ook stellig, dat die bezoeker niets te maken had met de inbrekers, die
na hem zijn gekomen, en dat hier louter toeval in het spel is! Ik bezit
nogal eenige kennis van de literatuur op het gebied der criminaliteit,
en ik heb nog nergens gelezen, dat een inbraak op deze wijze wordt
gepleegd! Het is immers te dwaas om alleen te loopen, dat inbrekers,
die dien naam waardig zijn, een der hunnen vooruit zouden zenden, die
eerst een paar uur in een wijnhuis gaat zitten, opdat men hem toch goed
zal zien, en daarna een gesprek van een half uur houdt met het
slachtoffer, alvorens hem neer te schieten!
—Ja—erg plausibel klinkt het niet! gaf Charly peinzend te kennen.
—Plausibel? Het is tastbare onmogelijkheid, zeg dat liever! riep
Raffles uit.
Hij blies een dikke wolk uit zijn fijne sigaret en vervolgde nadenkend:
—Het is jammer—en tevens geeft het te denken!—dat die man in het café
in het geheel zijn hoed niet heeft afgezet!
—Hoezoo?
—Wel dan had men wellicht kunnen zien of het wel echt haar was, onder
dien hoed!
—Je gelooft dus aan een vermomming?
—Misschien druk ik mij niet volledig uit, mijn jongen! Wellicht had men
dan kunnen zien, of het haar onder den hoed wel dat van een man was!
Charly sprong van zijn stoel op en staarde Raffles met wijd geopende
oogen aan.
—Wat zeg je daar? riep hij eindelijk uit. Maar—denk je dan, dat die
bezoeker.... een vrouw is geweest.
—Acht je dat volkomen onmogelijk? vroeg Raffles kalm.
—Onmogelijk.... neen, maar.... de waarheid is, dat ik daar geen seconde
aan gedacht heb!
—De politie blijkbaar ook niet! gaf Raffles droogjes te kennen. En toch
ligt het dunkt mij voor de hand! Die haarspeld spreekt boekdeelen! Het
voorwerp is in de kamer gevonden. Wij weten dat de majoor den geheelen
avond niet in damesgezelschap is geweest. Evenzeer weten wij, dat,
volgens alle getuigen, geen dame dien avond bij den majoor is
gekomen—ten minste niet als een vrouw gekleed! Ten derde is de kans,
dat die haarspeld daar reeds geruimen tijd zou hebben gelegen nihil,
want in een huis als dat van majoor Wigmore, worden de kamers
natuurlijk iederen dag zorgvuldig schoongemaakt! De eenvoudigste logica
noodzaakt ons, de eenige mogelijkheid die nog over is, als de ware aan
te nemen—namelijk dat de bezoeker de haarspeld heeft verloren. En daar
mannen zich nooit met dergelijke voorwerpen bezig houden—zoo moet het
wel een vrouw zijn geweest!
—Ja maar.... Ja maar.... kwam Charly. Alles goed en wel, maar als wij
dat aannemen dan.... dan....
—Welnu? vroeg Raffles glimlachend.
—Welnu.... ik geef mij gewonnen! barstte de jonge man eensklaps uit.
Zeker, waarom zou het niet mogelijk zijn! En wacht eens—de majoor is
van zijn vrouw gescheiden! Wie weet—misschien is zij wel wraak komen
nemen.... Weet ik, waarvoor!
—Dat zou kunnen—alleen zou zij dan wel wat lang gewacht hebben! meende
Raffles. Intusschen—er kunnen zich wel feiten hebben voorgedaan, die
plotseling de woede van de vrouw hebben gaande gemaakt! Maar toch—neen,
ik geloof niet, dat wij in die richting moeten zoeken! Herinner je je,
dat er een papiertje op de borst van den doode is gevonden met een
zonderling woord, in ieder geval een Engelsch woord er op geschreven?
—Natuurlijk!
—Weet je, hoe dat woord luidde?
Charly dacht even na, maar hij moest er de krant bij halen en vond
daarin het woord:
—Waverghem! riep hij uit.
—Juist! Weet je soms wat dat te beteekenen heeft?
—Geen flauw idee van!
—Een nul voor aardrijkskunde, Charly! riep Raffles op bestraffenden
toon. En een nog grootere nul voor de kennis van den Wereldoorlog!
—Wat heeft die er mee te maken, vroeg Charly verbaasd.
—Dat zal ik je aanstonds zeggen! Waverghem is de naam van een klein
dorp in Vlaanderen, en bij het zegevierend offensief der Geallieerden,
hetwelk een aanvang nam in den zomer van het jaar 1918, om te eindigen
met de volledige nederlaag van de Duitschers, is daar in de buurt
allerhevigst gevochten!
—Ja ja! riep Charly opgewonden uit. Nu herinner ik het mij weder! Maar
voor den drommel—wat heeft de naam van dat kleine Belgische dorp te
maken met den moord op majoor Wigmore?
—Nu doe je mij een vraag, waarop ik je het antwoord schuldig moet
blijven, mijn waarde Charly! zeide Raffles, schouderophalend. Als ik
dat wist, zou het denkelijk geen uur meer duren, of ik zou de
moordenares of den moordenaar aan de politie kunnen aanwijzen.
—Daar valt mij iets in!
—Laat eens hooren!
—Als de misdaad werkelijk door een vrouw is bedreven, dan zou het woord
ook met een vrouwenhand geschreven moeten zijn!
—Een schrandere opmerking, mijn waarde. Althans wanneer de vrouw zich
niet in een zoodanigen toestand van overspanning bevond, dat zij haar
schrift niet meester was, en de letters meer heeft geteekend dan
geschreven. Intusschen—dat zal de politie dunkt mij, zelf wel hebben
uitgemaakt.
—Als het inderdaad een vrouw is geweest, wat zou dan wel het motief
zijn, denk je?
—Als een vrouw een moord pleegt, dan zijn er maar twee motieven
mogelijk, ten minste als zij geen monster is: liefde en haat. Dat wil
dus zeggen, dat er eigenlijk maar één motief is, want liefde en haat
zijn goed beschouwd broeder en zuster. Men zou dus slechts in het
verleden van den vermoorde behoeven te zoeken om het motief van de
misdaad te vinden, tenminste dat is mijn meening.
—Maar acht je het niet buitengewoon toevallig, dat de inbraak juist in
denzelfden nacht heeft plaats gehad?
—Dat is misschien veel minder toeval dan wij nu wel kunnen vermoeden!
Wie zegt je, dat de man of de vrouw, nadat zij uit het raam is
geklommen, en de vlucht heeft genomen, niet gezien is door een troepje
bandieten, die op roof uit waren? Is het ondenkbaar, dat zij het
openschuiven van het raam in de nachtelijke stilte hebben gehoord, een
blik over den tuinmuur hebben geworpen en toen het raam open hebben
zien staan?
—Neen, zeker is dat niet ondenkbaar! Maar wie zou het durven, in te
breken in een huis waar zooeven een moord is gepleegd!
—Dat wisten de inbrekers toch niet vooruit? En toen zij eenmaal het
levenlooze lichaam hadden gevonden en zich hadden vergewist, dat
blijkbaar geen der huisgenooten het schot hadden gehoord, toen begrepen
zij, dat de gelegenheid gunstig was, en dat zij er gebruik van moesten
maken!
—Op gevaar af, dat men hen naderhand voor de moordenaars zou aanzien?
—Die vraag, Charly, opent mij weer een nieuw verschiet! riep Raffles
uit. Want alles wel beschouwd, moesten de inbrekers toch inderdaad
rekening houden met de mogelijkheid, dat zij overvallen zouden worden
en dan zou men hen zeker voor de moordenaars van den majoor houden!
Niemand zou iets gelooven van een geheimzinnigen bezoeker, die de daad
had verricht, ook al zou de getuigenis van de bedienden dienaangaande
kans op twijfel laten! En daarom acht ik het mogelijk, dat de schurken
dadelijk beseft hebben, dat er iets ernstigs in het huis was
voorgevallen, en dat daarom een hunner den vluchteling, man of vrouw,
heeft achtervolgd, om te zien waar zij bleef—zij of hij! Indien zij
werden verrast, zou het hun dan later niet moeilijk vallen de politie
op het spoor van den werkelijken dader te brengen! Je merkt, dat ik nog
meestal over een mannelijk persoon praat, maar dat is meer uit
gewoonte—want ik blijf volhouden dat hier zeer waarschijnlijk een vrouw
in het spel is!
—Je redeneering is volkomen logisch, Edward! riep Charly vol geestdrift
uit. Er is geen speld tusschen te krijgen.
—De politie schijnt er inmiddels nog anders over te denken! hernam
Raffles droogjes.
—Maar je vindt althans Sullivan, je ouden vijand, aan je zijde. Ten
minste voor zoover het betreft de stelling, dat moordenaars en
inbrekers niets met elkander te maken hadden.
—Dan zal ik wel gelijk hebben, want Sullivan is een der knapste
detectives van geheel Londen! kwam Raffles, die was opgestaan en zich
duchtig uitrekte, een onbedriegelijk teeken, dat hij zich ging gereed
maken, zich ergens mede te bemoeien, dat strikt genomen niet tot zijn
competentie behoorde.
HOOFDSTUK IV.
JERRY CLIFFORD.
Dienzelfden middag werden alle bedienden van den vermoorden majoor
nogmaals, ditmaal op het bureau van politie, aan een streng verhoor
onderworpen.
Zij bleven allen bij hunne verklaringen, maar in het verslag in de
bladen stond vermeld, dat Clifford blijkbaar zeer zenuwachtig was
geweest, en eenige tegenstrijdige verklaringen had afgelegd, welke de
politie noopten, den man nog eenigen tijd te houden en hem een verhoor
af te nemen, dat bijna een vol uur had geduurd.
Daarna had men hem laten gaan, met de mededeeling, dat hij zich ieder
oogenblik ter dispositie van de justitie moest houden.
Uit zijn verhoor was gebleken, dat Clifford reeds geruimen tijd bij den
majoor in dienst was, en den veldtocht als diens oppasser had
medegemaakt.
Majoor Wigmore was als tweede luitenant vertrokken, maar hij had het
vrij spoedig tot kapitein gebracht, terwijl hem de rang van majoor was
verleend, even voor het groote offensief in Vlaanderen en Artois
inzette, als antwoord op de aanvankelijk met succes bekroonde pogingen
der Duitschers, om den tegenstand van de geallieerden te breken.
Slechts een oogenblik was de naam van de gescheiden vrouw van den
vermoorde in het geding gebracht.
Het bleek, dat mevrouw Redmond, zoo was haar meisjesnaam, in een der
noordelijkste wijken van Londen was gaan wonen, nadat de rechtbank de
scheiding tusschen haar en majoor Wigmore had uitgesproken.
Zij leefde daar zeer stil, en niemand had ook maar de geringste
aanleiding, iets op haar gedrag aan te merken.
Maar de bladen waren minder bescheiden dan de politie en zij begonnen
met een ware woede in het verleden der beide menschen te wroeten.
En weer werd het opgehaald, dat de scheiding indertijd was aangevraagd
door de vrouw, op aanklacht van overspel en feitelijke mishandeling.
Dit was door getuigen bewezen, en de eisch werd toegezegd.
Kinderen waren er niet, en de echtgenooten gingen koel en blijkbaar
onbewogen uiteen.
Mevrouw Redmond was niet rijk, maar zij had een klein particulier
fortuin, waarvan zij juist kon rondkomen.
De rechtbank had haar een toelage toegekend, door haren echtgenoot te
betalen, maar zij had dit met verachting van de hand gewezen, en
gezegd, dat zij liever zou omkomen van gebrek, dan ook maar een
shilling aan te nemen uit de hand van den man, die haar mishandeld had,
alsof zij een straatmeid geweest ware.
Dit alles en nog heel wat meer wend aan de vergetelheid ontrukt en
sommige bladen gingen zelfs zoo ver, dat zij verband wilden zoeken
tusschen de scheiding en den moord en de politie tamelijk onbedekte
wenken gaven omtrent den weg dien zij thans had te volgen.
Raffles en Charly hadden met de grootste aandacht de avondbladen
gelezen, waarin een uitvoerig verslag van het eerste verhoor van de
getuigen voorkwam, en zij zaten nu in de rookkamer van het heerenhuis
aan de Regent Street, hun geliefkoosde verblijfplaats, wanneer zij over
ernstige zaken te spreken hadden.
Raffles had reeds eenigen tijd diep nagedacht, toen hij eensklaps het
hoofd ophief en zeide:
—Ik acht het feit, dat die Clifford oppasser van den vermoorden majoor
is geweest, van groot belang.
—Hoezoo? vroeg Charly.
—Wel, denk toch om den naam op het stukje papier. Daarin schuilt het
geheim, mijn jongen. Daarin en in niets anders. Gehoor gevend aan een
plotselinge ingeving heeft de vrouw, want voorloopig ben ik er niet af
te brengen, dat wij hier met een vrouw te doen hebben, dat woord op een
stukje papier gekrabbeld, dat zij van een groot vel had afgescheurd,
hetwelk op de schrijftafel lag. Geen voorbedachten rade dus, maar
opvolgen van een impulsie, een onweerstaanbaren drang, zooals vaak
geschied door lieden die wraak genomen hebben. En combineer nu eens:
majoor—Waverghem—oppasser—zenuwachtige toestand van den
getuige—onnoozel kleine revolver, juist goed om door een vrouw te
worden gebruikt. Zou er werkelijk geen onderling verband tusschen die
dingen bestaan?
—Ik ontken het niet, ik zie het verband alleen maar niet! riep Charly
uit.
—Ik zou bluffen als ik zeide, dat ik zelf het nu reeds zie, mijn
waarde! hernam Raffles. Maar er is iets, wat mij zegt, dat die Clifford
misschien wel meer van de zaak weet, of tenminste van het verleden van
zijn meester, waarvan die vreeselijke daad het uitvloeisel is.
De beide vrienden spraken nog geruimen tijd over de zaak door, toen er
alweder iets nieuws voorviel, dat een geheel andere wending aan den
loop der zaken zou geven......
Er schreeuwde buiten op straat een jongen iets, wat de twee vrienden de
ooren deed spitsen.
Ondanks de koude wierp Raffles het raam open en luisterde aandachtig.
Een krantenjongen riep iets op luiden toon, terwijl hij met een bundel
bladen zwaaide:
—Opzienbarende arrestatie in de zaak van de Ormond Street—een bediende
beschuldigd van medeplichtigheid.
Charly was reeds het vertrek uitgesneld, had in de hal spoedig zijn jas
aangetrokken, en was door den kleinen voortuin de straat opgeijld.
Hij kocht snel een blad van den jongen, en ging het huis weder binnen.
Nog onder het loopen sloeg hij het blad open en Raffles hoorde zijn
luiden kreet van verbazing, toen hij het rookvertrek weder binnentrad.
—Wat is er? vroeg hij.
—Wat er is? De oude Brix is gearresteerd, op beschuldiging van
medeplichtigheid aan den moord op majoor Wigmore.
—Wat! Is er dan iets nieuws ontdekt? schreeuwde Raffles.
—In het geheel niet. De politie neemt echter aan, dat hij het heele
verhaal van den laten bezoeker heeft verzonnen, om haar op een
dwaalspoor te brengen, en dat hij het is geweest, die de inbrekers door
het raam heeft binnengelaten.
Raffles gaf geen antwoord, maar keek peinzend voor zich uit.
Toen schudde hij langzaam het hoofd en zeide:
—Neen, dat geloof ik niet. Dat komt mij volmaakt onwaarschijnlijk voor.
—Waarom eigenlijk? vroeg Charly. Er zijn meer voorbeelden van, dat de
bedienden in het complot zijn. Denk maar eens aan het optreden van de
Bende van het Kwade Oog te New-York. Hebben wij het daarginds niet
beleefd, dat er in een en hetzelfde huis op zijn minst vier bedienden
waren, waaronder vrouwen, die later leden van die vreeselijke
bandietenbende bleken te zijn?
—Zeker, maar dat waren allen jonge menschen. Brix is oud, en hij maakte
op mij in het geheel niet den indruk van een misdadiger. Ik geloof
integendeel, dat de plotselinge dood van zijn meester hem zeer heeft
getroffen, al komt het langzamerhand aan den dag, dat majoor Wigmore nu
niet bepaald een edelaardig mensch was. Vergeet niet, dat de oude mam
twintig jaar in dienst was bij den doode.
—Ja, dat is wel zoo... zeide Charly weifelend. Het zou afschuwelijk
zijn, als het werkelijk zoo was. De oude man leek zoo vriendelijk en
kalm.
—Hoe het zij, het wordt nu tijd, dat wij ons eens nader met deze zaak
gaan bemoeien, Charly.
—Je weet, dat je op mij kunt rekenen.
—Goed zoo. Dan moeten wij eerst eens het adres van dien Clifford te
weten zien te komen, want ik houd vol, dat die man in een of ander
verband staat met de zaak. Misschien weet hij iets uit het verleden van
zijn meester, hetwelk de misdaad zou verklaren. In ieder geval moeten
wij rekening houden met die mogelijkheid, en daarom zullen wij
aanvangen met dien man eens na te gaan.
—Zou hij niet meer in het huis in de Ormond Street wonen?
—Dat denk ik niet. En misschien toch weer wel. De bedienden zullen daar
wellicht tot na de begrafenis blijven, zooals dat hier en daar gebruik
is. Ik meen ergens gelezen te hebben, dat er een broeder van den
vermoorde uit Manchester is overgekomen om voor de begrafenis zorg te
dragen. Hij zal ook wel de man zijn, die met de bedienden afrekent. Wij
zullen geen tijd verliezen, en aanstonds op onderzoek uitgaan.
Nu Raffles eenmaal het voornemen had opgevat, zich met de geheimzinnige
zaak in de Ormond Street te bemoeien, aarzelde hij ook geen oogenblik
meer, maar ging tot handelen over.
De twee vrienden vermomden zich als gewone arbeiders, en verlieten het
huis aan de tuinzijde.
Het was reeds duister, toen zij de Regent Street bereikten.
Zij namen hier een auto die hen tot dicht bij het huis in de Ormond
Street bracht.
Raffles gelastte den chauffeur, nog even te wachten, daar hij niet
wist, of hij hem nog noodig zou hebben, en vervolgens slenterden de
beide mannen naar het huis, waar zich den nacht te voren het
mysterieuze drama had afgespeeld.
Het toeval was hen bij uitstek gunstig, want zij hadden juist de
voordeur bereikt, toen deze open ging en er een man naar buiten trad,
die zijn hoed ver over het voorhoofd had getrokken.
Hij was eenvoudig gekleed, en Raffles en Charly herkenden in dezen man
bij het licht van een lantaarn aanstonds Clifford, wiens portret
evenals die van alle andere personen uit het drama in de „Daily Mail”
was verschenen.
Zij konden zich niet vergissen.
Het was dezelfde gelaatsvorm, het waren dezelfde zwarte, half dicht
geknepen oogen, dezelfde groote neus, hetzelfde smalle voorhoofd.
Raffles en Charly liepen schijnbaar onverschillig nog eenige stappen
verder, maar toen keerden zij op hun schreden terug, en volgden den
bediende, na den chauffeur van hun auto een wenk te hebben gegeven.
Dit bleek een goede maatregel te zijn, want Clifford riep spoedig een
taxi aan en sprong er in.
Raffles gaf den chauffeur van zijn eigen auto een teeken en zeide, toen
de man was komen aanrijden:
—Volg dien wagen daar voor je, maar kom er nooit te dicht bij. Een
goede fooi, als je je werk naar behooren verricht. Als de auto voor je
stil staat, houd je eveneens stil.
De chauffeur tikte tegen zijn pet, en de achtervolging begon.
De auto, waarin Clifford had plaats genomen, reed de Ormond Street ten
einde en sloeg toen de Queen Street in.
Het voertuig volgde een noordelijke richting en hield na ongeveer een
half uur rijdens stil voor een vrij groot huis in de Drummond Street.
Dadelijk stopte ook de wagen waarin Raffles en Charly waren gezeten.
De twee mannen sprongen er haastig uit, en Raffles betaalde den
chauffeur, die met een grijns de groote fooi opstreek.
Charly had intusschen Clifford in het oog gehouden en had gezien, dat
hij had aangebeld en eenigen tijd had gesproken met een dienstmeisje.
Daarop was de bediende het huis binnengetreden.
—Ik denk niet, dat daar zijn eigen woning is! fluisterde de jonge man,
zoodra de auto was weggereden.
—Dat heb ik ook niet verwacht! zeide Raffles. Maar waarom denk je het,
Charly? Hij is daar dus blijkbaar vreemd!
—Goed geredeneerd! Wij zullen hem aanstonds volgen, en zien, wat hij
daar doet!
—Maar welke reden moeten wij opgeven?
—Wij zullen eenvoudig zeggen, dat wij van de geheime politie zijn, en
den man volgen, die zooeven is binnen gegaan! In zekeren zin spreken
wij dan volkomen de waarheid!
Onder het spreken waren de beide mannen naar het groote huis toegegaan
en Raffles schelde bescheiden aan.
Hetzelfde dienstmeisje verscheen weder en vroeg, wat de beide bezoekers
verlangden.
—Wij zijn rechercheurs, lief kind! zeide Raffles op zachten toon. Je
behoeft daar niet zoo van te schrikken, want wij begrijpen wel, dat
zulk een lief meisje niets op haar geweten kan hebben! Wij willen
weten, waar de man is heengegaan, die zooeven hier heeft aangescheld!
Het meisje, op wier wangen een blos verschenen was, schrikte en zeide:
—Die heer vroeg naar miss Daring!
—Woont die dame reeds lang hier?
—Nog geen week!
—Is die man hier al vroeger geweest?
—Nooit!
—Welken naam gaf hij op?
—Green!
—Zoo, zoo! Welke reden gaf hij op voor zijn komst op dit vreemde uur,
nu iedereen aan tafel pleegt te zitten?
—Hij zeide, dat hij miss Daring over een zeer belangrijke zaak moest
spreken en toen noemde hij een raar woord—ik kan het niet
uitspreken—Wavergin... of zoo iets!
Raffles had Charly een triomfantelijken blik toegeworpen en wendde zich
nu weder tot het dienstmeisje met de vraag:
—Wil je ons dadelijk eens naar de kamer van die dame brengen, lief
kind? Maar maak vooral geen leven, want wij zijn er volstrekt niet op
gesteld, dat die mijnheer Green ons hoort!
—Is die man dan een misdadiger, mijnheer? vroeg het meisje bevend.
—Dat kan ik nu nog niet zeggen, en het is mogelijk, dat wij hem
ongemoeid laten gaan! antwoordde Raffles.
—Maar ik moet toch eerst mevrouw waarschuwen! hernam het dienstmeisje.
—Volstrekt niet noodig! zei Raffles. Dat houdt maar noodeloos op, en
wij moeten snel handelen! Wij moeten weten, wat die man hier komt
uitvoeren! Later zullen wij het genoegen hebben, ons even met je
meesteres te onderhouden! Hier is mijn penning!
Raffles sloeg een revers van zijn jas om en liet het dienstmeisje een
detective-penning zien, welken hij bij vroegere gelegenheden eens had
weten buit te maken.
Nog aarzelend ging het meisje de beide gewaande politiebeambten voor en
geleidde hen naar de tweede verdieping, waarbij zij zoo zacht mogelijk
liep, met een trek van schrik en opwinding op het gelaat.
Boven aan de trap stond zij stil en fluisterde:
—Het is de laatste deur aan uw rechterhand!
—Prachtig! Is de kamer daarnaast wellicht bewoond?
—Op het oogenblik is de bewoner de stad uit!
—Het kon niet mooier!
—Maar de deur is natuurlijk afgesloten en mevrouw heeft den tweeden
sleutel!
—Dat is in het geheel geen bezwaar, lief kind! zeide Raffles
glimlachend. Wij zouden als detective geen knip voor onzen neus waard
zijn, indien wij ons door zoo’n bagatel lieten ophouden!
En met die woorden haalde Raffles zijn onafscheidelijk bosje loopers te
voorschijn, en trad op de deur toe, terwijl het dienstmeisje verschrikt
toekeek.
Binnen enkele tellen had de gentleman-inbreker het eenvoudige slot
geopend, en zeker met niet meer geraas, dan de bewoner zou hebben
gemaakt, als hij de deur met een gewonen sleutel had moeten openen.
Hij keerde weder terug en fluisterde:
—Ga nu maar heen, en zeg je meesteres wat wij hier doen, anders
verbeeldt zij zich misschien wonder wat. Als wij den kerel beet hebben,
zullen wij je wel waarschuwen.
Hij wenkte Charly, en beiden traden het onbewoonde vertrek binnen.
Raffles sloot de deur weder zachtjes en trad onmiddellijk op een
tusschendeur toe, welke dit vertrek met het aangrenzende in verbinding
bracht, maar die op slot was gedraaid. De sleutel zou zich natuurlijk
op het sleutelbord van de pensionhoudster bevinden, tot tijd en wijle
er zich een huurder voordeed, die beide kamers zou wenschen te
betrekken.
Hij legde het oor tegen het sleutelgat en luisterde ingespannen.
In het eerst kon hij niets verstaan, maar nu werd de stem van den man,
die daar binnen sprak duidelijker, en Raffles kon hooren wat hij nu
zeide:
—Ik geef u dus nog drie dagen tijd, waarde dame, en dan zult gij door
den zuren appel moeten heenbijten. Ik heb u zooeven gezegd, wat ik
weet, en wat ik gezien heb. Zorg dat het geld er over drie dagen is, of
ik breng u aan de galg.
Een droge snik was het antwoord op deze woorden.
Toen, terwijl Raffles nog steeds gebukt stond, en zich inspande om te
hooren wat er nog meer zou worden gezegd, werd er eensklaps een deur
geopend en er klonken voetstappen die zich snel verwijderden.
—Daar gaat de schobbejak! fluisterde Raffles.
Hij ging snel de kamer door en opende de gangdeur.
Maar er was reeds niets meer te zien.
Clifford had blijkbaar de voordeur reeds bereikt en was vertrokken.
Ja, daar viel de deur reeds in het slot.
Raffles maakte een gebaar van ongeduld en fluisterde:
—Wij zijn te langzaam geweest. De kerel is ons ontkomen. En nu zijn wij
nog niets verder.
—Wat zeide hij eigenlijk, Edward? vroeg Charly nieuwsgierig.
—Hij wil geld van haar hebben, antwoordde de Groote Onbekende. Een
ordinaire poging tot afpersing. Hij weet iets van de vrouw, die hier
onder den naam van miss Daring woont, en die wel niemand anders zal
zijn dan de late bezoeker. Wie weet heeft de kerel alles gezien en wil
hij nu zijn voordeel doen met die wetenschap.
—Dan heeft hij dus die ongelukkige in zijn macht, kwam Charly.
—Dat moet wel zoo zijn. Je ziet wel, dat er verband bestond tusschen
den naam van het Vlaamsche plaatsje, de bezoekster en dien Clifford.
Hij is tijdens den oorlog de oppasser geweest van den majoor, vergeet
dat niet.
—Ik vergeet het niet, maar ik kan mij nog altijd niet voorstellen, wat
dit feit te maken heeft met den moord op Wigmore.