.
Een der schurken had tersluiks zijn arm los laten zakken en zijn
revolver kunnen grijpen.
Half achter den rug van een zijner makkers staande, had hij den loop
tusschen zijn eigen lichaam en dat van zijn buurman gestoken en op
Charly gemikt!
Het schot kraakte......
Het schot vloog den jongen man juist langs de ooren, maar hij trof de
lantaarn die Raffles vast hield en het volgend oogenblik was het
vertrek weder in duisternis gehuld!
Nu ontstond er een woedend gevecht, een handgemeen, waarbij men niet
van de vuurwapens gebruik kon maken, wilde men niet het gevaar loopen
een vriend te raken.
Maar Henderson was naar voren gesprongen, zoodra het duister werd en
had een der bandieten vast weten te grijpen, wat voor dien schurk wilde
zeggen, dat zijn lot beslist was.
De reus hief hem als een kind op en smeet hem met zulk geweld tegen den
wand, dat hij daar roerloos bleef liggen.
Charly had een stoel beet gekregen en sloeg dien stuk op het hoofd van
een der schurken, die toevallig te dicht bij het venster was gekomen,
waar men nog iets kon zien.
Wat Raffles betreft, hij worstelde met twee bandieten, waarvan er een
zijn mes had weten te grijpen, en nu onder het slaken van woedende
kreten een plek trachtte te vinden waar hij zijn vijand kon treffen.
Maar voor hij kon toestooten, had Charly licht kunnen maken met zijn
eigen lantaarn, en toen de schurk eindelijk den arm met het mes in de
vuist liet dalen... trof hij den opgeheven arm van zijn eigen makker,
die Raffles juist een hevigen slag wilde toebrengen.
De strijd was nu spoedig beslist, want drie der bandieten waren reeds
buiten gevecht gesteld.
De man, die het laatst was overgebleven, en de eenige die niet gewond
was, luisterde naar den naam Clifford!
De kerel stond daar doodsbleek, en met een door haat en woede
vertrokken gezicht en keek Raffles valsch aan.
Deze nam in het geheel geen notitie van hem en keek de anderen een voor
een aan.
—Er is geen chef bij! mompelde hij. Ik begin te gelooven, dat de heeren
op eigen houtje den buit hadden willen verdeelen, en als de
bendeleiders daar achter komen, zou het er wel eens leelijk voor die
lieden kunnen uitzien! Nu, dat is hun zaak! Laten wij maar eens eerst
zien wat die zak bevat!
Henderson tilde het zware voorwerp op tafel, en terwijl Charly Clifford
in het oog hield—bij de anderen was dat in het geheel niet noodig, want
die konden toch geen vinger verroeren,—onderzocht Raffles vluchtig den
inhoud.
—Ja, ja—het is in orde! zeide Raffles glimlachend. Er moet hier voor
omtrent 14.000 pond sterling zijn! Nu, dan hebben wij hier niets meer
te maken.
Hij wierp den bediende van den vermoorden majoor een ijskouden blik
toe, en zeide:
—Dat gij steelt.... daarop kan ik om bijzondere redenen geen aanmerking
maken—maar dat gij uw eigen meester verraadt en hem helpt bestelen, dat
gij geen hand hebt uitgestoken om zijn dood te wreken, dat gij een
onschuldig man in den kerker hebt laten zuchten, dien gij met een enkel
woord in vrijheid hadt kunnen doen stellen, en dat alleen uit vuige
geldzucht... dat alles is het werk van een laffen, eerloozen schurk!
Weg met hem, vrienden!
Henderson had den kostbaren zak dichtgebonden en over zijn schouder
geworpen en Charly greep Clifford vast en dwong hem voor hem uit te
gaan.
Het huis was reeds in rep en roer geraakt, en het kostte zelfs eenige
moeite, den bandiet veilig en wel buitenshuis te krijgen, daar eenige
bewoners wel geneigd schenen, den gevangene, dien zij overigens niet
kenden, te beschermen uit louter solidariteitsgevoel!
Maar gelukkig boezemde de gestalte van den reusachtigen Henderson hen
zoo veel eerbied in, dat de drie mannen met hun gevangene de garage
konden bereiken, en Clifford in de gereedstaande auto konden doen
plaats nemen.
Maar deze maakte een omweg, waarvan de gevangene pas veel later het
doel zou begrijpen.
Zij reed namelijk door de Regent Street......
Daar stapte Raffles van de auto, in gezelschap van den goed gevulden
zak en verdween in de duisternis.
Maar de auto reed verder en gaf Clifford aan Scotland Yard over, om
dadelijk daarop weder weg te rijden!
Een dag later kon de boekhouder van het pas gestichte Tehuis voor
Oorlogsweezen een gift van 14.000 pond sterling noteeren van „een
onbekende......”
De ongelukkige Claire Gray werd, daar er, zooals Raffles wel had
voorzien, verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, tot
slechts een jaar gevangenisstraf veroordeeld.
En er waren velen die dat nog te veel vonden......